Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201111930/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Wiltensacker" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111930/1/R2.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] (hierna: [appellant A] en anderen), allen wonend te Epe,

en

de raad van de gemeente Epe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Wiltensacker" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2012, waar [appellant A] en anderen, bijgestaan door mr. A.J. Verweij, advocaat te Ermelo, en de raad, vertegenwoordigd door ir. H. van Bolderen en ir. H. Posthuma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd de realisatie van het nieuwe landgoed Wiltensacker aan de Dijkhuizerzandweg te Epe mogelijk te maken. Het plan voorziet in de realisatie van ten minste 9 hectare nieuwe natuur, een nieuw landhuis en drie beheersgebouwen. Het plangebied ligt ten oosten van de kern Epe aan de Dijkhuizerzandweg. Het plangebied grenst in het oosten aan het perceel van [appellant A] en anderen.

2.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant D] en [appellante B] hebben geen zienswijze als hiervoor bedoeld tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant D] en [appellante B]. Onder [appellant A] en anderen wordt hierna verstaan het beroep van [appellant A], [appellant C] en [appellant E].

Behoefte-onderzoek

2.3. [appellant A] en anderen kunnen zich niet met het plan verenigen. [appellant A] en anderen betogen dat het nut en de noodzaak van de woningen waarin het plan voorziet, ontbreken. [appellant A] en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de behoefte aan bewoning in het landhuis en de verkoopbaarheid van de woningen. Omdat met name in het hogere woonsegment sprake is van een stagnatie op de woningmarkt had volgens [appellant A] en anderen een haalbaarheidsonderzoek moeten worden verricht, nu het landhuis een luxe vorm van wonen betreft.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen twijfel bestaat over het nut en de noodzaak van de te realiseren woningen. De raad voert aan dat op grond van zijn beleid de bouw van het landhuis mogelijk is om de initiatiefnemer te compenseren voor de functieverandering van zijn agrarische gronden naar natuur. De raad acht het plan financieel uitvoerbaar en stelt dat de stagnatie op de woningmarkt niet afdoet aan de aan het plan ten grondslag liggende financiële onderbouwing en het daarbij behorende advies.

2.3.2. Ten aanzien van de vraag of er, mede gelet op de stagnatie op de woningmarkt, behoefte bestaat aan bewoning in het landhuis en of er draagkrachtige potentiële kopers zijn, overweegt de Afdeling dat door [appellant A] en anderen niet aannemelijk is gemaakt dat er geen behoefte bestaat aan drie wooneenheden in het te realiseren landhuis. Nu door de raad onweersproken is gesteld dat de gemeente ruimte wil bieden voor 100 woningen in het buitengebied, is aannemelijk dat de door het plan mogelijk gemaakte woningen in een behoefte kunnen voorzien. In aanmerking genomen dat het plan slechts voorziet in de bouw van drie wooneenheden, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het instellen van een behoefte-onderzoek naar de in het landhuis voorziene wooneenheden.

2.3.3. In de plantoelichting staat vermeld dat met het plan een zeer aanzienlijke bijdrage wordt geleverd aan het vergroten van de kwaliteit van het buitengebied. Voorts past het plan volgens de plantoelichting in het gemeentelijk beleid inzake de ontwikkeling van nieuwe landgoederen op grond waarvan de realisatie van een landhuis mogelijk wordt gemaakt als compensatie voor initiatiefnemers voor de omvorming van hun agrarische gronden tot natuur en levert het plan een belangrijke bijdrage aan de groenblauwe ontwikkeling van het beekdal en de versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Volgens de plantoelichting vormt het landhuis de verbindende schakel tussen de Dijkhuizerenk en het beekdal.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nut en noodzaak bestaan bij de realisering van het landhuis.

Woon- en leefklimaat

2.4. [appellant A] en anderen betogen dat de bouw van het landhuis zal leiden tot een aantasting van hun uitzicht en privacy.

Ook betogen [appellant A] en anderen dat gezien het inrichtingsplan de wandelpaden op het landgoed te dicht bij hun perceel komen te liggen, waardoor zij overlast zullen ondervinden en zullen worden aangetast in hun privacy. Er zijn naar [appellant A] en anderen stellen ten onrechte geen alternatieve locaties voor de wandelpaden onderzocht. Voorts stellen [appellant A] en anderen zich op het standpunt dat zij door de openstelling van het gebied voor publiek overlast zullen ondervinden vanwege hangjongeren, zwerfafval en wandelend publiek. Zij vrezen dat ten aanzien van deze overlast niet handhavend zal worden opgetreden.

Verder stellen [appellant A] en anderen dat het plan in samenhang met andere planologische ontwikkelingen in de omgeving zal leiden tot een verkeerstoename waarop de onverharde Dijkhuizerzandweg niet is berekend en waardoor zij een toename van overlast zullen ondervinden. Voorts betogen zij dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre de toename van het verkeer zal leiden tot stof- en geluidoverlast.

2.4.1. Onder verwijzing naar het uitgevoerde stedenbouwkundig onderzoek en het advies van de welstandscommissie stelt de raad zich op het standpunt dat de gekozen bouwlocatie van het landhuis stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. De raad stelt zich op het standpunt dat mede gelet op de afstand van 140 meter tussen het landhuis en het perceel van [appellant A] en anderen, het plan niet zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A] en anderen.

De exacte locatie van de wandelpaden maakt volgens de raad geen deel uit van het plan. Wel zal er voor de aanleg van de paden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden nodig zijn. De raad betoogt dat overlast van hangjongeren, zwerfafval of wandelend publiek buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan valt. Indien sprake is van overlast kunnen [appellant A] en anderen naar de raad stelt een verzoek om handhaving indienen.

Met betrekking tot verkeersoverlast stelt de raad zich op het standpunt dat ten gevolge van het onderhavige plan sprake zal zijn van een totale toename van ongeveer 54,6 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) op de Dijkhuizerzandweg. De raad voert aan dat dit aantal dermate gering is dat [appellant A] en anderen hier niet onevenredig door zullen worden gehinderd. Gelet op de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen is er naar de raad stelt geen betekenende mate van verslechtering van de luchtkwaliteit.

2.4.2. Het plan maakt een landhuis met een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale nokhoogte van 12 meter mogelijk, gemeten vanaf de bovenkant van de Dijkhuizerzandweg. Niet in geschil is dat de afstand tussen het perceel van [appellant A] en anderen en het in het plan voorziene bouwvlak van het landhuis bouwvlak ongeveer 140 meter bedraagt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat er geen blijvend recht op vrij uitzicht (onder meer uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 200905577/1/R2). Gelet op de afstand van ongeveer 140 meter tussen het in het plan voorziene bouwvlak en het perceel van [appellant A] en anderen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant A] en anderen niet zodanig zal worden aangetast dat de raad om die reden het landgoed niet op de wijze als in het plan voorzien mogelijk had mogen maken.

2.4.3. De locatie van de paden is niet als zodanig in het plan opgenomen. Het plan staat er niet aan in de weg dat de paden in het meest oostelijk gelegen gedeelte van het plangebied en derhalve op de kortst mogelijke afstand van het perceel van [appellant A] en anderen zullen worden aangelegd. [appellant A] en anderen hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat dit tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy zal leiden.

Voor zover [appellant A] en anderen aanvoeren dat de openstelling van het landgoed tot toenemende overlast door hangjongeren, zwerfafval en wandelend publiek zal leiden, overweegt de Afdeling dat [appellant A] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze overlast, indien zij zich zou voordoen, van zodanige aard en omvang is dat de raad om die reden niet in redelijkheid het landgoed op de wijze als in het plan voorzien mogelijk had mogen maken.

2.4.4. De Afdeling ziet geen aanleiding het door de raad geschetste beeld van de verkeerstoename op de Dijkhuizerzandweg onjuist te achten. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat het plan zal leiden tot een totale verkeerstoename van ongeveer 54,6 mvt/etmaal. De raad heeft onweersproken gesteld dat deze voertuigbewegingen grotendeels worden afgewikkeld in zuidwestelijke richting, omdat dit de kortste mogelijke route naar de kern Epe is. Deze route loopt niet langs de woning van [appellant A] en anderen. Voorts heeft de raad desgevraagd ter zitting toegelicht dat de verkeersintensiteit in de huidige situatie op de Dijkhuizerzandweg ongeveer 80 mtv/etmaal bedraagt.

Hoewel de Dijkhuizerzandweg een zandweg is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door het plan veroorzaakte verkeerstoename van 54,6 mvt/etmaal zowel in absolute als in relatieve zin niet zodanig groot is dat hierdoor onaanvaardbare geluid- en stofhinder zullen optreden. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk op genoemde weg en dat nader onderzoek naar geluid- en stofhinder niet noodzakelijk is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de verkeerstoename nagenoeg geheel uit personenvoertuigen zal bestaan.

De raad heeft onweersproken gesteld dat de ontwikkeling van het gebied 't Slath nog onzeker is en dat de voertuigbewegingen vanaf het landgoed Dijkhuizerhof, dat is gelegen aan de andere kant van het perceel van [appellant A] en anderen, grotendeels worden afgewikkeld in de richting van de Dijkhuizerweg. Derhalve heeft de raad zich tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die ontwikkelingen niet bij de voorbereiding van het onderhavige plan behoefden te worden betrokken.

Uitbreidingsmogelijkheden

2.5. [appellant A] en anderen voeren aan dat zij ten gevolge van het plan minder snel in aanmerking zullen komen voor een vrijstelling om hun hobbymatige activiteiten verder uit te breiden. [appellant A] en anderen betogen hiertoe dat toekomstige bewoners van het landhuis klachten zullen hebben over de honden en het rundvee dat zij houden.

2.5.1. De raad stelt dat aan het perceel van [appellant A] en anderen ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Wonen" is toegekend. De raad voert aan dat woonbestemmingen geen milieuhinderlijke uitstraling hebben en [appellant A] en anderen aldus niet in hun uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan aan [appellant A] en anderen biedt niet door het onderhavige plan worden gewijzigd. Naar de raad stelt worden [appellant A] en anderen dan ook niet beperkt in de woonfunctie met bijbehorende mogelijkheden.

2.5.2. Ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden overweegt de Afdeling dat [appellant A] en anderen geen concrete plannen tot uitbreiding van het oppervlak van hun bijgebouwen ten behoeve van hun hobbymatig gehouden dieren kenbaar hebben gemaakt voor de vaststelling van het plan. In aanmerking genomen dat de afstand tussen het perceel van [appellant A] en anderen en het in het plan voorziene bouwvlak van het landhuis ongeveer 140 meter bedraagt en dat niet is gebleken dat de toekomstige bewoners van het landgoed onaanvaardbare hinder zullen ondervinden van de dieren die [appellant A] en anderen hobbymatig houden, heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van het planologisch mogelijk maken van het landgoed en de daarop voorziene woningen, dan aan het belang van [appellant A] en anderen bij behoud van de huidige situatie.

Open karakter

2.6. [appellant A] en anderen betogen dat het aanplanten van bos op de gronden aan de tegenoverliggende zijde van de Dijkhuizerzandweg en de bouw van het landhuis het karakteristieke open karakter van de Dijkhuizerenk doorkruisen. Het belang van het plan weegt volgens [appellant A] en anderen niet op tegen het belang bij het behoud van het open karakter van de Dijkhuizerenk.

2.6.1. De raad voert aan dat de enkgronden op de plankaart zijn voorzien van de functieaanduiding "Specifieke vorm van natuur - enkgronden". De raad stelt zich op het standpunt dat met de bij deze aanduiding behorende regels het open karakter van de enk gewaarborgd blijft. Wat de gronden aan de tegenoverliggende zijde van de Dijkhuizerzandweg betreft, stelt de raad zich op het standpunt dat het aanplanten van opgaande beplanting reeds op grond van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan.

2.6.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor enkgronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - enkgronden", voor het behoud, de bescherming of het herstel van de landschappelijke waarde, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf (enken), de beplantingsstructuur (langs de randen van de enken) en de openheid (op de enken).

2.6.3. Niet in geschil is dat de openheid een karakteristieke eigenschap is van de Dijkhuizerenk. Binnen het plangebied maken de gronden ten zuiden van de Dijkhuizerzandweg deel uit van de Dijkhuizerenk. Voor zover deze gronden niet zijn voorzien van de bestemming"Wonen" is aan de gronden de bestemming "Natuur" met de functieaanduiding "Specifieke vorm van natuur - enkgronden" toegekend. De gronden ten noorden van de Dijkhuizerzandweg maken geen deel uit van de Dijkhuizerenk maar van het beekdal. Aan deze gronden is de bestemming "Natuur" toegekend zonder nadere functieaanduiding.

2.6.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van het landhuis en de aanleg van een bos op de gronden ten noorden van de Dijkhuizerzandweg geen onaanvaardbare afbreuk doen aan de karakteristieke openheid van Dijkhuizerenk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens pagina 8 van de plantoelichting en zoals de raad onweersproken in de zienswijzennota heeft gesteld, om het open karakter van de enk te waarborgen het landhuis is voorzien aan de rand van de enk, waar reeds lintbebouwing aanwezig is. De raad heeft daarbij onweersproken gesteld dat het bouwen op de rand van de enk past in de occupatiegeschiedenis van de Dijkhuizerenk. Met het open karakter van de Dijkhuizerenk is voorts rekening gehouden door middel van het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels.

Voor zover de bestemming "Natuur" zonder nadere functieaanduiding aan de gronden aan de overzijde van de Dijkhuizerzandweg de aanplant van bomen toelaat, overweegt de Afdeling dat deze gronden geen deel uitmaken van de enkgronden.

Wat het ter zitting door [appellant A] en anderen aangevoerde betoog betreft dat het zicht op de enk vanaf de Dijkhuizerzandweg wordt aangetast, overweegt de Afdeling dat het zicht op de enk weliswaar ter plekke van het te realiseren landhuis wordt beperkt, maar dat langs de rest van de Dijkhuizerzandweg in voldoende mate zicht op de enk mogelijk blijft. Bij de afweging van de betrokken belangen heeft de raad hier dan ook geen doorslaggevend belang aan behoeven toekennen. Het betoog faalt.

Conclusie

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door [appellant D] en [appellante B];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

271-743.