Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201203384/1/A1 en 201203384/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college [appellante] op straffe van bestuursdwang gelast de dakkapel op het perceel [locatie] te Apeldoorn uiterlijk 15 september 2011 te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203384/1/A1 en 201203384/2/A1.

Datum uitspraak: 10 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Klarenbeek, gemeente Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 21 februari 2012 in de zaken nrs. 12/6 en 12/8 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college [appellante] op straffe van bestuursdwang gelast de dakkapel op het perceel [locatie] te Apeldoorn uiterlijk 15 september 2011 te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2012, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. van de Zedde, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Niet in geschil is dat[appellante] de dakkapel in 1990 heeft geplaatst, zonder dat zij over een bouwvergunning daarvoor beschikte.

2.3. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zij zich, voorafgaand aan het plaatsen van de dakkapel, tot de gemeente heeft gewend met de vraag of hiervoor bouwvergunning is vereist en haar toen door een ambtenaar is meegedeeld dat dit niet zo was. Zij stelt dat de gemeente destijds het beleid voerde dat geen schriftelijke verklaringen van die strekking werden verstrekt, maar dat vertrouwd mocht worden op een ambtelijk gedane mededeling, als aan haar gedaan.

2.3.1. Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de Woningwet 1962, gelezen in verbinding met artikel 14 van de Bouwverordening 1965, zoals deze bepalingen destijds luidden, verviel het vereiste van een bouwvergunning alleen, wanneer burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling hadden gedaan dat geen bouwvergunning vereist is.

2.3.2. Niet in geschil is dat burgemeester en wethouders [appellante] geen schriftelijke mededeling hebben gedaan dat voor het aanbrengen van de dakkapel geen bouwvergunning vereist is. De voorzieningenrechter heeft terecht door [appellante] in het licht van de ontkenning daarvan door het college niet aannemelijk gemaakt geacht dat de gemeente destijds het beleid voerde, als door haar gesteld, nog daargelaten welke betekenis het zou hebben als zij dit wel aannemelijk zou hebben gemaakt, en voorts terecht overwogen dat aan de gestelde mededeling van een ambtenaar geen vertrouwen kon worden ontleend dat geen bouwvergunning vereist was.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. Bij besluit van 10 maart 2011 heeft het college geweigerd om omgevingsvergunning voor de bestaande dakkapel te verlenen. Niet in geschil is dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

2.6. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan in verband daarmee behoorde af te zien. Daartoe stelt zij dat ieder belang bij handhavend optreden ontbreekt, aangezien het handhavingsverzoek louter het gevolg is van een burenruzie en het bestemmingsplan niet aan het plaatsen van een dakkapel op dezelfde plaats in de weg staat.

2.6.1. De voorzieningenrechter heeft [appellante] terecht niet gevolgd in haar betoog dat het handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan in verband daarmee behoorde af te zien.

De voorzieningenrechter heeft de omstandigheid dat het handhavingsverzoek zijn grondslag vindt in een burenruzie bij de beoordeling betrokken. Hij heeft hierin evenwel terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat met het handhavend optreden geen belang is gediend. Dat het bestemmingsplan aan het plaatsen van een dakkapel op dezelfde plaats niet in de weg staat, geeft die aanleiding evenmin, nu de dakkapel, waar de last op ziet, in strijd is geoordeeld met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012

392.