Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
201008207/1/V4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de minister ook ter zitting heeft toegelicht, kan de vreemdeling desgewenst, (…) in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Daarnaast bestaat voor haar als, naar zij stelt, ongehuwde partner van een Unieburger een extra mogelijkheid voor verblijf hier te lande in aanmerking te komen, namelijk door (…) het bestaan van een duurzame relatie tussen haar en de desbetreffende Unieburger te bewijzen, door te staven dat zij gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of (recentelijk) hebben gevoerd. Nu voor de vreemdeling, hetgeen zij niet heeft bestreden, beide vorenbedoelde wegen openstaan, heeft de Rb. terecht overwogen dat het in paragraaf B10/1.7 van de Vc 2000 neergelegde beleid dat tussen een Unieburger en zijn ongehuwde partner eerst een duurzame relatie wordt aangenomen, indien zij deugdelijk bewijzen dat zij gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of (recentelijk) hebben gevoerd, in dit geval geen discriminatoire werking heeft.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/336 met annotatie van mr. H. Oosterom-Staples

Uitspraak

201008207/1/V4.

Datum uitspraak: 26 april 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 29 juli 2010 in zaak nr. 10/3597 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2012, waar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Gahar, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In haar tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het beleid van de minister dat het bestaan van een duurzame relatie tussen een burger van de Unie (hierna: Unieburger) en zijn ongehuwde partner alleen wordt aangenomen, indien zij gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of (recentelijk) hebben gevoerd, niet discriminatoir is. De vreemdeling wijst erop dat in het reguliere vreemdelingenrecht het bestaan van een duurzame relatie wordt aangenomen zonder dat ooit sprake is geweest van inschrijving op één adres en een gezamenlijke huishouding van de partners, en betoogt dat het op ongehuwde partners van Unieburgers van toepassing zijnde kader juist gunstiger in plaats van strikter zou moeten zijn.

2.3. Volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn), voor zover thans van belang, vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht binnenkomst en verblijf van de partner met wie de Unieburger een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.

2.3.1. De minister heeft ter zitting toegelicht dat Nederland, conform de richtlijn, de binnenkomst en het verblijf van ongehuwde partners van Unieburgers vergemakkelijkt.

Op, voor zover hier van belang, de ongehuwde partner die een Unieburger die zich naar Nederland begeeft of in Nederland verblijft, naar Nederland vergezelt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die Unieburger heeft, is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) van toepassing.

Volgens paragraaf B10/1.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), ten tijde en voor zover hier van belang, zal het bestaan van een duurzame relatie tussen een Unieburger en diens ongehuwde partner, niet zijnde een geregistreerde partner, in ieder geval worden aangenomen, indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de Unieburger, die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, en de ongehuwde partner reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd, of indien uit de relatie een kind is geboren. Als bewijs voor de stelling dat de ongehuwde partners in Nederland samenwonen dan wel (recentelijk) hebben samengewoond, wordt een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op hetzelfde adres verlangd.

2.3.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 6 september 2011 in zaak nr. 201009139/1/V4 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, staat de richtlijn er niet aan in de weg dat een duurzame relatie tussen ongehuwde partners pas wordt aangenomen indien de relatie ten minste zes maanden heeft geduurd en mag in beginsel worden verlangd dat gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding is gevoerd.

Voorts heeft de Afdeling in voormelde uitspraak overwogen dat de minister, door behoudens omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend een GBA-inschrijving, dan wel de geboorte van een kind uit de relatie, als bewijs van een duurzame relatie te accepteren, gelet op de richtlijn, een te beperkte uitleg aan het begrip 'deugdelijk bewezen duurzame relatie' geeft.

2.4. Indien een vreemdeling op basis van een duurzame relatie met een Nederlander dan wel met een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dat niet tijdelijk is in de zin van artikel 3.5 van het Vb 2000, in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, geldt, voor zover hier van belang, het volgende.

2.4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien:

a. de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;

b. de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

c. de desbetreffende vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

d. de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

e. de desbetreffende vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan;

f. de desbetreffende vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan;

g. de desbetreffende vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;

h. de desbetreffende vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 5 van de Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.

Voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, zijn nadere regels gesteld in onder meer de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Vb 2000.

Ingevolge artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, ten tijde en voor zover hier van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan een vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt.

Ingevolge artikel 3.15, eerste lid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 bedoelde gezinslid van:

a. een Nederlander van 21 jaar of ouder, of

b. een vreemdeling van 21 jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dat niet tijdelijk is in de zin van artikel 3.5.

Volgens paragraaf B2/4.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, kan het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie in de zin van artikel 3.14, eerste lid, van het Vb 2000 worden aangetoond door ondertekening van een relatieverklaring door beide partners. Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de desbetreffende vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden. Deze verklaring vormt geen onweerlegbaar bewijs. De aanvraag wordt, ongeacht de ondertekening van de relatieverklaring, afgewezen indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie.

2.5. Zoals de minister ook ter zitting heeft toegelicht, kan de vreemdeling desgewenst, gelet op en overeenkomstig het onder 2.4.1. bedoelde kader, in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Daarnaast bestaat voor haar als, naar zij stelt, ongehuwde partner van een Unieburger een extra mogelijkheid voor verblijf hier te lande in aanmerking te komen, namelijk door conform het onder 2.3. en 2.3.1. bedoelde kader, mede begrepen in het licht van het onder 2.3.2. overwogene, het bestaan van een duurzame relatie tussen haar en de desbetreffende Unieburger te bewijzen, door te staven dat zij gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of (recentelijk) hebben gevoerd. Nu voor de vreemdeling, hetgeen zij niet heeft bestreden, beide vorenbedoelde wegen openstaan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in paragraaf B10/1.7 van de Vc 2000 neergelegde beleid dat tussen een Unieburger en zijn ongehuwde partner eerst een duurzame relatie wordt aangenomen, indien zij deugdelijk bewijzen dat zij gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of (recentelijk) hebben gevoerd, in dit geval geen discriminatoire werking heeft.

De grief faalt reeds hierom.

2.6. Hetgeen de vreemdeling als eerste en derde grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012

418-617/660.

Verzonden: 26 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser