Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
201105405/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsweide, Centrumplan Riethoven" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/636
OGR-Updates.nl 2012-0034
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105405/1/R3.

Datum uitspraak: 23 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsweide, Centrumplan Riethoven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door mr. W.B. de Kleuver, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door B. van Dorsten en ir. J. van der Hoek, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in de herinrichting van een deel van de openbare ruimte van het centrumgebied van de kern Riethoven, te weten de zogenoemde "Dorpsweide".

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt dat de binnen het plangebied aanwezige doodlopende weg wordt vervangen door een doorlopende weg met eenrichtingsverkeer en dat het mogelijk wordt voetpaden en parkeerplaatsen aan te leggen op de dorpsweide. Deze ontwikkelingen passen niet binnen het groene karakter van de dorpsweide, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. In dit verband voeren zij aan dat de aanpassing van de oostzijde van de Willibrordusstraat van een doodlopende in een doorgaande weg leidt tot extra verkeer en gevaarlijke en onveilige situaties, die mede ontstaan door het kruispunt met de Molenstraat. Volgens hen zal wegens de ondeugdelijke ontsluiting van het industriegebied aan de Hennepstraat het vrachtverkeer over de Willibrordusstraat gaan rijden en zullen de inbreidingslocatie "De Voort" en de toekomstige ontsluiting van de N69 op de Molenstaat tot nog meer verkeersoverlast leiden. Zij bestrijden dat de instelling van een 30 km-p/u-zone de problemen oplost. De raad heeft volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte niet onderzocht welke gevolgen het vervangen van een doodlopende door een doorgaande weg heeft. Ook brengen zij naar voren dat hun alternatieve voorstel om van de oostzijde van de Willibrordusstraat een voetpad te maken en de westzijde als tweerichtingsweg in stand te houden niet in de besluitvorming is meegenomen.

Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan dat de raad niet heeft aangetoond dat de binnen het plangebied toegestane parkeerplaatsen noodzakelijk zijn.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door het openstellen van het doodlopende wegvak van de Willibrordusstraat een evenwichtige uitstraling van het dorpsplein ontstaat met voor beide zijden van de Willibrordusstraat een gelijke inrichting. Volgens de raad is een doodlopende straat in een centrum in verband met ontsluiten en parkeren niet wenselijk. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Kom Riethoven, Herziening 1987" ook al een doorgaande weg ter plaatse mogelijk maakte. Volgens de raad zal de nieuwe situatie niet meer voertuigbewegingen aantrekken dan de bestaande situatie, nu de doorgaande route door het dorp de Dorpsstraat/Schoolstraat blijft. Ter zitting heeft de raad toegezegd dat de weg zo zal worden vormgegeven dat indraaien van de oostzijde van de Willibrordusstraat richting de Molenstraat met een vrachtwagen niet mogelijk is, zodat voorkomen wordt dat de weg door zwaar verkeer als doorsteekroute wordt gebruikt. De raad stelt voorts dat het plan het mogelijk maakt dat op het kruispunt van de Willibrordusstraat met de Molenstraat beter zicht op het verkeer van rechts ontstaat, hetgeen de verkeersveiligheid vergroot.

Ten aanzien van de behoefte aan parkeerplaatsen voorziet het plan volgens de raad aan de oostelijke zijde van de Willibrordusstraat in zeventien haaksparkeerplaatsen, die in de nabijheid van de dorpsvoorzieningen liggen en in de bestaande behoefte voorzien, nu in het centrum niet tot nauwelijks openbare parkeerplaatsen zijn. De raad heeft toegelicht dat de parkeerplaatsen voorzien in een behoefte, aangezien op dit moment sprake is van parkeeroverlast en deze parkeerplaatsen deze overlast wegnemen. Aan de oostelijke zijde van de dorpsweide worden overloopparkeerplaatsen gecreëerd, die slechts op piekmomenten gebruikt zullen worden en die worden vormgegeven in de vorm van grasbetonstenen tussen de bomen, aldus de raad. Door de vormgeving in de vorm van grasbetonstenen leidt dit volgens de raad niet tot verslechtering van het groene karakter van de dorpsweide.

2.2.2. De raad heeft gemotiveerd uiteengezet waarom de Willibrordusstraat wordt opengesteld, dat dit niet tot meer voertuigbewegingen zal leiden, dat om die reden een nader verkeerskundig onderzoek niet nodig was, dat de parkeerplaatsen voorzien in een behoefte en ze het groene karakter van de dorpsweide niet aantasten. Verder maakt het plan een ruimere opzet van de kruising van de Willibrordusstraat met de Molenstraat mogelijk dan onder het voorheen geldende plan. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de openstelling van de oostzijde van de Willibrordusstraat zal leiden tot verkeersonveilige situaties op de kruising met de Molenstraat.

Voorts kan hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren over de ondeugdelijke ontsluiting van het industriegebied aan de Hennepstraat, de inbreidingslocatie "De Voort" en de toekomstige ontsluiting van de N69 op de Molenstaat niet tot het oordeel leiden dat ernstige verkeershinder zal ontstaan op de oostzijde van de Willibrordusstraat, nu, zoals ook ter zitting is gebleken, maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat die straat niet geschikt is voor zwaar verkeer en deze straat voorts geen doorgaande route betreft.

Ten aanzien van het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangedragen alternatief overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van dit alternatief moet worden afgezien om de reden dat dit alternatief niet de voordelen heeft die zijn verbonden aan de openstelling van de oostzijde van de Willibrordusstraat, te weten een evenwichtige uitstraling van het dorpsplein en verbetering van de mogelijkheden van ontsluiting en parkeren in het centrum.

Het betoog faalt.

2.3. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat het plan een zodanig waardeverminderend effect op omringende onroerende zaken heeft dat voor de haalbaarheid van het plan moet worden gevreesd, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de omvang van eventuele planschade zodanig zal zijn dat dit aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het plan het organiseren van evenementen toestaat die leiden tot geluidsoverlast, verminderd uitzicht op de kerktoren en de dorpsweide, uitzicht op geparkeerde auto's in plaats van groen, aantasting van hun privacy en verkeershinder. Zij voeren aan dat het uitgangspunt van de Structuurvisie is het behoud van de leefbaarheid van de kleinere kernen, waaronder Riethoven, en dat het plan daaraan geen invulling geeft. In dit verband voeren zij aan dat de raad met hun belangen geen rekening heeft gehouden en geen onderzoek heeft gedaan naar deze belangen, zodat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.4.1. Blijkens de verbeelding heeft het plangebied naast de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V)" de bestemming "Groen (G)".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Groen (G)" aangewezen gronden bestemd voor evenementen. Een evenement wordt in artikel 1 van de planregels gedefinieerd als een al dan niet periodiek terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van sport, cultuur, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement en vergelijkbare gebeurtenissen.

2.4.2. Volgens de raad heeft het plan niet tot gevolg dat allerlei evenementen zomaar kunnen plaatsvinden op het terrein nu hiervoor een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: evenementenvergunning) nodig is. Aan de evenementenvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, aldus de raad.

2.4.3. Het staat vast dat het plan geen beperkingen stelt aan het aantal en de duur van de evenementen die kunnen worden gehouden op het terrein waaraan in het plan de bestemming "Groen (G)" is toegekend. Dit geldt, gelet op de ruime definitie van het begrip "evenement" in artikel 1 van de planregels, ook voor het soort evenementen. Gezien de tegenover het terrein liggende woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en de planologische relevantie van de beperking van het aantal, de duur en het soort evenementen, had het op de weg van de raad gelegen om hieromtrent regels te stellen. De raad kon niet volstaan met de stelling dat aan de verlening van een evenementenvergunning beperkingen en voorschriften kunnen worden verbonden waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Het in de APV opnemen van een vergunningplicht voor het houden van een evenement is met name ingegeven vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenement of een evenemententerrein vormt geen toetsingskader bij de beslissing op een aanvraag om verlening van een evenementenvergunning. Dat evenementen mede worden gereguleerd door de APV kan derhalve geen reden zijn om een nadere regeling ten aanzien van evenementen in de planregels achterwege te laten. Gelet op het voorgaande heeft de raad de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij het stellen van beperkingen aan het aantal, de duur en het soort evenementen onvoldoende onderkend, zodat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het artikel 3, lid 3.1, onder g, van de planregels betreft, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het gaat hier om twee afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Ter zitting is [appellant sub 1] en [appellant sub 2] rechtsbijstand verleend. Dit is door één rechtsbijstandverlener geschied. Derhalve worden de beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één zaak. Dit geeft aanleiding om te bepalen dat aan zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] een bedrag van € 437,00 aan kosten voor verleende rechtsbijstand moet worden vergoed.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergeijk van 24 maart 2011 voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, onder g, van de planregels;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Bergeijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012

288-682.