Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201109024/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het college aan [verzoeker rechtbank] lichte bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de overkapping van een fietsenstalling op het perceel [locatie] te Haarlem (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2012/3120 met annotatie van R. Frusch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109024/1/A1.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juli 2011 in zaak nr. 10/6339 in het geding tussen:

[verzoeker rechtbank]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het college aan [verzoeker rechtbank] lichte bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de overkapping van een fietsenstalling op het perceel [locatie] te Haarlem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 november 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de overkapping van de fietsenstalling op het perceel.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker rechtbank] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 november 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college opnieuw op het door [appellante] ingediende bezwaarschrift beslist, dat bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 juli 2010 gehandhaafd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door R. de Vries, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [verzoeker rechtbank], bijgestaan door mr. K. de Wit.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Kleverpark 2005" rust op de betreffende gronden de bestemming "Tuin".

Ingevolge artikel 17, tweede lid, en onder a, van de planvoorschriften zijn op gronden met de bestemming "Tuin" onder meer toegelaten bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals vlaggenmasten, erf- en perceelafscheidingen.

Ingevolge het derde lid, kunnen ten behoeve van de bestemming "Tuin" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht mits de hoogte van deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 2 meter; met uitzondering van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevelrooilijn, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 1 meter.

Ingevolge artikel 1, onder 19, wordt onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, onder 26, wordt onder gebouw verstaan elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.2. Het bouwplan voorziet in een fietsenstalling met een hoogte oplopend van 1,30 meter tot 1,70 meter, een breedte van 0,90 meter en een fietsenrek.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met de voor de ter plaatse geldende bestemming "Tuinen" geldende bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Volgens [appellante] voorziet het bouwplan in een erfafscheiding met een hoogte van meer dan één meter, zodat het in strijd is met het bepaalde in artikel 17, derde lid, van de planvoorschriften. Voor zover het bouwplan niet voorziet in een erfafscheiding volgt uit de tekst van artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest om ter plaatse fietsenstallingen toe te staan, aldus [appellante].

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan, gelet op de hoogte en de diepte daarvan, niet voorziet in een gebouw. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, gelet op de situering en de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan, sprake is van een fietsenstalling en geen erf- of perceelafscheiding. Nu ingevolge artikel 17, derde lid, van de planvoorschriften ter plaatse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte tot en met 2 meter zijn toegestaan, is het bouwplan door de rechtbank terecht in overeenstemming met het bestemmingsplan geacht.

Dat in artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften een tweetal voorbeelden is gegeven van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en een fietsenstalling daar niet is genoemd, doet hier niet aan af, nu het geen uitputtende opsomming betreft. De bewoordingen van artikel 17, tweede en derde lid, van de planvoorschriften bieden geen ruimte voor de door [appellante] voorgestane uitleg van deze planvoorschriften aan de hand van de bedoeling van de planwetgever.

Het betoog faalt.

2.4. Op 4 oktober 2011 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [appellante] gemaakte bezwaar besloten. Dit besluit wordt, lettend op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

2.5. Het college heeft bij het besluit van 4 oktober 2011 het door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, nu het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en niet is gebleken van andere weigeringsgronden.

2.6. Zoals hiervoor onder 2.4.1. is overwogen is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan. [appellante] heeft niet betoogd dat sprake is van andere weigeringsgronden.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2011 is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

580.