Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
201200787/1/V3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de (…) door de minister verstrekte informatie, waarvan de feitelijke juistheid niet door de vreemdeling is bestreden, volgt dat in 2011 en 2012 nog steeds overleg plaatsvindt met de Chinese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van laissez passer, dat de Chinese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om op verzoek van vreemdelingen presentaties te houden en dat het naast het laissez passertraject mogelijk is gebleken om vreemdelingen gedwongen terug te laten keren naar China met behulp van een EU-staat. Bij deze stand van zaken bestaat thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt. Dat de vreemdeling ten tijde van het indienen van het hogerberoepschrift nog niet bij de Chinese autoriteiten was gepresenteerd, doet daaraan niet af.

In dit geval is niet gebleken dat de vreemdeling de in 2.2.3. bedoelde medewerking heeft verleend. Hij heeft evenmin bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht concrete verifieerbare gegevens betreffende zijn identiteit te verschaffen en deze identiteit met de hiervoor bedoelde documenten te staven. De gestelde omstandigheid, dat hij financieel niet in staat is om een advocaat in China in de arm te nemen en de enkele stelling dat hij ook geen andere mogelijkheden heeft om deze documenten uit China te laten komen, is daartoe onvoldoende. Gelet op het vorenstaande heeft de Rb. terecht overwogen dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200787/1/V3.

Datum uitspraak: 4 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 3 november 2011 in zaak nr. 11/33642 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 november 2011, verzonden op 17 januari 2012, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.L.C. Rijk, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. van Zijl, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Desgevraagd heeft de minister bij brief van 5 april 2012 een nader stuk ingediend. Hierop heeft de vreemdeling bij brief van 10 april 2012 gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling ter zitting.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008, in zaak nr. 200808139/1 (www.raadvanstate.nl), dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Reeds vanwege de omstandigheid dat sinds 2007 geen Chinese onderdanen zijn uitgezet op basis van een laissez passer, is volgens de vreemdeling sprake van een vergelijkbare situatie als in de zaak die ten grondslag ligt aan die uitspraak. Bij de beantwoording van de vraag of zicht op uitzetting naar China bestaat, komt volgens de vreemdeling geen betekenis toe aan de in november 2011 afgegeven laissez passer, omdat deze is verstrekt aan een behoorlijk gedocumenteerde Chinese vreemdeling en hij steeds heeft verklaard niet in het bezit te zijn van documenten op basis waarvan hij kan terugkeren naar China.

Voorts betoogt de vreemdeling dat de door de minister gestelde wijziging in de houding van de Chinese autoriteiten – erin bestaande dat vreemdelingen in persoon kunnen worden gepresenteerd - in zijn geval evenmin tot uitzetting naar China binnen een redelijke termijn kan leiden. Hij was immers, ondanks zijn bij de regievoerder ingediende verzoeken daartoe, na vier maanden bewaring nog steeds niet gepresenteerd bij de Chinese autoriteiten.

2.2.1. In de uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201105946/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling – samengevat weergegeven – het volgende overwogen. De gesprekken met de Chinese ambassadeur op 22 maart 2011 en 4 mei 2011, waarbij is gesproken over de voortgang van het laissez passerproces en de bij de Chinese autoriteiten ingediende laissez passeraanvragen, geven blijk van een bereidheid van de Chinese autoriteiten om mee te werken aan het laissez passerproces. Voorts blijkt uit de door de minister verstrekte informatie dat in de periode vanaf 1 januari 2011 tot

17 juli 2011 circa 30 vreemdelingen naar China zijn uitgezet, waaronder vreemdelingen die hangende een eerder ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een laissez passer alsnog een persoonlijk identiteitsbewijs en/of paspoort hebben overgelegd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat vier aanvragen om afgifte van een laissez passer ten behoeve van gedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog in behandeling bij de Chinese autoriteiten zijn, bestaat geen grond voor het oordeel dat geen sprake meer is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China, aldus de Afdeling in die uitspraak.

2.2.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister verklaard dat in 2011 en 2012 circa 35 onderscheidenlijk circa 10 Chinese vreemdelingen zijn uitgezet naar China met gebruikmaking van een geldig paspoort. Verder heeft de minister verklaard dat op 5 oktober 2011 een bezoek aan de Chinese ambassade is gebracht, waarbij op operationeel niveau is afgesproken dat vreemdelingen die vrijwillig naar China willen terugkeren, kunnen worden gepresenteerd op verzoek van de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V). Dergelijke presentaties waren voorheen slechts mogelijk op verzoek van de ambassade zelf, nadat die vreemdelingen contact met de ambassade hadden opgenomen. Op 13 en 26 september 2011 waren al, vooruitlopend op de formele bevestiging van die afspraak, in totaal twee vreemdelingen vrijwillig en op eigen verzoek in persoon gepresenteerd bij de Chinese ambassade, met tussenkomst van de DT&V. Op 10 november 2011 is de Chinese ambassade wederom op operationeel niveau bezocht, waarbij is gesproken over het laissez passerproces.

Voorts blijkt uit het door de minister nader ingediende stuk van 5 april 2012 dat de Chinese autoriteiten in 2011 aan twee vreemdelingen, die over een kopie van een paspoort of identiteitskaart beschikten, een laissez passer hebben afgegeven waarmee zij naar China zijn uitgezet. Tevens blijkt uit dit stuk dat in 2011 en in de periode van 1 januari 2012 tot 14 maart 2012 zeven respectievelijk zes vreemdelingen met behulp van een EU-staat gedwongen naar China zijn teruggekeerd. Deze vreemdelingen beschikten over een origineel identiteitsdocument dan wel een kopie daarvan, aldus de minister.

2.2.3. Op de vreemdeling rust de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1, www.raadvanstate.nl), brengt dit mee dat van hem kan worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

2.2.4. Uit de in 2.2.2 weergegeven, door de minister verstrekte informatie, waarvan de feitelijke juistheid niet door de vreemdeling is bestreden, volgt dat in 2011 en 2012 nog steeds overleg plaatsvindt met de Chinese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van laissez passer, dat de Chinese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om op verzoek van vreemdelingen presentaties te houden en dat het naast het laissez passertraject mogelijk is gebleken om vreemdelingen gedwongen terug te laten keren naar China met behulp van een EU-staat. Bij deze stand van zaken bestaat thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt. Dat de vreemdeling ten tijde van het indienen van het hogerberoepschrift nog niet bij de Chinese autoriteiten was gepresenteerd, doet daaraan niet af.

In dit geval is niet gebleken dat de vreemdeling de in 2.2.3. bedoelde medewerking heeft verleend. Hij heeft evenmin bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht concrete verifieerbare gegevens betreffende zijn identiteit te verschaffen en deze identiteit met de hiervoor bedoelde documenten te staven. De gestelde omstandigheid, dat hij financieel niet in staat is om een advocaat in China in de arm te nemen en de enkele stelling dat hij ook geen andere mogelijkheden heeft om deze documenten uit China te laten komen, is daartoe onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012

53-708.

Verzonden: 4 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser