Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201106958/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen huisverbod aan appellante.

De Afdeling stelt vast dat het huisverbod aan appellante is opgelegd naar aanleiding van een aangifte van de partner. Partner heeft toen tegenover de hulpofficier verklaard dat hij lijdt aan de ziekte van Parkinson, dat appellante hem uit zijn rolstoel heeft geslagen en vervolgens heeft geweigerd hem overeind te helpen. Daarbij heeft hij letsel opgelopen aan zijn arm. Hij heeft verder verklaard dat appellante zijn identiteitskaart en bankpas heeft afgenomen en de financiën beheert. Voorts heeft hij verklaard dat zij bij een ander incident zijn keel heeft dichtgeknepen en dat hij zich thuis niet veilig voelt.

Daartegenover staat de door appellante na de oplegging van het huisverbod gegeven verklaring, dat zij geen geweld heeft gebruikt en geen bedreigende uitlatingen heeft gedaan. Zij heeft voorts verklaard dat bij de partner gedragsveranderingen zijn opgetreden waardoor hij steeds agressiever en achterdochtiger werd. Voorts volgt uit het RiHG dat appellante verbaasd reageerde op het voornemen tot het opleggen van een huisverbod. Hieruit kan afdoende worden afgeleid dat appellante de verklaring van de partner niet heeft onderschreven. De Afdeling onderkent dat appellante tijdens de aanhouding en de verhoren niet in alle opzichten adequaat heeft gereageerd, doch schrijft dit toe aan enige mate van ontreddering bij appellante ten gevolge van de aanhouding en de insluiting.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de burgemeester uit deze tegenstrijdige verklaringen ten onrechte heeft afgeleid dat de aanwezigheid van appellante in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de partner, althans daarop ten onrechte een vermoeden daaromtrent heeft gebaseerd. Op grond van de verklaringen van de partner en appellante is aannemelijk dat de thuissituatie mede ten gevolge van de ziekte van de partner problematisch was. Over het door de partner gestelde incident zijn echter geen objectieve gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in de vorm van letsel of getuigenissen van derden, mogelijk van het ambulancepersoneel dat na het incident in de woning zou zijn geweest volgens de, ook op dit punt door appellante ter zitting van de Afdeling weersproken, verklaring van de partner. Derhalve bestaat derhalve geen enkele zekerheid over het gestelde incident. Voor de beoordeling van de feitelijke grondslag van het huisverbod is voorts van belang dat niet eerder aangifte is gedaan van huiselijk geweld. Van het door de partner gestelde eerdere incident waarbij appellante zijn keel zou hebben dichtgeknepen heeft de partner indertijd geen aangifte gedaan, ook dat incident is door appellante ontkend en ook daaromtrent zijn geen objectieve gegevens voorhanden.

Aldus resteert de opmerking van appellante dat zij nu een reden had om de partner te vermoorden. Hoewel deze opmerking belastend is voor appellante, vindt de Afdeling daarin geen grond om in weerwil van het vorenoverwogene het relaas van partner voldoende aannemelijk te achten om als grondslag te kunnen dienen voor het opleggen van een huisverbod. Appellante heeft de uitlating gedaan nadat ze was aangehouden, op het politiebureau op uitgebreide wijze was gefouilleerd en haar was meegedeeld dat een en ander geschiedde op aangifte van de partner. Onder die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat sprake is van een ondoordachte uitbarsting, ingegeven door gevoelens van ontreddering.

Hetgeen hiervoor is overwogen klemt temeer nu de burgemeester ter zitting bij de Afdeling desgevraagd heeft verklaard dat vanwege de voor oplegging van een huisverbod vereiste spoed, geen nader onderzoek is gedaan naar de gezondheidssituatie van de partner. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van de oplegging van het huisverbod niet wist dat de partner drie dagen per week naar de dagopvang ging. Eveneens heeft hij verklaard dat hij niet heeft geïnformeerd naar de verschijnselen die zich kunnen voordoen bij de ziekte van Parkinson.

Naar het oordeel van de Afdeling kan het spoedeisend belang dat betrokken kan zijn bij het opleggen van een huisverbod er niet toe leiden dat de burgemeester nader onderzoek dat noodzakelijk is alvorens tot dit ingrijpende middel over te gaan achterwege laat. Nu de burgemeester dit niettemin heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat het in art. 2 van de Wth bedoelde gevaar dan wel de dreiging daarvan zich voordeed en heeft de Rb. de burgemeester ten onrechte bevoegd geacht tot het opleggen van een huisverbod.

Appellante heeft een huisverbod moeten dulden terwijl voor het opleggen van dat huisverbod geen bevoegdheid bestond. Gelet daarop bestaat naar het oordeel van de Afdeling aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding. De omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade stelt de Afdeling naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. Dit bedrag is bepaald aan de hand van het aantal dagen dat appellante onrechtmatig in haar vrijheid is beperkt. Gegrond hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Wet tijdelijk huisverbod
Wet tijdelijk huisverbod 1
Wet tijdelijk huisverbod 2
Besluit tijdelijk huisverbod
Besluit tijdelijk huisverbod 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1486
Gst. 2012/85 met annotatie van L.J.J. Rogier
ABkort 2012/226
JG 2012/42 met annotatie van L.J.J. Rogier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106958/1/A3.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 mei 2011 in zaak nr. 178199/11-356 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2010 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod opgelegd en haar gelast de woning gelegen aan de [locatie] te Bloemendaal (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en deze woning voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden.

Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.C. Duvekot, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.P. Heilig en P. Eichhorn, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door A. van Kouteren en H. Vermeulen, werkzaam bij de regiopolitie Kennemerland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet verstaan onder huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien die beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2.2. De burgemeester heeft het besluit tot oplegging van het huisverbod van 28 december 2010 gebaseerd op het door de hulpofficier van justitie (hierna: de hulpofficier) ingevulde Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en het door de hulpofficier op ambtsbelofte opgemaakte "proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor beslissing huisverbod" (hierna: het proces-verbaal). Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat [appellante] huiselijk geweld heeft gepleegd jegens haar [partner]. Voorts heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat [partner] lijdt aan de ziekte van Parkinson, dat bij hem de vrees bestaat dat [appellante] opnieuw huiselijk geweld zal plegen en dat [appellante] tijdens haar aanhouding de uitlating: 'nu vermoord ik hem zeker', heeft gedaan.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij bij het besluit tot oplegging van het huisverbod van 28 december 2010 niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Daartoe voert zij aan dat geen proces-verbaal bestaat met haar verklaring en dat zij, anders dan de rechtbank aanneemt, niet is gehoord door hulpofficier Van Kouteren.

2.3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit het RiHG blijkt dat [appellante] is gehoord. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de door de hulpofficier gedane verklaring ter zitting bij de rechtbank dat hij [appellante] twee keer heeft gehoord, maar zij niet wilde praten over het voorval. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellante] erkend dat de hulpofficier zeker eenmaal bij haar in de cel is geweest. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] is gehoord en dat niet in strijd met artikel 4:8 van de Awb is gehandeld. De stelling van [appellante] dat geen proces-verbaal bestaat waarin haar verklaring is opgetekend leidt niet tot een ander oordeel. Het RiHG behelst op pagina 7 een weergave van de reactie van [appellante] op het jegens haar geuite voornemen tot het opleggen van een huisverbod.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er voldoende signalen waren die een huisverbod rechtvaardigen. Daartoe voert zij aan dat het huisverbod uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van [partner] en de door haar gedane uitlating tijdens haar aanhouding. Zij stelt geen geweld te hebben gebruikt tegen [partner] en zij heeft zich niet bedreigend uitgelaten in het bijzijn van politieagenten.

Er bestaan volgens haar geen objectieve feiten en omstandigheden ter staving van de in de aangifte genoemde beschuldigingen. De burgemeester heeft dan ook ten onrechte een huisverbod opgelegd, aldus [appellante].

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201102246/1/A3 is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De afweging wordt door de rechter terughoudend getoetst.

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat het huisverbod bij besluit van 28 december 2010 aan [appellante] is opgelegd naar aanleiding van een aangifte van [partner] op 27 december 2010. [partner] heeft toen tegenover de hulpofficier verklaard dat hij lijdt aan de ziekte van Parkinson, dat [appellante] hem uit zijn rolstoel heeft geslagen en vervolgens heeft geweigerd hem overeind te helpen. Daarbij heeft hij letsel opgelopen aan zijn arm. Hij heeft verder verklaard dat [appellante] zijn identiteitskaart en bankpas heeft afgenomen en de financiën beheert. Voorts heeft hij verklaard dat zij bij een ander incident zijn keel heeft dichtgeknepen en dat hij zich thuis niet veilig voelt.

Daartegenover staat de door [appellante] na de oplegging van het huisverbod gegeven verklaring, dat zij geen geweld heeft gebruikt en geen bedreigende uitlatingen heeft gedaan. Zij heeft voorts verklaard dat bij [partner] gedragsveranderingen zijn opgetreden waardoor hij steeds agressiever en achterdochtiger werd. Voorts volgt uit het RiHG dat [appellante] verbaasd reageerde op het voornemen tot het opleggen van een huisverbod. Hieruit kan afdoende worden afgeleid dat [appellante] de verklaring van [partner] niet heeft onderschreven. De Afdeling onderkent dat [appellante] tijdens de aanhouding en de verhoren niet in alle opzichten adequaat heeft gereageerd, doch schrijft dit toe aan enige mate van ontreddering bij [appellante] ten gevolge van de aanhouding en de insluiting.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de burgemeester uit deze tegenstrijdige verklaringen ten onrechte heeft afgeleid dat de aanwezigheid van [appellante] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van [partner], althans daarop ten onrechte een vermoeden daaromtrent heeft gebaseerd. Op grond van de verklaringen van [partner] en [appellante] is aannemelijk dat de thuissituatie mede ten gevolge van de ziekte van [partner] problematisch was. Over het door [partner] gestelde incident zijn echter geen objectieve gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in de vorm van letsel of getuigenissen van derden, mogelijk van het ambulancepersoneel dat na het incident in de woning zou zijn geweest volgens de, ook op dit punt door [appellante] ter zitting van de Afdeling weersproken, verklaring van [partner]. Derhalve bestaat derhalve geen enkele zekerheid over het gestelde incident. De getuigenis van een vriend van [partner] is daartoe onvoldoende, reeds omdat deze vriend, zoals de burgemeester ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd, niet bij het incident aanwezig is geweest. Derhalve draagt deze verklaring niet bij aan de bewijsvoering. De het huisverbod dragende, aan het RiHG en het proces-verbaal ontleende overwegingen in het besluit van 28 december 2010 zijn uitsluitend ontleend aan de verklaringen van [partner].

Voor de beoordeling van de feitelijke grondslag van het huisverbod is voorts van belang dat niet eerder aangifte is gedaan van huiselijk geweld. Van het door [partner] gestelde eerdere incident waarbij [appellante] zijn keel zou hebben dichtgeknepen heeft [partner] indertijd geen aangifte gedaan, ook dat incident is door [appellante] ontkend en ook daaromtrent zijn geen objectieve gegevens voorhanden.

Aldus resteert de opmerking van [appellante] dat zij nu een reden had om [partner] te vermoorden. Hoewel deze opmerking belastend is voor [appellante], vindt de Afdeling daarin geen grond om in weerwil van het vorenoverwogene het relaas van [partner] voldoende aannemelijk te achten om als grondslag te kunnen dienen voor het opleggen van een huisverbod. [appellante] heeft de uitlating gedaan nadat ze was aangehouden, op het politiebureau op uitgebreide wijze was gefouilleerd en haar was medegedeeld dat een en ander geschiedde op aangifte van [partner]. Onder die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat sprake is van een ondoordachte uitbarsting, ingegeven door gevoelens van ontreddering.

2.5.2. Hetgeen hiervoor is overwogen klemt temeer nu de burgemeester ter zitting bij de Afdeling desgevraagd heeft verklaard dat vanwege de voor oplegging van een huisverbod vereiste spoed, geen nader onderzoek is gedaan naar de gezondheidssituatie van [partner]. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van de oplegging van het huisverbod niet wist dat [partner] drie dagen per week naar de dagopvang ging. Eveneens heeft hij verklaard dat hij niet heeft geïnformeerd naar de verschijnselen die zich kunnen voordoen bij de ziekte van Parkinson.

Naar het oordeel van de Afdeling kan het spoedeisend belang dat betrokken kan zijn bij het opleggen van een huisverbod er niet toe leiden dat de burgemeester nader onderzoek dat noodzakelijk is alvorens tot dit ingrijpende middel over te gaan achterwege laat. Nu de burgemeester dit niettemin heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat het in artikel 2 van de Wth bedoelde gevaar dan wel de dreiging daarvan zich voordeed en heeft de rechtbank de burgemeester ten onrechte bevoegd geacht tot het opleggen van een huisverbod.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellante] stelt ten slotte dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van de burgemeester om haar een tijdelijk huisverbod op te leggen. Zij is in haar eer en goede naam geschaad. Verder voert [appellante] aan dat het besluit van 28 december 2010 een ingrijpende inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, aangezien zij ten onrechte tien dagen in haar bewegingsvrijheid is beperkt.

Voorts stelt [appellante] dat zij schade heeft geleden, omdat zij ten tijde van het huisverbod vanwege de ingrijpendheid haar dagelijkse routine wilde blijven volgen. Zo heeft zij elke dag tweemaal haar hond uitgelaten op het strand van Bloemendaal aan Zee. Omdat het strand verder is gelegen vanaf het logeeradres dan vanaf de woning heeft zijn extra kosten gemaakt voor benzine.

2.6.1. Voor zover [appellante] stelt dat zij schade heeft geleden omdat zij haar dagelijkse routine wilde blijven volgen, komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking. Het maken van deze kosten berust op een eigen keuze en kan niet als gevolg van het besluit van 28 december 2010 worden aangemerkt.

Voor het antwoord op de vraag of [appellante] door het opgelegde huisverbod immateriële schade heeft geleden die in aanmerking komt voor vergoeding, zoekt de Afdeling aansluiting bij artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat de benadeelde voor nadeel dat niet bestaat in vermogensschade, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [appellante] heeft een huisverbod moeten dulden terwijl voor het opleggen van dat huisverbod geen bevoegdheid bestond. Gelet daarop bestaat naar het oordeel van de Afdeling aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding. De omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade stelt de Afdeling naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. Dit bedrag is bepaald aan de hand van het aantal dagen dat [appellante] onrechtmatig in haar vrijheid is beperkt. Aangezien het huisverbod is ingegaan op 28 december 2010 en heeft voortgeduurd tot en met 7 januari 2011, stelt de Afdeling het aantal dagen vast op tien. Het door [appellante] geëiste tarief van € 50,00 per dag komt de Afdeling redelijk voor.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 december 2010 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding voor zover dat betrekking heeft op de geleden immateriële schadevergoeding toewijzen.

2.8. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 mei 2011 in zaak nr. 178/99/FA RK 11-356;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Bloemendaal van 28 december 2010, kenmerk 97804/103322;

V. veroordeelt de burgemeester van Bloemendaal om aan [appellante] te betalen een bedrag aan schadevergoeding van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van openbaarmaking tot aan de dag van algehele voldoening;

VI. veroordeelt de burgemeester van Bloemendaal tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1767,72 (zegge: zeventienhonderdzevenenzestig euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

312-721.