Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201107215/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het CBR bepaald dat het rijbewijs van [appellant] ongeldig blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107215/1/A3.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2011 in zaak nr. 10/4499 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het CBR bepaald dat het rijbewijs van [appellant] ongeldig blijft.

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2011, verzonden op 20 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2011.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 5 april 2012 en 17 april 2012 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), voor zover thans van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, voor zover thans van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 133, tweede lid van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Bij besluit van 16 november 2009 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat [appellant] niet heeft meegewerkt aan het onderzoek door de kosten voor het onderzoek niet op tijd te voldoen. Nadat [appellant] die kosten alsnog had voldaan, is hij bij aangetekende brief van 15 april 2010 opgeroepen voor een onderzoek naar de geschiktheid op 5 juni 2010.

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het CBR bepaald dat het rijbewijs van [appellant] ongeldig blijft, omdat hij zonder tegenbericht niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig was en niet is gebleken van een geldige reden van verhindering. Dit besluit is bij besluit van 25 oktober 2010 gehandhaafd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een geldige reden van verhindering om niet te verschijnen op het onderzoek naar de geschiktheid. Daartoe voert hij aan dat hij de brief van het CBR van 15 april 2010 nooit heeft ontvangen, waardoor hij niet wist dat het onderzoek op 5 juni 2010 zou plaatsvinden. Dit is volgens hem een geldige reden van verhindering. Volgens [appellant] heeft de postbezorging van TNT Post (thans: Post NL) recentelijk aan kwaliteit en betrouwbaarheid ingeboet, zodat de rechtbank niet zonder meer de uitspraken van de Afdeling van 16 december 2009 en 30 december 2009 in de zaak nrs. 200904205/1/H3 en 200904217/1/H3 mocht volgen. Hij voert verder aan dat het CBR, toen het ruim voor het geplande onderzoek de aangetekend verzonden oproepbrief retour kreeg, telefonisch contact met hem had moeten opnemen, dan wel de oproepbrief nogmaals niet aangetekend naar hem had moeten verzenden.

Subsidiair betoogt [appellant] dat de kosten voor het onderzoek die zijn voldaan onverschuldigd zijn betaald, omdat het onderzoek geen doorgang heeft gevonden. Het CBR dient deze kosten te restitueren of te gebruiken voor een nieuw onderzoek, aldus [appellant].

2.3.1. Niet in geschil is dat het CBR de oproeping voor het onderzoek per aangetekende brief naar het juiste adres heeft verzonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 30 december 2009 in zaak nr. 200904217/1/H3 is het vaste praktijk van TNT Post dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald. [appellant] heeft ontkend een dergelijke kennisgeving te hebben ontvangen. Hij heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de kennisgeving niet door TNT Post op zijn adres is achtergelaten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 18 april 2006 in zaak nr. 200600453/4; aangehecht) is de enkele stelling dat een dergelijke kennisgeving niet is ontvangen onvoldoende om de ontvangst daarvan niet aannemelijk te achten. De algemene stelling van [appellant] dat de postbezorging van TNT Post aan kwaliteit en betrouwbaarheid heeft ingeboet, is niet nader onderbouwd noch geconcretiseerd en leidt reeds hierom niet tot een ander oordeel.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waarvan blijkt uit voormelde uitspraak, komt het niet afhalen van een aangetekend stuk en het niet kennisnemen daarvan voor risico van de geadresseerde.

Nu [appellant] zonder geldige reden niet op het onderzoek is verschenen, heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog van [appellant] dat de door hem voldane kosten voor het onderzoek onverschuldigd zijn betaald, kan niet slagen reeds omdat het bij de rechtbank bestreden besluit niet voorziet in een weigering van het CBR om deze kosten te vergoeden. Dit aspect was derhalve in beroep niet aan de orde.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

312-721.