Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201107152/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats (hierna: de standplaatsvergunning) op de hoek van de Visafslagweg en de Vissershavenweg te Den Haag ten behoeve van de verkoop van broodjes, worst en koffie, jaarlijks voor de periode van 1 april tot 1 oktober.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/251 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107152/1/A3.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2011 in zaak nr. 10/8404 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats (hierna: de standplaatsvergunning) op de hoek van de Visafslagweg en de Vissershavenweg te Den Haag ten behoeve van de verkoop van broodjes, worst en koffie, jaarlijks voor de periode van 1 april tot 1 oktober.

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Sizoo en mr. G.J.N. Hazekamp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Straathandelverordening van Den Haag (hierna: de Shv) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een vaste standplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 3 geweigerd, indien de verlening in strijd is met de bepalingen van een geldend bestemmingsplan of tegen de verlening overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

[…]

- bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

[…]

2.2. Het college heeft de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aan de weigering ten grondslag gelegd. Het heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het een zeer terughoudend beleid voert ten aanzien van het verlenen van standplaatsvergunningen. Het terughoudende beleid is gebaseerd op de Shv en de "Kadernota Openbare Ruimte" en houdt in dat alleen in bijzondere gevallen standplaatsvergunningen voor nieuwe locaties worden verleend, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 4, eerste lid, van de Shv geen limitatieve opsomming van weigeringsgronden bevat. De totstandkomingsgeschiedenis van de Shv biedt hiervoor geen grond. Bovendien is de rechtbank met die overweging buiten de omvang van het geding getreden, aldus [appellant].

2.3.1. De standplaatsvergunning is blijkens het besluit geweigerd op grond van bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Deze weigeringsgrond is opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de Shv. Of dit artikel al dan niet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden bevat, is gelet hierop niet van belang. Dit brengt mee dat geen bespreking behoeft of de rechtbank met haar beoordeling buiten de omvang van het geding is getreden.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college het terughoudende beleid niet kan toepassen. Hij voert hiertoe aan dat het college niet bevoegd is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Shv een standplaatsvergunning te verlenen. Wanneer een weigeringsgrond zich voordoet, moet een standplaatsvergunning worden geweigerd. Een uitzondering daarop voor bijzondere gevallen is niet mogelijk, aldus [appellant].

2.4.1. Het terughoudende beleid geeft volgens het college invulling aan de weigeringsgrond 'bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente' en komt er op neer dat een standplaatsvergunning voor een nieuwe locatie niet wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het college heeft uiteengezet dat een bijzondere omstandigheid zich alleen kan voordoen indien de standplaats geen afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de gemeente en derhalve alleen in gevallen waar die weigeringsgrond niet opgaat. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het terughoudende beleid is toegepast in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Shv. Voor zover [appellant] betoogt dat het college in strijd met dit artikel standplaatsvergunningen heeft verleend, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de redenen van het college om af te wijken van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de Acb). Dit advies was voor hem positief. Bij de beoordeling is ten onrechte enkel het rapport van de Adviescommissie Openbare Ruimte (hierna: de ACOR) betrokken, aldus [appellant].

2.5.1. Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien het besluit op bezwaar afwijkt van het advies van een adviescommissie, in dat besluit de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden.

De Acb heeft het college geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en een tijdelijke standplaatsvergunning te verlenen, omdat het advies van de ACOR onbegrijpelijk is en niet duidelijk is waarom geen tijdelijke standplaatsvergunning is afgegeven. Daarnaast is het besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid, aldus de Acb.

Uit het besluit van 2 november 2010 volgt dat het college de door de Acb geconstateerde gebreken heeft hersteld. Voorts heeft het nader overlegd met de ACOR om inzichtelijk te maken wat de ACOR met haar advies voor ogen had. Het college heeft verder gemotiveerd uiteengezet waarom het verlening van een tijdelijke standplaatsvergunning niet wenselijk acht. Gelet hierop heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het besluit van 2 november 2010 afwijkt van het advies van de Acb.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

317-730.