Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
201200679/1/V4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200679/1/V4.

Datum uitspraak: 8 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[…],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 21 december 2011 in zaak nr. 11/17565 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister heeft zich in het besluit van 27 april 2011, waarin de inhoud van het voornemen van 21 maart 2011 is ingelast, op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. De vreemdeling heeft in de gronden van zijn beroep de door de minister aan dit standpunt ten grondslag gelegde argumenten gemotiveerd betwist.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de in het besluit van 27 april 2011 aan voormeld standpunt van de minister ten grondslag gelegde motivering weergegeven en heeft voor haar oordeel over dat standpunt volstaan met de overweging dat de minister, gelet op die motivering, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dit relaas daarom ongeloofwaardig is en dat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd onvoldoende is voor een ander oordeel.

2.3. In zijn enige grief bestrijdt de vreemdeling het in 2.2. weergegeven oordeel van de rechtbank. Het daartoe aangevoerde begrijpt de Afdeling aldus dat de vreemdeling stelt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak op de door hem in eerste aanleg aangevoerde gronden gericht tegen het in 2.1. vermelde standpunt van de minister ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan.

2.4. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.5. De grief slaagt. Door te overwegen als in 2.2. weergegeven, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb niet inzichtelijk gemaakt waarom het door de vreemdeling in beroep aangevoerde niet kan afdoen aan het standpunt van de minister dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, om de reden als in 2.5. uiteengezet, de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 21 december 2011 in zaak nr. 11/17565;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en

mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Prins

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012

363-746.

Verzonden: 8 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser