Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6886

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201109134/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het algemeen bestuur de legger "Waterlopen" vastgesteld voor, onder andere, de Kromme Sleat en deze aangewezen als schouwwater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109134/1/A2.

Datum uitspraak: 30 mei 2012 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Boarnsterhim,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/1366 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van het wetterskip Fryslân.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het algemeen bestuur de legger "Waterlopen" vastgesteld voor, onder andere, de Kromme Sleat en deze aangewezen als schouwwater.

Bij uitspraak van 14 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2012, waar [appellant], in persoon, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J. Greidanus, werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, draagt de beheerder zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven.

Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, stelt het algemeen bestuur de legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Keur Wetterskip Fryslân, wordt in deze keur onder hoofdwateren verstaan: de wateren in beheer en onderhoud bij het waterschap.

Ingevolge die aanhef en onder aa, wordt in de keur onder schouwwateren verstaan: de wateren in onderhoud bij de eigenaren van de aan die wateren grenzende percelen welke elk jaar worden geschouwd.

Volgens hoofdstuk 3.2.1 van de Beleidsregels Inhoud Legger Waterlopen en Kunstwerken (hierna: de Beleidsregels) wordt tot hoofdwater gerekend, "de wateren vanaf het punt dat een afstroming wordt bereikt van ongeveer 50 liter per seconde, of vanaf het punt dat ongeveer 50 hectare op een water afwatert". Daarnaast kan het waterschap op grond van andere dringende redenen een water aanwijzen als hoofdwater (bijvoorbeeld om de doorstroming te waarborgen van een boezemvaart waarop een overstort op uitmondt). Voor wat betreft schouwwater wordt verwezen naar de Beleidsnotitie onder schouwstelling Wetterskip Fryslân.

Volgens de Beleidsnotitie onder schouwstelling Wetterskip Fryslân (hierna: de Beleidsnotitie) zijn er vijf verschillende criteria van belang bij het aanwijzen van een schouwwater:

- Criterium 1: Watergangen worden aangewezen als schouwwater op basis van de functie aanvoer (daar waar dit mogelijk is) en afvoer;

- Criterium 2: De afvoer van water is voor elke belanghebbende gewaarborgd;

- Criterium 3: In doorgaande hoogwatercircuits en wateraanvoersloten is de watertoevoer gegarandeerd;

- Criterium 4: Wegsloten langs verharde openbare wegen en sloten waar een riooloverstort op uitkomt met een piekafvoer van minder dan 50 liter per seconde, worden aangewezen als schouwwater;

- Criterium 5: Het onder schouwstellingsbeleid moet tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten te realiseren zijn.

2.2. Op 11 mei 2009 heeft het algemeen bestuur, met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het ontwerpbesluit de legger "Waterlopen" ter inzage gelegd. Bij brief heeft [appellant] een zienswijze ingediend over het aanwijzen van de Kromme Sleat als schouwwater. Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het algemeen bestuur de antwoordnota en legger vastgesteld, waarbij de Kromme Sleat als schouwwater is aangewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard, omdat het algemeen bestuur in overeenstemming met zijn beleid tot dit besluit is gekomen, en er geen bijzondere omstandigheden zijn die het algemeen bestuur hadden moeten nopen tot afwijken van dat beleid.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur de Kromme Sleat ten onrechte niet als hoofdwater heeft aangewezen. Hierbij wijst hij op de openbare functie van het water. [appellant] betoogt verder dat de omstandigheden dat de Kromme Sleat mede als functie het aanvoeren van bluswater heeft, is aangewezen als vaarwater, geen drie maar zeven inlaatpunten heeft en een functie heeft bij het doorstromen van water bij een overstortsituatie, eveneens aanleiding voor het algemeen bestuur hadden dienen te geven de Kromme Sleat als hoofdwater aan te wijzen. Tot slot betoogt hij dat de lasten van het onderhoud voor de Kromme Sleat onevenredig zwaar zijn voor hem.

2.3.1. Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het algemeen bestuur de legger vastgesteld en de Kromme Sleat als schouwwater aangewezen. Bij deze aanwijzing is het algemeen bestuur uitgegaan van de Beleidsregels en de Beleidsnotitie. Het hierin opgenomen beleid is niet onredelijk. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur de Beleidsregels en de Beleidsnotitie aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Hierbij is in aanmerking genomen dat een bestuursorgaan in het algemeen overeenkomstig zijn beleidsregels dient te beslissen.

Volgens de Beleidsregels wordt tot hoofdwater gerekend "de wateren vanaf het punt dat een afstroming wordt bereikt van ongeveer 50 liter per seconde, of vanaf het punt dat ongeveer 50 hectare op een water afwatert". De Kromme Sleat voldoet op beide punten niet aan deze omschrijving. Ter zitting is komen vast te staan dat de Kromme Sleat geen vaarweg is en dat dat deel van de Kromme Sleat waar zich een riooloverstort bevindt, wel als hoofdwater is aangewezen. Ook de overige door [appellant] genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder van aard dat het algemeen bestuur had moeten komen tot een ander standpunt. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de aanwijzing van de Kromme Sleat als schouwwater overeenkomstig de Beleidsregels en de Beleidsnotitie heeft plaatsgevonden. In dit verband heeft de rechtbank terecht betekenis gehecht aan de piekafvoer ter plaatse en het oppervlak dat de inlaatpunten ter plaatse bedienen.

De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten gemoeid met het onderhoud als onevenredig bezwarend moeten worden beschouwd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het algemeen bestuur heeft toegezegd dat de Kromme Sleat in schouwbare staat wordt gebracht alvorens [appellant] onderhoudsplichtig wordt.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 11 mei 2010 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat over de Kromme Sleat twee besluiten zijn genomen. Volgens [appellant] heeft het algemeen bestuur ter zitting bij de rechtbank verklaard dat een deel van de Kromme Sleat als hoofdwater zal worden aangewezen en dat daarmee aan de bezwaren van een andere aanwonende tegemoet zal worden gekomen. Doordat in de pleitnotitie van het algemeen bestuur wat betreft de bezwaren van [appellant] wordt verwezen naar het standpunt over deze andere aanwonende, is volgens [appellant] de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de percelen van [appellant] niet aan dit deel van de Kromme Sleat liggen.

2.4.1. Het algemeen bestuur heeft bij besluit van 11 maart 2011 een correctie op de legger vastgesteld omdat een deel van de Kromme Sleat onjuist in de legger was vermeld. Dit betreft niet het deel waar de percelen waarop het hoger beroep van [appellant] betrekking heeft, liggen. Het algemeen bestuur heeft hiermee, anders dan [appellant] betoogt, niet in strijd met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld. De stelling van [appellant] dat hij ter zitting van de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld op de daar getoonde situatiekaarten te reageren, brengt, wat daar van zij, niet met zich dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Naast het feit dat deze stelling niet nader is onderbouwd, heeft het algemeen bestuur in hoger beroep deze kaarten alsnog in het geding gebracht en heeft [appellant] hierop kunnen reageren.

De percelen van [appellant] en die van de andere aanwonende zien geografisch op andere delen van de Kromme Sleat. De verwijzing in de pleitnota van het algemeen bestuur wat betreft het beroep van [appellant] naar de opmerkingen over het beroep van de andere aanwonende heeft anders dan [appellant] betoogt geen betrekking op de geografische ligging van de percelen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

85-729.