Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
201109584/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende huurtoeslag voor het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de reeds betaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar van € 348,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109584/1/A2.

Datum uitspraak: 23 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 augustus 2011 in zaken nrs. 10/2512 en 10/2517 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende huurtoeslag voor het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de reeds betaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar van € 348,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 23 april 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende zorgtoeslag voor het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de reeds betaalde voorschotten zorgtoeslag voor dat jaar van € 553,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 22 juli 2010, heeft de Belastingdienst de door [appellant] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij afzonderlijke besluiten van 1 september 2010 heeft de Belastingdienst deze besluiten herzien en de tegen de besluiten van 23 april 2010 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 4 augustus 2011, waarvan afschrift van het proces-verbaal is verzonden op 10 augustus 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2011, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar [appellant] in persoon, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Huurtoeslag

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) wordt een huurtoeslag slechts toegekend als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, kan in afwijking van het eerste lid een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) niet aan de huurder kan worden toegerekend.

2.2. De Belastingdienst heeft aan zijn besluit van 1 september 2010 over de huurtoeslag 2008 ten grondslag gelegd dat [appellant] sinds 28 december 2007 op een ander adres in de GBA is ingeschreven dan de woning waarvoor huurtoeslag over 2008 is verleend. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd en het beroep ongegrond verklaard.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met de Belastingdienst is uitgegaan van het tijdstip van inschrijving in de GBA en geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij door de opzegtermijn in het huurcontract van de woning [locatie 1] te Sliedrecht feitelijk tot maart 2008 deze woning heeft gehuurd en daar heeft gewoond. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat de Belastingdienst hem tot de datum van zijn feitelijke verhuizing per 1 maart 2008 van Sliedrecht naar Utrecht huurtoeslag had moeten toekennen.

2.3.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kan een huurder in beginsel alleen huurtoeslag ontvangen voor de huur van de woning op het adres waarop hij staat ingeschreven in de GBA. Niet in geschil is dat [appellant] op 28 december 2007 zijn woonadres in de GBA heeft gewijzigd naar [locatie 2] te Utrecht. [appellant] stond in 2008 dan ook niet in de GBA ingeschreven op het adres [locatie 1] te Sliedrecht. Nu [appellant] zelf zijn woonadres in de GBA heeft gewijzigd, is de uitzonderingssituatie van het tweede lid niet van toepassing. De Belastingdienst is dan ook terecht uitgegaan van de inschrijving in de GBA en niet van de feitelijke verhuisdatum van [appellant]. Dat [appellant], zoals hij stelt, vanwege een opzegtermijn in het huurcontract gehouden was de woning in Sliedrecht tot maart aan te houden, komt voor zijn eigen rekening. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] over 2008 voor de woning aan de [locatie 1] te Sliedrecht geen recht heeft op huurtoeslag.

Het betoog faalt.

Zorgtoeslag

2.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt) worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de normpremie een percentage van het drempelinkomen in het berekeningsjaar, vermeerderd met een percentage van het toetsingsinkomen van de verzekerde in dat jaar voor zover dat toetsingsinkomen het drempelinkomen te boven gaat. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij het gezamenlijke toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) is de partner van de belanghebbende de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.

Ingevolge het tweede lid wordt degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

2.5. De Belastingdienst heeft aan zijn besluit van 1 september 2010 over de zorgtoeslag 2008 ten grondslag gelegd dat [partner] en [appellant] beiden geheel 2008 in de GBA op het adres [locatie 2] stonden ingeschreven en zij 22 mei 2008 met elkaar zijn gehuwd en dat derhalve ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel [partner] voor het berekeningsjaar 2008 de toeslagpartner is van [appellant]. De Belastingdienst heeft de zorgtoeslag voor [appellant] op nihil vastgesteld omdat [appellant] en [partner] ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wzt maar één aanspraak hebben op zorgtoeslag en de zorgtoeslag voor 2008 is toegekend op naam van [partner]. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd en het beroep ongegrond verklaard.

2.6. Het betoog van [appellant] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij de zorgverzekering voor 2008 al voor 1 december 2007 heeft afgesloten en dat hij gedurende het jaar deze verzekering niet kon wijzigen, treft geen doel. De Wzt vereist enkel dat een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet is afgesloten. De afgesloten verzekering is niet van invloed op de hoogte van de toegekende zorgtoeslag.

Nu [appellant] en [partner] gedurende het hele berekeningsjaar 2008 allebei op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de GBA en zij in 2008 zijn gehuwd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op artikel 3, eerste en tweede lid, van de Awir, [partner] terecht door de Belastingdienst als toeslagpartner van [appellant] is aangemerkt. Nu zij ingevolge artikel 2, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Wzt één aanspraak hebben op zorgtoeslag en [appellant] niet heeft betwist dat de zorgtoeslag voor 2008 is toegekend op naam van [partner], heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat de Belastingdienst de zorgtoeslag voor 2008 voor [appellant] terecht op nihil heeft vastgesteld.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012

432-17.