Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
201201273/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011, nr. 11-90, heeft de raad het bestemmingsplan "Harskamperweg IV" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201273/1/R2.

Datum uitspraak: 23 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011, nr. 11-90, heeft de raad het bestemmingsplan "Harskamperweg IV" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2012, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door ing. W. Kuik en ing. J. Buist, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten en de bedrijfsbebouwing van de bestaande rondhouthandel op het perceel [locatie] te Kootwijkerbroek. De met dit plan mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten hebben betrekking op de handel in rondhout, houtbewerking en detailhandel. De bedrijfsbebouwing mag ten opzichte van het vorige bestemmingsplan worden vergroot tot 750 m2. Het plangebied heeft een oppervlakte van 22.000 m2 en ligt in het buitengebied van de gemeente Barneveld ten oosten van de kern Kootwijkerbroek.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan voor zover dit voorziet in de uitbreiding van het bestaande bedrijf van [belanghebbende]. Hiertoe voert hij, onder verwijzing naar de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", aan dat de bedrijfsuitbreiding ten behoeve van de houtzagerij op een te korte afstand van zijn woning is voorzien. Daarbij stelt hij dat het plan in wezen voorziet in een nieuw bedrijf daar in het vorige plan een bedrijf van milieucategorie 2 was toegestaan en thans een bedrijf van milieucategorie 3.1 is toegestaan.

2.2.1. De raad stelt allereerst dat het een bestaande situatie betreft zodat de VNG-brochure in zoverre niet van toepassing is. De raad stelt daarnaast dat het plan geen houtzagerij mogelijk maakt, zoals [appellant] stelt, maar een houthandel met uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "vervaardiging van artikelen van hout" zaagwerkzaamheden. Deze zaagwerkzaamheden vallen volgens de raad in een hogere categorie dan de handel in hout in milieucategorie 2, namelijk in milieucategorie 3.1. De afstand tussen deze activiteiten en de woonbestemming van [appellant] bedraagt ruim 60 meter en voldoet daarmee aan de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure, aldus de raad.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" voorziet in de verkoop van niet door het bedrijf vervaardigde producten, alsmede in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Gelet hierop volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn betoog dat het plan in zoverre voorziet in een nieuw bedrijf. De raad heeft dan ook terecht gesteld dat de VNG-brochure hiervoor in beginsel niet is bedoeld. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 25 juni 2003, nr. 200203362/1 heeft overwogen zijn de in de VNG-brochure opgenomen indicatieve afstanden bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. Het laten voortbestaan van een bestaande situatie kan echter onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, indien blijkt dat de nadelige gevolgen hiervan zo groot zijn dat dit in redelijkheid niet aanvaardbaar kan worden geacht. De VNG-brochure kan in zoverre bij bestaande conflictsituaties een indicatie geven van de mate van hinder. De raad heeft, met het oog op een goede ruimtelijke ordening en in het verlengde van het voorgaande, aangesloten bij de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 50 meter voor bedrijven in milieucategorie 3.1. De raad heeft hierin aanleiding gezien om de bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.1, namelijk ter plaatse van de aanduiding "vervaardiging van artikelen van hout", in het vastgestelde plan te verplaatsen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, zodat de bedrijfsactiviteiten thans zijn voorzien op een afstand van 60 meter tot de gevel van de woning van [appellant] en wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de volgens de VNG-brochure geldende afstand voor bedrijven in milieucategorie 3.1 of dat desondanks de bedrijfsactiviteiten te dichtbij zijn gesitueerd. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] stelt dat de in het plan voorziene uitbreiding van de bedrijfsbebouwing onvoldoende is onderbouwd, gezien ook de in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" opgenomen maximale oppervlakte voor bebouwing. Hierbij stelt hij dat onduidelijk is of de in de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten (hierna: de Regionale beleidsinvulling) van 4 april 2008 opgenomen uitbreidingsmogelijkheid voor niet-agrarische bedrijven, betrekking heeft op alle bestaande bebouwing of alleen de legale bestaande bebouwing. [appellant] stelt daarnaast dat de met het plan toegestane maximale oppervlakte voor bebouwing niet nodig is voor het bouwplan, zodat in zoverre ook niet vaststaat dat deze bebouwingsmogelijkheden binnen de planperiode worden gerealiseerd.

2.3.1. De raad stelt dat de in het plan mogelijk gemaakte omvang van de bebouwing niet onredelijk is gelet op de omvang van het perceel en de diverse activiteiten van het bedrijf. Daarnaast stelt de raad dat het plan leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit omdat er geen buitenopslag van materialen en materieel meer plaatsvindt, niet zijnde hout, en de zaagwerkzaamheden inpandig kunnen plaatsvinden.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover thans van belang, mag de totale bebouwde oppervlakte van de gebouwen niet meer bedragen dan 750 m2.

2.3.3. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hiertoe is van belang dat, anders dan in de bestaande situatie, de zaagwerkzaamheden grotendeels inpandig zullen plaatsvinden. De raad heeft hieromtrent ter zitting toegelicht dat in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) maatwerkvoorschriften worden gesteld aan [belanghebbende] en diens bedrijfsgebouwen teneinde de geluidproductie te beperken. Tevens is van belang dat de bebouwing wordt geconcentreerd en landschappelijk wordt ingepast. In dit verband heeft de raad van betekenis kunnen achten dat het bouwvlak niet direct op de perceelsgrens is geprojecteerd, maar op een afstand variërend van 1,5 meter tot 4,5 meter. Daarnaast heeft hij in zijn afweging kunnen betrekken dat de voor "Bedrijf - Niet Agrarisch" aangewezen gronden tevens zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Voor zover [appellant] stelt dat het plan is vastgesteld in strijd met de Regionale beleidsinvulling, overweegt de Afdeling allereerst dat de raad dit beleid als eigen beleid heeft toegepast. Voorts is van belang dat de raad onweersproken heeft gesteld dat in bijzondere gevallen meegewerkt kan worden aan grotere uitbreidingen of een grotere bebouwingsoppervlakte. De raad heeft hiertoe aanleiding gezien in verband met de omstandigheid dat de bedrijfsuitbreiding niet dusdanig groot is dat verplaatsing van het bedrijf noodzakelijk is, gelet op de aard van het bedrijf en gezien voornoemde ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Wat betreft het benutten van de bouwmogelijkheden overweegt de Afdeling dat artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat een bestemming in beginsel binnen de planperiode moet kunnen worden verwezenlijkt. Dat niet alle bouwmogelijkheden zullen worden benut, wat daar ook van zij, betekent op zichzelf niet dat de bestemming niet kan worden verwezenlijkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het een bestaand bedrijf betreft heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden verwezenlijkt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene uitbreiding van de bedrijfsbebouwing voldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] stelt verder dat de maximaal toegestane nok- en goothoogte van de bedrijfsbebouwing, gezien ook de korte afstand tot zijn woning, onvoldoende is onderbouwd. Hij stelt dat deze hoogte ruimtelijk niet inpasbaar is. Volgens hem zijn de hoogten ook niet nodig om te realiseren, hetgeen [belanghebbende] beoogt. Hij verwijst hiervoor naar de notulen van de vergadering van de raad van 20 december 2011. [appellant] acht daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat met de toegestane hoogte van de houtopslag het open landschap wordt behouden.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen hoogten aanvaardbaar zijn gelet op de afstand van de voorziene bebouwing tot de woning. Volgens de raad sluiten deze hoogten aan op de bestaande bebouwing op het perceel met een goothoogte van 5,4 meter en een hoogte van 8,8 meter. Daarbij stelt de raad dat de bedrijfsbebouwing zo veel mogelijk wordt geconcentreerd. De goothoogte wijkt ook niet wezenlijk af van de in de omgeving veel voorkomende goothoogte van 3,5 meter, aldus de raad. Ten aanzien van de hoogte van de houtopslag merkt de raad op dat hier geen bebouwing is voorzien zodat beplanting niet nodig is.

2.4.2. Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder 4, van de planregels, voor zover thans van belang, mogen de goot- en bouwhoogte van een gebouw niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is weergegeven.

Op de verbeelding is in het bouwvlak een maximale goothoogte weergegeven van 4,5 m en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is een maximale goothoogte van 6 meter weergegeven.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat de voorziene bebouwing op een afstand van 27 meter is gesitueerd van de gevel van de woning van [appellant]. Gelet op deze afstand in relatie bezien tot de hoogten van de bestaande bebouwing, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de met het plan toegestane goot- en bouwhoogte voldoende zijn gemotiveerd. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plangebied in een gebied ligt waarin zowel bedrijven zijn gevestigd als woningen zijn gerealiseerd. Daarbij komt dat het plan voorziet in groenvoorzieningen en, naar ter zitting is bevestigd, een beplantingsplan is opgesteld voor het perceel. Tevens is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat de hoogte van de houtopslag onaanvaardbaar is in de omgeving. Hierbij heeft de raad mogen betrekken dat dit een bestaande situatie is. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] stelt voorts dat de raad, gezien zijn beleid om bedrijven te verplaatsen naar een daartoe bestemd terrein, onvoldoende alternatieven voor het plan in zijn besluitvorming heeft betrokken. [appellant] stelt dat het bedrijf ook niet gebonden is aan het gebied.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat het bedrijf naar een bedrijventerrein te verplaatsen. Volgens de raad is het bedrijf passend op de locatie.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

2.5.3. De Afdeling stelt allereerst vast dat het bedrijf reeds lange tijd is gevestigd in het plangebied. In dit licht bezien heeft de raad mogen overwegen dat gezien de aard van het bedrijf, waarbij lengtes rondhout worden gesorteerd en opgeslagen, verplaatsing naar een locatie in of nabij de bebouwde kom niet wenselijk is. Tevens heeft de raad in zijn oordeel mogen betrekken dat de bedrijfsbebouwing niet onevenredig van omvang is in relatie tot de totale omvang van het perceel. Ook heeft de raad van betekenis mogen achten dat het bedrijf functioneel gebonden is aan het gebied in de nabijheid van de Veluwe, waar hout vrijkomt door bosonderhoud en stormen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet behoefde te worden verplaatst, zodat in zoverre geen aanleiding bestond onderzoek te doen naar alternatieve locaties voor het bedrijf. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Hoorn

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012

612-647.