Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
201106055/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het voornemen, dat integraal deel uitmaakt van het besluit, heeft de minister reeds uiteengezet dat en op grond van welke redenen het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Gelet hierop heeft de Rb. in de omstandigheid dat de minister in het besluit nog nadere argumenten heeft genoemd voor het ontbreken van positieve overtuigingskracht ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat het voornemen niet de het besluit dragende overwegingen bevat. Derhalve heeft de Rb. ten onrechte overwogen dat de minister, door geen nieuw voornemen uit te brengen, in strijd met art. 3.119 van het Vb 2000 heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106055/1/V1.

Datum uitspraak: 15 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 mei 2011 in zaak nr. 10/44793 in het geding tussen:

(-)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2010 heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover thans van belang, hij, door geen nieuw voornemen uit te brengen, in strijd met artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft gehandeld. De minister betoogt hiertoe dat, samengevat weergegeven, de rechtbank daartoe ten onrechte heeft overwogen dat hij niet alle aan het besluit van 6 december 2010 ten grondslag gelegde dragende overwegingen in het voornemen van 16 november 2009 heeft opgenomen.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.119 van het Vb 2000 wordt, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:

a. bekend worden, of

b. reeds bekend waren, maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de desbetreffende vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

2.2.2. Volgens paragraaf C15/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan het, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, of indien reeds bekende feiten en omstandigheden anders worden beoordeeld of gewogen, voorkomen dat het voornemen tot afwijzen blijft bestaan, maar dat, gemeten naar de nieuwe stand van zaken, niet alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen. In dat geval wordt een nieuwe voornemenprocedure gestart.

2.2.3. In het voornemen heeft de minister zich, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Hiertoe heeft de minister redengevend geacht dat de vreemdeling summier heeft verklaard over de gestelde op 6 juli 2007 voorgevallen gebeurtenis die aanleiding voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst is geweest, terwijl hij daarna nog ruim één maand in zijn woonplaats heeft verbleven en verwacht mag worden dat hij in die periode meer informatie had laten inwinnen. Zo heeft de vreemdeling summiere verklaringen afgelegd over hetgeen een van zijn broers die dag heeft besproken met de gewapende mannen die in zijn woning zijn geweest, over de groepering waartoe die mannen behoorden en over de reden waarom zij juist naar zijn woning waren gekomen. Verder heeft de minister de verklaring van de vreemdeling over de wijze waarop hij en zijn gezinsleden op 6 juli 2007 hebben kunnen ontkomen, onaannemelijk geacht. Voorts heeft de minister van belang geacht dat vaag is gebleven hoe de vreemdeling te weten is gekomen dat voormelde gewapende mannen degenen zijn geweest die na 6 juli 2007, naar gesteld, zijn auto en die van een van zijn broers in brand hebben gestoken.

In het besluit heeft de minister, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, door het voornemen daarin in te lassen, het standpunt dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist, gehandhaafd. Daarin heeft hij voorts toegevoegd dat dit standpunt ook is gebaseerd op tegenstrijdigheden tussen het rapport van het nader gehoor van 4 oktober 2007, de zienswijze van 28 december 2009 en het rapport van het gehoor van 11 maart 2010 (hierna: het rapport van gehoor). Immers, volgens voormeld rapport van het nader gehoor heeft de vreemdeling verklaard dat hij niet weet tot welke groepering de mannen behoorden die op 6 juli 2007 zijn woning zijn binnengevallen en dat die mannen de auto's van hem en een van zijn broers in brand hebben gestoken, terwijl hij in voormelde zienswijze heeft gesteld dat hij aanneemt dat de gewapende mannen verbonden waren aan de 'islamitisch Iraakse staat groepering' en volgens het rapport van het gehoor heeft verklaard dat hij wel wist dat die mannen tot de Mujaheddin behoorden, maar niet precies tot welke groepering, en dat die mannen ook zijn woning in brand hebben gestoken. Aan voormeld standpunt heeft de minister eveneens toegevoegd dat de door de vreemdeling ter staving van zijn asielrelaas overgelegde akten van het overlijden van twee van zijn broers, volgens de verklaring van onderzoek van het Bureau documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau documenten) van 22 maart 2010 (hierna: de verklaring van onderzoek), hoogstwaarschijnlijk niet echt zijn. De door de vreemdeling overgelegde dreigbrief en stukken over zijn werk als autoverkoper doen niet af aan voormeld standpunt, omdat hij daarmee zijn asielrelaas niet heeft gestaafd, aldus de minister.

2.2.4. In het voornemen, dat integraal deel uitmaakt van het besluit, heeft de minister reeds uiteengezet dat en op grond van welke redenen het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Gelet hierop heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de minister in het besluit nog nadere argumenten heeft genoemd voor het ontbreken van positieve overtuigingskracht ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat het voornemen niet de het besluit dragende overwegingen bevat. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister, door geen nieuw voornemen uit te brengen, in strijd met artikel 3.119 van het Vb 2000 heeft gehandeld.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 6 december 2010 aan de daartegen in beroep aangevoerde beroepsgronden worden getoetst, voor zover deze nog bespreking behoeven.

2.4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de minister ten onrechte een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem heeft tegengeworpen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij voor zijn reis geen grensoverschijdingsdocumenten heeft gebruikt, gedetailleerde verklaringen over zijn reis heeft afgelegd en documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas heeft overgelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de desbetreffende vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.4.2. Volgens paragraaf C4/3.6.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, zijn de documenten die de reisroute onderbouwen in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan men zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats betreft dit alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de asielzoeker heeft gevolgd. Het reisverhaal kan worden onderbouwd met alle documenten en bescheiden die gelden als formeel of indicatief bewijs.

Volgens paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, is het in beginsel niet geloofwaardig dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van zijn reis kan overleggen. In het geval een asielzoeker geen documenten inzake zijn reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

2.4.3. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de minister de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000 aan de vreemdeling tegengeworpen, omdat deze geen enkel bewijs van zijn reis naar Nederland heeft overgelegd en geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen over die reis heeft afgelegd.

2.4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2009 in zaak nr. 200804908/1; www.raadvanstate.nl) is het ontbreken van documenten ten aanzien van één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 vermelde elementen voldoende om een omstandigheid als bedoeld in die bepaling aan een vreemdeling tegen te werpen, tenzij de desbetreffende vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken daarvan hem niet is toe te rekenen. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling geen documenten heeft overgelegd die zijn reisroute onderbouwen en hij voorts voormeld standpunt van de minister over het ontbreken van verifieerbare verklaringen niet in beroep heeft weersproken, faalt het betoog.

2.5. Voorts heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat de minister de verklaring van onderzoek, voor zover daarin een conclusie is getrokken over de echtheid van voormelde overlijdensakten, ten onrechte aan diens besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, omdat Bureau documenten daarin onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarop die conclusie is gebaseerd.

2.5.1. Volgens de verklaring van onderzoek zijn voormelde overlijdensakten hoogstwaarschijnlijk niet echt, omdat de basisgegevens en de documentnummers daarop door middel van een reproductietechniek (toner) zijn aangebracht, de variabele gegevens daarop door middel van doorslag (handmatig) zijn aangebracht en de afdrukken van inktstempels in detail van het beschikbare referentiemateriaal afwijken.

2.5.2. Er is geen grond voor het oordeel dat hetgeen aldus in de verklaring van onderzoek is vermeld onvoldoende inzichtelijk is en dat de minister de verklaring van onderzoek in zoverre ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat de minister hem voorafgaand aan het besluit ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld correcties van en aanvullingen op het rapport van gehoor in te dienen, omdat de minister zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas mede op dat rapport heeft doen steunen.

2.6.1. Het betoog faalt, reeds omdat de vreemdeling in beroep niet heeft aangevoerd dat het rapport van het gehoor, wat betreft de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven verklaringen daaruit, onjuistheden bevat.

2.7. Voorts heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

2.7.1. Uit hetgeen hiervoor in 2.4.4 is overwogen, volgt dat de minister niet ten onrechte een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling heeft tegengeworpen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 februari 2010 in zaak nr. 200905819/1/V2; www.raadvanstate.nl), zal, indien aan een vreemdeling een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 is tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3 - thans C14/2 - van de Vc 2000 van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

Zoals de Afdeling eveneens in die uitspraak heeft overwogen, behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas heeft kunnen komen. Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen. Aldus vindt rechterlijke toetsing plaats, zonder dat de rechter een beoordeling aan zich trekt die door de minister moet plaatsvinden.

2.7.2. Gezien het hiervoor in 2.7.1 uiteengezette toetsingskader en het hiervoor in 2.2.3 weergegeven standpunt van de minister over het asielrelaas van de vreemdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. Anders dan de vreemdeling heeft betoogd, heeft de minister dat standpunt ook zonder nader onderzoek naar de echtheid van de door de vreemdeling overgelegde dreigbrief kunnen innemen.

Het betoog faalt.

2.8. Voorts heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling vanwege de omstandigheid dat hij tot een risicogroep behoort. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de minister onderbouwd heeft geacht dat hij uit een welvarende familie afkomstig is.

2.8.1. Het betoog faalt, reeds omdat het is gebaseerd op een onjuiste lezing van het besluit. De minister heeft zich in het besluit immers niet op het standpunt gesteld dat hij onderbouwd acht dat de vreemdeling uit een welvarende familie afkomstig is. De minister heeft slechts vermeld dat de vreemdeling heeft gesteld dat hij met stukken over zijn werk als autoverkoper de mate van welvaart van zijn familie heeft aangetoond.

2.9. Ten slotte heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat hij meer dan drie jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven en in die periode privéleven heeft opgebouwd.

2.9.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 22 november 2010 in zaak nr. 201003297/1/V2, gelezen in samenhang met die van 7 december 2010 in zaak nr. 201000606/1/V1; www.raadvanstate.nl) volgt dat de strikte scheiding tussen asiel en regulier, die voortvloeit uit de systematiek van de Vw 2000, ertoe leidt dat de beoordeling van een beroep op de eerbiediging van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM - tenzij dat beroep direct verband houdt met een beroep op het verbod als bedoeld in artikel 3 van het EVRM - dient plaats te vinden in de procedure omtrent een reguliere verblijfsvergunning en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat die scheiding niet evenzeer geldt bij de intrekking van een verblijfsvergunning asiel.

Het betoog faalt, omdat het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM geen verband houdt met zijn beroep op artikel 3 van het EVRM.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 mei 2011 in zaak nr. 10/44793;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Groenendijk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2012

164-610.

Verzonden: 15 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser