Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
201106649/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de minister een verzoek van het college om openbaarmaking van een document afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106649/1/A3.

Datum uitspraak: 9 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van bestuur van het Regionaal Opleidingen Centrum Landstede, gevestigd te Zwolle (hierna: het college),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 mei 2011 in zaak nr. 10/2176 in het geding tussen:

het college

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de minister een verzoek van het college om openbaarmaking van een document afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2010 heeft de minister het door het college daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door het college daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Habib en mr. R.J. Oskam, beiden werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Aan het besluit van 6 december 2010 heeft de minister ten grondslag gelegd dat het door het college tegen het besluit van 23 augustus 2010 ingediende bezwaarschrift van 1 oktober 2010 niet aan de wettelijke vereisten voldoet, nu dit geen gronden van bezwaar bevat. Bij brief van 8 oktober 2010 heeft de minister het college de mogelijkheid geboden om binnen vier weken schriftelijk alsnog zijn bezwaar te motiveren. Op deze brief heeft het college niet binnen de daarin gestelde termijn gereageerd.

2.3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, geoordeeld dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 8 oktober 2010 is verzonden. Hiertoe heeft zij van belang geacht dat een door de minister overgelegde kopie van de brief is geadresseerd aan het juiste adres en deze een datumstempel van 8 oktober 2010 bevat. Daarnaast heeft de minister drie schermafdrukken uit het postregistratiesysteem overgelegd waaruit blijkt dat in de registratie van de minister is opgenomen dat de brief op 8 oktober 2010 is aangemaakt en verzonden. De rechtbank is van oordeel dat het college de ontvangst van de brief van 8 oktober 2010 niet op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. De enkele ontkenning van de ontvangst van deze brief is hiervoor onvoldoende, aldus de rechtbank.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat hij de brief van 8 oktober 2010 heeft verzonden. Met de schermafdrukken wordt niet aannemelijk gemaakt dat de brief bij de postkamer van het ministerie terecht is gekomen en van daaruit is verzonden. In dit verband wijst het college op de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000189/1/H3, waarin is geoordeeld dat een bestuursorgaan niet aannemelijk heeft gemaakt dat een brief is verzonden naar een postadres. Ook in dit geval heeft op de postkamer geen registratie plaatsgevonden van de brief, aldus het college. Uit de enkele omstandigheid dat de brief is geadresseerd aan het juiste adres en een datumstempel van 8 oktober 2010 bevat, volgt volgens het college evenmin dat de brief daadwerkelijk is verzonden. Verder stelt het college dat de schermafdrukken de nodige vragen oproepen. Zo staat op de schermafdruk waarop het tabblad "Algemeen" is afgedrukt de datum "12-12-2010", wat doet vermoeden dat op die datum een wijziging in het postregistratiesysteem is aangebracht. Ook komt ten aanzien van het door het college verzonden bezwaarschrift de ingevulde datum in de kolom "Datum werkelijke" niet overeen met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen, aldus het college.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 mei 2011 in zaak nr. 201010777/1/V1) hanteren de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

2.4.2. De brief van 8 oktober 2010 waarin de minister het college vier weken uitstel heeft verleend voor het indienen van de gronden van zijn bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2010, is niet aangetekend verzonden.

Ter zitting bij de rechtbank en in de verweerschriften in beroep en hoger beroep heeft de minister verklaard dat de verzendprocedure bij het ministerie voor brieven verschillende handelingen inhoudt. De brief wordt door de afdeling Onderwijs Diensten Juridische zaken (hierna: ODJ) opgemaakt in de vorm van een minuut, die wordt omgezet in een netbrief. Beide brieven worden vervolgens naar de afdeling Shared Service Organisation (hierna: SSO) gebracht, welke afdeling de minuut stempelt voor ontvangst. Beide stukken worden daarna naar de postkamer gebracht waar de netbrief op dezelfde dag wordt gestempeld en verzonden. Van deze gestempelde netbrief wordt door de postkamer een kopie gemaakt. Na verzending registreert een medewerker van de afdeling SSO de verzenddatum in het postregistratiesysteem. Vervolgens wordt de kopie van de verzonden netbrief samen met de gestempelde minuut gearchiveerd in het bezwaardossier. Het postregistratiesysteem is zo ingericht dat de afdeling ODJ niet zelf de verzenddatum van het poststuk kan registreren.

Uit de overgelegde schermafdruk waarop het tabblad "Algemeen" is afgedrukt volgt onder meer dat de brief van 8 oktober 2010 op diezelfde datum is verzonden en geregistreerd. Op de kopie van de brief staat een stempel met de datum "8 okt. 2010". Voorts was de brief voorzien van de juiste adressering, die overeenkwam met de adressering op de schermafdruk waarop het tabblad "NAW" is afgedrukt.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt, dat de brief van 8 oktober 2010 is verzonden. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2010 kan het college niet baten nu in dit geval, zoals de minister onweersproken heeft gesteld, op de postkamer op de dag van verzending een stempel op de netbrief is geplaatst, waarna de kopie van de gestempelde netbrief door een medewerker van de afdeling SSO in het postregistratiesysteem is geregistreerd. In de overige door het college aangevoerde omstandigheden wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. Zoals de minister heeft verklaard ziet "periode afd. 12-12-2010" op de schermafdruk waarop het tabblad "Algemeen" is afgedrukt, op de datum waarop het bezwaarschrift uiterlijk had moeten worden afgehandeld. Ten aanzien van de op de schermafdrukken genoemde kolommen "Datum registratie"en "Datum werkelijke" heeft de minister toegelicht dat "Datum registratie" de dag is, waarop het poststuk is geregistreerd door de afdeling SSO. "Datum werkelijke" heeft betrekking op de datum waarop een uitgaand poststuk is verzonden en een aan het uitgaande poststuk gekoppeld ingekomen poststuk is afgehandeld. Anders dan het college ter zitting heeft gesteld, kan uit het ontbreken van een stempel van verzending op de bijlage bij het verweerschrift van 11 augustus 2011 niet worden afgeleid dat de brief van 8 oktober 2010 niet het gebouw van het ministerie heeft verlaten. Het betreft de minuut van de brief waarop een stempel van ontvangst door de afdeling SSO is gesteld, zodat de verzendprocedure in zoverre in acht is genomen.

2.5. Voorts betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het de ontvangst van de brief niet op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de overgelegde stukken met betrekking tot onregelmatige postbezorging door TNT Post (thans: Post NL) hiertoe onvoldoende zijn.

2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college de ontvangst van de brief van 8 oktober 2010 niet op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. De door het college overgelegde brieven heeft de rechtbank hiervoor terecht onvoldoende geacht. Hieruit kan niet worden afgeleid dat zich problemen hebben voorgedaan met de bezorging van poststukken op het adres van de gemachtigde van het college.

2.5.2. De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat de minister het door het college gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2010 op grond van artikel 6:6, gelezen in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012

97-591-195.