Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
201107624/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om terug te komen van haar besluit van 25 februari 2008 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107624/1/A3.

Datum uitspraak: 23 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 mei 2011 in zaak nr. 10/3523 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om terug te komen van haar besluit van 25 februari 2008 afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2011, verzonden op 1 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de Bijlage is in hoofdstuk 8 : "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. Bij het besluit van 25 februari 2008 heeft het CBR op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. Aan dit besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd het verslag van bevindingen van drs. P.J.M. Raedts (hierna: Raedts) en drs. T.J.A.G.M. Raedts-Thomassen, gedateerd 23 januari 2008, dat naar aanleiding van een onderzoek naar de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen is opgesteld. In het verslag van bevindingen is vermeld dat bij [appellant] alcoholmisbruik in ruime zin is geconstateerd. [appellant] heeft tegen vorenbedoeld besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.

2.3. Bij brief van 3 mei 2010 heeft [appellant] het CBR verzocht om terug te komen van het besluit van 25 februari 2008, omdat het verslag van bevindingen geen specialistisch rapport is als bedoeld in vorenbedoelde paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)". De opsteller ervan - Raedts - kan niet als psychiater worden aangemerkt, nu een zenuwarts niet kan worden gelijkgesteld met een psychiater. Uit het register van beroepsbeoefenaren volksgezondheid (hierna: het BIG-register) blijkt dat Raedts vorig jaar als psychotherapeut en niet als psychiater dan wel zenuwarts stond ingeschreven, aldus [appellant].

2.4. Het CBR heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, nu [appellant] de stelling dat de keurend arts geen psychiater is had behoren in te brengen in een bezwaarschrift tegen het besluit van 25 februari 2008. De rechtbank heeft het CBR gevolgd in dit standpunt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hem aan het verzoek ten grondslag gelegde gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb en dat die gegevens reeds in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 25 februari 2008 naar voren hadden moeten worden ingebracht. [appellant] voert hiertoe aan dat de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden hem ten tijde van het besluit van 25 februari 2008 niet bekend waren.

2.6. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten, genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005, in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Indien hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, dan is er voor rechterlijke toetsing van het besluit geen plaats.

2.7. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 februari 2008, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

2.8. Vaststaat dat het verslag van bevindingen, waarop het besluit van 25 februari 2008 is gebaseerd, [appellant] bij brief van 1 februari 2008 is toegezonden. In het verslag is vermeld dat Raedt zenuwarts is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het [appellant] reeds bij de toezending van het verslag bekend was dan wel had behoren te zijn wat de aard is van de deskundigheid van Raedts. Gelet hierop valt niet in te zien dat [appellant] niet reeds in het kader van een rechtsmiddel tegen het besluit van 25 februari 2008 aan de orde kon en derhalve behoorde te stellen dat een zenuwarts geen psychiater is en het verslag van bevindingen derhalve niet een specialistisch rapport is als bedoeld in vorenbedoelde paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)". In dit licht valt evenmin in te zien dat [appellant] niet in dat stadium navraag en - door raadpleging van het BIG-register - nader onderzoek kon doen (verrichten) naar de aard van de deskundigheid van Raedt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het CBR hetgeen [appellant] aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd terecht niet heeft aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het betoog faalt.

2.9. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, kan, zoals hiervoor in 2.6. is overwogen, de wijze waarop het bestreden besluit tot stand is gekomen niet door de bestuursrechter worden getoetst. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR er terecht van heeft afgezien hem in bezwaar te horen faalt.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012

280-748.