Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
201110945/1/V4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien in gevallen als hier aan de orde een minder dwingende maatregel dan vrijheidsontneming wordt opgelegd, zoals bijvoorbeeld een meldplicht, heeft dat tot gevolg dat verdere feitelijke toegang tot Nederland wordt verkregen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2011 in zaak nr. 201104031/1/V3; www.raadvanstate.nl), kan de minister dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat in beginsel steeds moet worden aangenomen dat het grensbewakingsbelang niet kan worden veiliggesteld door het opleggen van een minder dwingende maatregel. Voormeld beleid is derhalve niet kennelijk onredelijk.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister dit beleid in dit geval niet in redelijkheid heeft mogen toepassen, is niet gebleken. De psychische gesteldheid van de vreemdeling, alsmede de omstandigheden dat hij hier te lande familie heeft en in het bezit is van een geldig paspoort met daarin een door Italiƫ afgegeven Schengenvisum en van contant geld ter waarde van 1.570,- US dollar, 416,50 euro en 63.150,- Iraakse dinar zijn niet als zodanig aan te merken. Deze omstandigheden leiden op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat de minister niet langer vast kan houden aan het grensbewakingsbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110945/1/V4.

Datum uitspraak: 14 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/30325 in het geding tussen:

(-)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2011 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Uit het op 17 september 2011 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de vreemdeling, nadat hij te kennen had gegeven in Nederland asiel te willen vragen, op die dag is overgedragen aan de afdeling 'Claims Identificatie en Artikel 4' van de Brigade Vreemdelingenzaken van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol. Op diezelfde dag is aan hem de toegang geweigerd op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en is hem, onder verwijzing naar de toegangsweigering, op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 de verplichting opgelegd zich op te houden in het Aanmeldcentrum Schiphol (hierna: het AC Schiphol). Op 22 september 2011 heeft de vreemdeling een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ingediend.

2.3. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van aanvang af bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank heeft daartoe redengevend geacht dat de minister bij de oplegging van de maatregel niet heeft onderzocht of met een minder dwingende maatregel dan vrijheidsontneming kon worden volstaan, terwijl hij daartoe volgens het beleid, neergelegd in paragraaf A6/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), wel gehouden was. Met de toelichting ter zitting dat in gevallen als hier aan de orde het grensbewakingsbelang prevaleert behoudens bijzondere omstandigheden, zoals een acute ziekenhuisopname of de minderjarigheid van de desbetreffende vreemdeling, en dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken, heeft de minister evenmin deugdelijk gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een minder dwingende maatregel, aldus de rechtbank.

2.4. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat het beleid, neergelegd in de paragrafen C12/2.3 en C9/2.1.1.1 van de Vc 2000, aan ambtenaren belast met de grensbewaking niet de vrijheid biedt om in gevallen als hier aan de orde van het opleggen van een maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 af te zien. Evenmin heeft de rechtbank volgens de minister onderkend dat volgens het beleid, neergelegd in paragraaf C12/5.3 van de Vc 2000, een opgelegde maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 kan worden voortgezet, indien de asielaanvraag niet zorgvuldig binnen de termijnen van de algemene asielprocedure kan worden behandeld, terwijl voor de asielzoeker een verzoek tot overname zal worden ingediend op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

De minister stelt zich op het standpunt dat volgens voormeld beleid aan het belang van de effectieve grensbewaking een zodanig groot gewicht wordt toegekend dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel zonder meer gerechtvaardigd is. Hoewel de door de minister ter zitting van de rechtbank genoemde bijzondere omstandigheden niet limitatief zijn, geeft hetgeen de vreemdeling in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding tot het opleggen van een minder dwingende maatregel, aldus de minister.

2.5. Volgens paragraaf C12/2.3 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, en paragraaf C9/2.1.1.1, in onderlinge samenhang bezien en voor zover thans van belang, wordt, wanneer een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode dan wel artikel 3 van de Vw 2000 en aan de buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen, op aanwijzing van het Hoofd van de Immigratie en Naturalisatiedienst, de toegang geweigerd en wordt op grond van artikel 6, eerste lid en tweede lid, van de Vw 2000 het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden.

Volgens paragraaf C12/5.3, voor zover thans van belang, wordt als het niet mogelijk is om de asielaanvraag zorgvuldig binnen de termijnen van de asielprocedure te behandelen, de asielaanvraag in beginsel in de verlengde asielprocedure behandeld en wordt de maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgeheven. Op deze regel kan een uitzondering gemaakt worden indien voor de asielzoeker bij een andere lidstaat een verzoek om overname zal worden ingediend op basis van de Verordening.

2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3; www.raadvanstate.nl) moet een asielzoeker die in afwachting is van de formele indiening van een asielaanvraag, geacht worden binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te vallen. Dat betekent dat de vreemdeling, nu hij op 17 september 2011 in persoon tegenover een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft verzocht om internationale bescherming, geacht moet worden daarmee rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te hebben verkregen. Gelet hierop kan de vreemdeling niet worden beschouwd als een persoon die illegaal verblijft in een lidstaat en is Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348) niet op hem van toepassing.

2.7. Indien in gevallen als hier aan de orde een minder dwingende maatregel dan vrijheidsontneming wordt opgelegd, zoals bijvoorbeeld een meldplicht, heeft dat tot gevolg dat verdere feitelijke toegang tot Nederland wordt verkregen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2011 in zaak nr. 201104031/1/V3; www.raadvanstate.nl), kan de minister dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat in beginsel steeds moet worden aangenomen dat het grensbewakingsbelang niet kan worden veiliggesteld door het opleggen van een minder dwingende maatregel. Voormeld beleid is derhalve niet kennelijk onredelijk.

2.8. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister dit beleid in dit geval niet in redelijkheid heeft mogen toepassen, is niet gebleken. De psychische gesteldheid van de vreemdeling, alsmede de omstandigheden dat hij hier te lande familie heeft en in het bezit is van een geldig paspoort met daarin een door Italiƫ afgegeven Schengenvisum en van contant geld ter waarde van 1.570,- US dollar, 416,50 euro en 63.150,- Iraakse dinar zijn niet als zodanig aan te merken. Deze omstandigheden leiden op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat de minister niet langer vast kan houden aan het grensbewakingsbelang.

2.9. Gelet op het vorengaande klaagt de minister terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet ten onrechte een vrijheidsontnemende maatregel heeft opgelegd.

2.10. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 17 september 2011 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/30325;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2012

348-595.

Verzonden: 14 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser