Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201107104/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ5792, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht het Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen, bestaande uit onder meer een waterinrichtingsplan, vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107104/1/A2.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D],

[appellant E], [appellant F], [appellanten G] (hierna: [appellant A] en anderen) alsmede [appellant H] en [appellant J], wonend te respectievelijk Nieuwersluis, Loenen aan de Vecht en Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 mei 2011 in zaak nr. 10-5165, 10-5166, 10-5167 en 10-5169 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen alsmede [appellant H]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht het Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen, bestaande uit onder meer een waterinrichtingsplan, vastgesteld.

Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college het door [appellant A] en anderen, [appellant H] en [appellant J] tegen het waterinrichtingsplan ingestelde beroep gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant A] en anderen en [appellant H] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen, [appellant H] en [appellant J] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 28 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het algemeen bestuur een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en anderen, [appellant H] en [appellant J] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201112578/1/A2, ter zitting behandeld op 7 maart 2012, waar [appellant A], in persoon, [appellanten G], vertegenwoordigd door mr. A.J. Veeman, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door M.T. Hoekzema, werkzaam bij de provincie Noord-Holland, zijn verschenen. Tevens is verschenen het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door M.J.M. Jacobs, ir. M. Wensing,

dr. D.J. Rip en A.C. Schogte, allen werkzaam bij Waternet.

Na de zitting zijn de zaken van elkaar gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 148 van de Waterschapswet, zoals dat luidde ten tijde van belang, zijn, buiten de bij de wet aangewezen besluiten, voor zover zulks bij reglement is bepaald, slechts de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de beslissingen van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken door het waterschap aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen.

Ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen belanghebbenden administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen de in artikel 148 bedoelde, niet aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen, besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van waterstaatswerken.

2.2. Het algemeen bestuur heeft op 26 november 2008 het Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen vastgesteld. Dit plan omvat een waterinrichtingsplan alsmede peilbesluiten voor de polders Loenderveen, Muyeveld, Breukelen-Proostdij en Mijnden. Het geding in deze zaak heeft betrekking op het waterinrichtingsplan. Aangezien dit plan niet aan de goedkeuring van het college als bedoeld in artikel 148 van de Waterschapswet is onderworpen, stond daartegen ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet administratief beroep open bij het college. Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college het door [appellant A] en anderen, [appellant H] en [appellant J] tegen het waterinrichtingsplan ingestelde administratief beroep gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24 van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

2.4. [appellant A] en anderen en [appellant H] hebben tegen het besluit van het college van 2 juli 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. [appellant J] is in het beroepschrift niet vermeld als appellant. Hij heeft zich als zodanig evenmin in een ander stuk binnen de beroepstermijn gemeld. Zijn naam en handtekening staan wel op de machtiging van [appellant A] in beroep, maar dit stuk is pas na het verstrijken van de beroepstermijn overgelegd. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht opgevat als te zijn ingesteld door uitsluitend Nieuwenhuizen en anderen en [appellant H]. Aangezien er geen grond is voor het oordeel dat [appellant J] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld, dient het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant J], gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.5. Het college betoogt in verweer dat het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant H] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze over het ontwerp van het waterinrichtingsplan naar voren heeft gebracht. Over dit, ook ambtshalve te onderzoeken, punt overweegt de Afdeling het volgende. Bij de voorbereiding van het Watergebiedsplan is de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb toegepast. Vaststaat dat [appellant H] geen zienswijze heeft ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb had de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door [appellant H], niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Afdeling zal het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant H], ambtshalve gegrond verklaren. De aangevallen uitspraak komt, voor zover daarbij het beroep, ingesteld door [appellant H], ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant H] niet-ontvankelijk verklaren.

2.6. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan hun beroepsgrond dat door de verwijdering van de meest zuidelijk gelegen dam D10 de landbouwpercelen in de zuidwesthoek van de polder Mijnden onder water komen te staan. Door deze maatregel zal volgens hen water uit het oostelijk gebied van de polder naar die lager gelegen landbouwpercelen stromen.

2.6.1. In het waterinrichtingsplan is de verwijdering van zes dammen, waaronder bedoelde dam D10, opgenomen om de wijziging van de grenzen van de peilgebieden 59-1 en 59-2 mogelijk te maken. Het algemeen bestuur heeft ter zitting toegelicht dat beide peilvakken in de huidige situatie met elkaar verbonden zijn. Het waterinrichtingsplan brengt daarin verandering, in die zin dat het oostelijk peilgebied 59-2 in de nieuwe situatie afwatert via het eigen gebied. De door [appellant A] en anderen gevreesde wateroverlast ten gevolge van de verwijdering van dam D10 is hierdoor niet aan de orde. Dat de rechtbank niet is ingegaan op deze beroepsgrond, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur alles afwegende in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze van verbreding van de verbindingswetering. Zij voeren aan dat de rechtbank daarbij ten onrechte heeft betrokken dat verdieping van de wateraanvoer geen mogelijkheid is omdat de benodigde verdieping veel verder zou moeten gaan dan de keur toelaat. Het waterschap heeft deze keur echter zelf vastgesteld, aldus [appellant A] en anderen. Tot slot merken zij op dat de door het algemeen bestuur genoemde toename van de bergingscapaciteit van 700 m3 ten gevolge van de verbreding niet van enige betekenis is gezien de totale afvoer van 120.000 m3.

2.7.1. In het waterinrichtingsplan is de maatregel dat de verbindingswetering in de polder Mijnden wordt verbreed opgenomen om de afvoercapaciteit te vergroten. De toename van de bergingscapaciteit betreft slechts een bijkomend voordeel. In de keur is een verbod op het verdiepen van watergangen opgenomen wegens de daaraan verbonden risico's van onder meer het opbarsten van de waterbodem. Het algemeen bestuur heeft uiteengezet dat geen vergunning zou worden verleend voor verdieping van de verbindingswetering, omdat die watergang een veenbodem heeft waarbij het risico voor opbarsten van de bodem groot is, en dat om dezelfde reden verdieping niet als maatregel in het inrichtingsplan is opgenomen. Dat het hoogheemraadschap de keur zelf heeft vastgesteld, betekent niet dat de rechtbank niet bij zijn oordeel heeft kunnen betrekken dat verbreding van de wateraanvoer de enige mogelijkheid is. Anders dan [appellant A] en anderen betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het algemeen bestuur in redelijkheid de verbreding van de verbindingswetering in het inrichtingsplan heeft kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en anderen, is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant H] betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant H] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant J], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant H], gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 mei 2011 in zaak nr. 10-5165, 10-5166, 10-5167 en 10-5169, voor zover de rechtbank het beroep, ingesteld door [appellant H], ongegrond heeft verklaard;

IV. verklaart het beroep bij de rechtbank, voor zover ingesteld door [appellant H], niet-ontvankelijk;

V. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en anderen, ongegrond;

VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

VII. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant H] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

609.