Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
201112427/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sonac Loenen B.V. (hierna: Sonac Loenen) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een bloedverwerkend bedrijf aan het Kieveen 20 te Loenen. Het besluit is op 19 oktober 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/382
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3062
JOM 2012/985
OGR-Updates.nl 2012-0080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112427/1/A4.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonende te Loenen, gemeente Apeldoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Noblesse Proteïns B.V. (hierna: Noblesse), gevestigd te Wijster, gemeente Midden-Drenthe,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sonac Loenen B.V. (hierna: Sonac Loenen) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een bloedverwerkend bedrijf aan het Kieveen 20 te Loenen. Het besluit is op 19 oktober 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2011, en Noblesse bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 december 2011. Noblesse heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en Sonac Loenen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201100109/1/A4 ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar [appellante sub 1B] in persoon, Noblesse, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Beckers, J.M. Pieterse en O. Toeset, allen werkzaam bij de gemeente Apeldoorn, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Sonac Loenen, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, vergezeld van ing. W.A.J.M. Dekkers en H.B.J. Roodink, als partij gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Het college en Sonac Loenen stellen dat de beroepen van [appellant sub 1] en Noblesse niet-ontvankelijk zijn, omdat zij geen belanghebbenden zijn.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

In haar uitspraak van 21 oktober 2009, nr. 200808865/1/M2, heeft de Afdeling naar aanleiding van een eerder aan Sonac Loenen verleende revisievergunning overwogen dat, gezien de aard van de vergunde activiteiten, aannemelijk is dat milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden bij de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie]. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Het college stelt terecht dat de inrichting, na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet, deel uitmaakt van het gezoneerde industrieterrein Het Kieveen en dat dit met zich brengt dat de geluidemissie van het verkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden. Dit betekent echter niet dat het belang van [appellant sub 1] niet langer rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Uit artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer volgt dat geluidhinder vanwege het verkeer van en naar een inrichting een milieugevolg van die inrichting is. Dit is niet anders bij inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein, nu daarvoor geen uitzondering is gemaakt. Ook indien bij zijn woning enkel deze indirecte geluidhinder zou worden ondervonden, heeft [appellant sub 1] derhalve een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit.

2.2.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (vergelijk de uitspraak van 19 september 2007 in zaak nr. 200609067/1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit geldt ongeacht of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen.

In de inrichting van Sonac Loenen mag krachtens de verleende revisievergunning onder meer slachtbloed van categorie 3 worden verwerkt. Daarmee wordt blijkens die vergunning bedoeld een dierlijk bijproduct als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (hierna: Verordening 1774/2002). Volgens Noblesse is zij belanghebbende bij de aan Sonac Loenen verleende vergunning, omdat zij ook slachtbloed van categorie 3, afkomstig van slachterijen uit Nederland en naburige landen, verwerkt.

De Afdeling stelt vast dat Noblesse dierlijke bijproducten verwerkt die vrijkomen bij het slachten van pluimvee. Sonac Loenen houdt zich niet bezig met de verwerking van bijproducten van de pluimveeslacht, maar met de verwerking van slachtbloed van varkens en runderen en de verwerking van gehydroliseerde eiwitten, afkomstig uit bloed van varkens en runderen. Ook de verleende revisievergunning, waarvan de aanvraag deel uitmaakt, strekt slechts tot verwerking van dit materiaal. Noblesse is derhalve niet actief op dezelfde markt voor verwerking van slachtbloed als Sonac Loenen. Hoewel Noblesse en Sonac Loenen beide slachtbloed verwerken tot - onder meer - grondstoffen voor diervoeder, is voorts niet aannemelijk geworden dat zij als producent in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn. Naar Sonac Loenen ter zitting onweersproken heeft gesteld, zijn de grondstoffen die zij produceert van een andere en meer hoogwaardige samenstelling en functionaliteit dan het bloedmeel dat Noblesse produceert. Gelet hierop heeft Noblesse geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken concurrentiebelang. Nu niet is gebleken dat zij anderszins een belang heeft dat rechtstreeks bij dat besluit is betrokken, kan zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

2.2.4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van Noblesse niet-ontvankelijk is.

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I van het Ivb is aangewezen.

In categorie 8, onderdeel 8.1, onder d en e, van bijlage I van het Ivb worden vermeld inrichtingen voor:

d. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van producten, die bij het slachten van dieren vrijkomen;

e. de destructie van dieren als bedoeld in artikel 5 van de Destructiewet.

Ingevolge categorie 8, onderdeel 8.2, aanhef en onder b, van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in onderdeel 8.1, onder e.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Destructiewet, zoals dit luidde vóór 1 januari 2008 - de datum waarop de Destructiewet is vervallen - en voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder dierlijk afval: niet voor menselijke consumptie bestemde dode dieren, of delen daarvan, en producten van dierlijke oorsprong.

Ingevolge artikel 2, derde lid, voor zover hier van belang, wordt onder laag-risico-materiaal verstaan dierlijk afval dat niet ingevolge het eerste lid als hoog-risico-materiaal wordt aangemerkt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, is het verboden zonder vergunning van Onze Minister een bedrijf waarin laag-risico-materiaal wordt opgeslagen of wordt voorbewerkt, dan wel een verwerkingsbedrijf waarin laag-risico-materiaal tot ingrediënten van diervoeder of vismeel wordt verwerkt, te beginnen, uit te oefenen, uit te breiden of te wijzigen.

2.4. Blijkens de vergunningaanvraag verwerkt Sonac Loenen bloed van dieren die in de slachthuizen door de veterinaire dienst ante en post mortem worden gekeurd voor humane consumptie. Zij verwerkt dit bloed blijkens de aanvraag tot biochemische producten en hoogwaardige eiwitten voor de farmaceutische, consumptie- en diervoederindustrie. Het te verwerken bloed is derhalve geschikt voor onder meer menselijke consumptie. Voor zover het niet voor menselijke consumptie bestemd is, betreft het laag-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Destructiewet. Nu daarin laag-risico-materiaal wordt verwerkt tot ingrediënten van diervoeder, is de inrichting van Sonac Loenen een bedrijf als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Destructiewet (oud).

2.4.1. Met verwijzing naar haar uitspraken van 22 december 2004, nr. 200401590/1, en 14 december 2011, nr. 201006895/1/M1, overweegt de Afdeling dat de inrichting van Sonac Loenen, nu deze onder artikel 5 van de Destructiewet (oud) valt, wat er ook zij van de betekenis van deze bepaling in het verleden, een inrichting is als bedoeld in categorie 8, onderdeel 8.1, onder e, van bijlage I van het Ivb. Hieruit volgt dat niet het college, maar het college van gedeputeerde staten van Gelderland bevoegd is om op de vergunningaanvraag te beslissen. Het besluit van 13 oktober 2011 is derhalve onbevoegd genomen.

2.5. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het besluit van 13 oktober 2011 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 8.2, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 van en bijlage I bij het Ivb. Aan een behandeling van de beroepsgronden komt de Afdeling niet meer toe.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat zij geen aanleiding ziet voor instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, waarom het college heeft verzocht. Weliswaar zou het college ingevolge de Wabo in samenhang met het Besluit omgevingsrecht bevoegd zijn te beslissen op een na 30 september 2010 ingediende aanvraag van Sonac Loenen om een omgevingsvergunning, doch uit het onder 2.1 weergegeven overgangsrecht volgt dat de Wabo niet van toepassing is op de voorliggende, op 26 februari 2010 ingediende, vergunningaanvraag.

2.5.2. De aanvraag dient naar het college van gedeputeerde staten te worden doorgezonden. Het staat Sonac Loenen evenwel vrij haar aanvraag in te trekken en een nieuwe aanvraag in te dienen. Alsdan is vanwege de toepasselijkheid van de Wabo het college bevoegd op die nieuwe aanvraag te beslissen. Tegen de beslissing op die aanvraag staat beroep bij de rechtbank open.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld.

2.7. Voor een veroordeling in de proceskosten van Noblesse bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Noblesse Proteïns B.V. niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 13 oktober 2011, kenmerk 2011-510932/26739;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Visser

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

148.