Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200904324/1/T1/A4 en 201004243/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het college het verzoek van Natuur en Milieu van 20 augustus 2007 als bedoeld in artikel 8.23 van de Wet milieubeheer met betrekking tot de op 19 december 1995 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BP Raffinaderij Nederland B.V. (hierna: BP) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 voor haar raffinaderij gelegen aan de d'Arcyweg 76 te Rozenburg, thans Rotterdam-Europoort, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904324/1/T1/A4 en 201004243/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 9 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: Natuur en Milieu), gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het college het verzoek van Natuur en Milieu van 20 augustus 2007 als bedoeld in artikel 8.23 van de Wet milieubeheer met betrekking tot de op 19 december 1995 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BP Raffinaderij Nederland B.V. (hierna: BP) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 voor haar raffinaderij gelegen aan de d'Arcyweg 76 te Rozenburg, thans Rotterdam-Europoort, afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2009, verzonden op diezelfde datum, heeft het college het door Natuur en Milieu hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Natuur en Milieu bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Natuur en Milieu, het college en BP hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2010, waar Natuur en Milieu, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door ir. M.S. de Koning-Van der Meulen, ir. W.J. Okkerse en ir. F.H.A. Strijk, bijgestaan door mr. B.J.M. Verras en mr C.C.M. van Neerven, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting BP, vertegenwoordigd door mr. E. Broeren, advocaat te Breda, als partij gehoord.

De beslissing in deze zaak is aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraken van 29 april 2009 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) over Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB 2001 L 309; ook wel: de NEC-richtlijn).

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft het college krachtens artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer drie voorschriften van de milieuvergunning van BP ingetrokken en drie andere voorschriften aan de vergunning verbonden. Dit besluit is op 25 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Natuur en Milieu bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Natuur en Milieu heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Natuur en Milieu en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 31 januari 2012, waar Natuur en Milieu, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Verras, ing. A.R. Jonkers en ing. H. Holtring, zijn verschenen. Voorts is ter zitting BP, vertegenwoordigd door H.A. Langeweg en ir. V.A.J. Smit, bijgestaan door mr. E. Broeren, advocaat te Breda, als partij gehoord

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Algemeen toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, kan op aanvraag van de vergunninghouder het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, onderscheidenlijk artikel 8.24, tweede lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 22.1a draagt het bevoegd gezag zorg ervoor dat vergunningen, verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren, voor zover die niet in overeenstemming zijn met de regels die voor 31 oktober 2007 ter uitvoering van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging bij of krachtens deze wet zijn gesteld, uiterlijk met ingang van die datum daarmee in overeenstemming zijn.

Beste beschikbare technieken

2.4. Zoals onder 2.3 is overwogen, moeten in de inrichting ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Locatiespecifieke omstandigheden kunnen vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ook hierbij komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Voor inrichtingen als hier aan de orde moet het bevoegd gezag bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken op grond van tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten, voor zover hier van belang, rekening houden met het 'Reference Document on Best Available Techniques for Mineral Oil and Gas Refineries' (hierna: het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen) en op grond van tabel 2 met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) en de Oplegnotitie bij het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen (hierna: de Oplegnotitie).

Beroepsgronden aangevoerd tegen beide besluiten

2.5. Natuur en Milieu heeft de beroepsgronden met betrekking tot de toepasselijkheid van de nationale emissieplafonds voor SO2 en NOx en het BREF Grote stookinstallaties ter zitting van 31 januari 2012 ingetrokken.

2.6. Ten aanzien van het betoog van Natuur en Milieu dat de milieudoelstellingen uit paragraaf 1.2 van het rapport: "Het milieu in de regio Rotterdam" van juni 2008 niet worden gehaald, heeft het college terecht gesteld dat dit een jaarlijkse rapportage over de ontwikkelingen van de milieukwaliteit in de Rijnmond betreft en niet een aangewezen BBT-document of een beleidsregel waarmee het college in het kader van het bestreden besluit rekening had moeten houden.

De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden tegen het besluit van 17 maart 2010

2.7. Bij besluit van 17 maart 2010 zijn in verband met het omschakelen van de verbrandingsinstallaties in de inrichting van oliestook op gasstook nieuwe voorschriften met betrekking tot de emissies van NOx en stof aan de vergunning verbonden.

2.8. Natuur en Milieu heeft de beroepsgrond dat ten onrechte niet is vastgelegd dat in de inrichting alleen op gas mag worden gestookt ter zitting van 31 januari 2012 ingetrokken.

2.9. Ten aanzien van het betoog van Natuur en Milieu dat vanwege de hoge stikstofdepositie op nabijgelegen beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden strengere eisen aan de emissie van NOx hadden moeten worden gesteld, overweegt de Afdeling als volgt. Beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden vallen onder de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998. Nu de beoordeling van de gevolgen van stikstofdepositie voor deze gebieden dient plaats te vinden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998, bestaat hiervoor geen ruimte in deze procedure.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Natuur en Milieu betoogt dat bij de bepaling van het emissieplafond voor NOx ten onrechte niet is uitgegaan van de onderkant van de volgens het BREF Aardolie- aardgasraffinaderijen met de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomende range.

2.10.1. Volgens de Oplegnotitie biedt dit BREF voor SO2 twee mogelijkheden voor de BBT-toets: BBT-toets per installatie en BBT-toets voor de gehele raffinaderij ofwel bubble-benadering. Deze twee mogelijkheden gelden blijkens het BREF en de NeR ook voor de emissie van NOx uit raffinaderijen.

De bubble-benadering resulteert in de vergunning in een concentratie-eis of in een emissieplafond voor de gehele raffinaderij. Voorwaarde hierbij is dat de concentratie-eis of het emissieplafond een afspiegeling is van het gebruik van BBT op de gehele raffinaderij. Volgens het BREF kan dit als volgt worden bepaald:

- Kwantificeer de SO2-emissie uit de verschillende bronnen op de raffinaderij.

- Toets de toepasbaarheid van de BBT-maatregelen uit het BREF voor elk van deze bronnen. Bij deze toets moet rekening worden gehouden met de technische kenmerken van de installatie, alsmede de kosten en baten van de beschouwde technieken. Tevens moet bij de toetsing rekening worden gehouden met de overige randvoorwaarden voor het SO2-beleid.

- Na uitvoering van de BBT-toets is voor elke bron de restemissie bekend.

- De som van de restemissies is de met BBT overeenkomende emissie voor de gehele raffinaderij. Het emissieplafond of de concentratie-eis kan hierop worden afgestemd.

2.10.2. Bij de toepassing van bovenstaande methode dient het college ten aanzien van alle onder de bubble gebrachte installaties te beoordelen wat de daarvoor ten minste in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn. Daarbij is niet bepaald dat niet de bovenkant van de daarmee overeenkomende BBT-ranges kan worden aangehouden.

De beroepsgrond faalt.

2.11. Natuur en Milieu betoogt dat de toegestane uitstoot van NOx niet in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Daartoe voert Natuur en Milieu aan dat de bubble niet op de juiste wijze is berekend en dat ten onrechte geen onderzoek naar de toepassing van SCR/SNCR is voorgeschreven.

2.11.1. Ingevolge het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 1 mag de uitworp aan stikstofoxiden uit de stookinstallaties van de gehele inrichting niet meer bedragen dan 1.858 ton/jaar.

2.11.2. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de uitstoot van NOx voor het geval waarbij alle bronnen juist binnen de in het BREF Aardolie- en aargasraffinaderij vermelde BBT-ranges zouden vallen 1.505 ton/jaar. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

Nu het bij voorschrift 1 toegestane emissieplafond voor NOx van 1.858 ton/jaar hoger ligt dan de som van de emissies van de onder de NOx-bubble gebrachte installaties heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd dat daarmee is voldaan aan de eis dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgrond slaagt. Het besluit van 17 maart 2010 voor zover het voorschrift 1 betreft is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college dient dit besluit alsnog afdoende te motiveren.

2.12. Natuur en Milieu betoogt dat de in voorschrift 2 gestelde stofnorm van 20 mg/Nm3 voor stookinstallaties te ruim is en dat voor bestaande stookinstallaties ten onrechte geen stofnorm is gesteld.

2.12.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: het Bees A) wordt verstaan onder stookinstallatie: technische eenheid, met inbegrip van de bij de eenheid behorende voorzieningen voor de reiniging van het rookgas, waarin brandstof wordt verstookt met als doel de warmte-inhoud ervan te benutten.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, wordt verstaan onder bestaande stookinstallatie: een stookinstallatie met betrekking waartoe voor 29 mei 1987 vergunning is verleend tenzij na dat tijdstip de stookinstallatie geheel is vervangen dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, de combinatie van brander- en vuurhaard door een andere is vervangen of aan die combinatie wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen.

Ingevolge artikel 13, vijfde lid, wordt een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:

a. 20 mg/m3 voor cokesovengas, oxygas dan wel mengsels van deze gassen met hoogovengas;

b. 10 mg/m3 voor hoogovengas, voor zover niet vermengd met cokesovengas of oxygas;

c. 5 mg/m3 voor andere dan de onder a en b bedoelde gasvormige brandstoffen.

Ingevolge artikel 14 is het bepaalde in §1 niet van toepassing op bestaande stookinstallaties. Artikel 13 maakt deel uit van §1.

Ingevolge artikel 17, vijfde lid, aanhef en onder a, wordt een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan 5 milligram per normaal kubieke meter als regel.

2.12.2. Ingevolge het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 2 mag de emissieconcentratie van stof afkomstig van een stookinstallatie, met uitzondering van de stookinstallaties geïnstalleerd na 1987, niet meer bedragen dan 20 mg/Nm3 als halfuurgemiddelde waarde, bepaald conform de meet-eisen in het BEES A en in de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A.

2.12.3. Zoals in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd is de norm voor de uitstoot van stof van artikel 13, vijfde lid, onder c, van het BEES A van 5 mg/m3 rechtstreeks van toepassing op stookinstallaties die geen bestaande stookinstallaties zijn. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om verdergaande voorschriften te stellen.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.4. Ten aanzien van de norm voor de uitstoot van stof vanwege bestaande stookinstallaties overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 17, vijfde lid, aanhef en onder a, van het BEES A (nota van toelichting, blz. 10; Stb. 2010, 32) impliceert de term "als regel" dat er omstandigheden zijn waaronder het bevoegd gezag van die grenswaarde mag afwijken, waarbij in elk geval gewaarborgd zal moeten zijn dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. In het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen wordt een emissiegrenswaarde voor stof bij gasstoken van 5-20 mg/Nm3 geadviseerd om de toepassing van de beste beschikbare technieken te garanderen. Afwijking van de grenswaarde van 5 mg/Nm3 kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien aan die eis in de praktijk niet kan worden voldaan, zoals bij gebruik van raffinaderijgas. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag, dat die afwijking ook zal moeten motiveren.

Volgens het deskundigenbericht wordt voor gasgestookte installaties in het algemeen een emissieniveau van 5 mg/Nm3 aangehouden.

Het college heeft vanwege recent gewijzigde inzichten over de mate van gasvorming bij gasstook, voor de gasturbines en de oudere gasgestookte procesfornuizen veiligheidshalve een stofnorm van 20 mg/Nm3 gehanteerd. Deze norm is gebaseerd op de aan de gestandaardiseerde emissiegegevens van de Nederlandse technische afspraak 8029 inzake de bepaling en registratie van industriële fijnstofemissies ontleende emissiefactor voor stof van 5 g/GJ bij conventionele verbranding van raffinaderijgas, hetgeen volgens het deskundigenbericht omgerekend neerkomt op een stofemissie van 18 mg/m3. Mede omdat deze emissiefactor onbetrouwbaar is, is in het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 3 voorgeschreven dat de stofemissie vanuit de installaties nader wordt onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek kunnen volgens het college aanleiding zijn om de stofnorm voor gasgestookte installaties aan te passen.

In aanmerking genomen dat de voor bestaande gasgestookte installaties gestelde stofnorm van 20 mg/Nm3 binnen de prestatierange van 5-20 mg/Nm3 voor energiesystemen uit het BREF ligt, dat het college deze stofnorm heeft gemotiveerd onder verwijzing naar recent gewijzigde inzichten en dat het college deze norm zal aanpassen voor zover het voorgeschreven onderzoek naar de werkelijke stofemissie daartoe aanleiding geeft, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze norm niet toereikend is.

De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden tegen het besluit van 29 mei 2009

2.13. Natuur en Milieu heeft haar beroepsgronden over de uitstoot van vluchtige organische stoffen onderscheidenlijk over de monitoring van procesemissies ter zitting van 31 januari 2012 ingetrokken.

2.14. Gelet op rechtsoverweging 2.7 heeft Natuur en Milieu geen belang meer bij de beoordeling van de afwijzing van haar verzoek om wijziging van de vergunning voor zover dit verzoek betrekking heeft op de aan de uitstoot van NOx en stof gestelde emissiegrenswaarden.

2.15. Natuur en Milieu betoogt dat de toegestane uitstoot van SO2 niet in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Daartoe voert Natuur en Milieu aan dat de zogenoemde bubble-benadering niet juist is toegepast en dat ten aanzien van de katalytische kraker ten onrechte geen verdergaande SO2-emissiereducerende maatregelen zijn voorgeschreven.

2.15.1. Bij besluit van 8 december 2006 is bepaald dat de uitworp van SO2 uit de gehele inrichting tot 1 januari 2010, afhankelijk van welke installaties in bedrijf zijn, niet meer mag bedragen dan 9.400 tot 12.900 ton per jaar.

Bij ditzelfde besluit is bepaald dat vanaf 1 januari 2010 de uitworp van SO2 uit de gehele inrichting niet meer mag bedragen dan 3.300 ton per jaar, bepaald als vierjarig voortschrijdend gemiddelde.

2.15.2. Voor zover deze beroepsgrond betrekking heeft op het emissieplafond voor SO2 tot 2010, overweegt de Afdeling dat Natuur en Milieu geen belang meer heeft bij de beoordeling hiervan, nu de periode waarop dit emissieplafond betrekking heeft, is verstreken.

2.15.3. Volgens het deskundigenbericht is sinds de overgang op 100% gasstook in 2004 de kraakinstallatie de belangrijkste SO2-bron. De daarbij toegepaste DeSOx maatregel met een verwijderingsrendement van 50% kan volgens het deskundigenbericht als BBT worden beschouwd. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Natuur en Milieu heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de katalytische kraker verdergaande SO2-emissiereducerende maatregelen hadden moeten worden voorgeschreven.

2.15.4. Zoals in rechtsoverweging 2.10.1 reeds is weergegeven, biedt volgens de Oplegnotitie het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen voor SO2 twee mogelijkheden voor de BBT-toets: BBT-toets per installatie en BBT-toets voor de gehele raffinaderij ofwel bubble-benadering. Het college heeft gekozen voor de bubble-benadering. De bubble-benadering resulteert volgens de Oplegnotitie in de vergunning in een concentratie-eis of in een emissieplafond voor de gehele raffinaderij. In de vergunning is een emissieplafond voor de gehele raffinaderij opgenomen. Voorwaarde hierbij is volgens de Oplegnotitie dat de concentratie-eis of het emissieplafond een afspiegeling is van het gebruik van BBT op de gehele raffinaderij.

2.15.5. Het college noemt een viertal door BP genomen maatregelen waardoor het emissieplafond voor SO2 volgens het college een afspiegeling is van het gebruik van BBT op de gehele raffinaderij: overschakeling van olie- naar gasstook, een zwavelterugwinningsrendement van meer dan 99,8%, implementatie van de DeSOx katalysator additieven in 2009 bij de katalytische kraakinstallatie en installatie van low NOx-branders.

2.15.6. Volgens het deskundigenbericht komt het voor de gehele inrichting geldende emissieplafond van 3.300 ton SO2 per jaar overeen met een emissieconcentratie van ongeveer 300 mg/m3.

In het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen is geen consensus bereikt over de BBT-range bij toepassing van de zogenoemde bubble-benadering. De voor BP geldende concentratiebubble ligt evenwel binnen de in het BREF genoemde ranges, in het bijzonder binnen de range van 100-600 mg/m3 die blijkens het BREF door Nederland is voorgesteld en vermeld staat in paragraaf 5.1 van dit BREF. Dit wordt in het deskundigenbericht bevestigd.

In zoverre is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college, rekening houdend met het BREF, niet van voornoemd SO2-plafond mocht uitgaan. Ook voor het overige bestaat daartoe geen aanleiding. Hetgeen Natuur en Milieu aanvoert, geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat het college haar verzoek om toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer in zoverre niet mocht afwijzen.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.16. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit van 17 maart 2010 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

Het college dient hiertoe met inachtneming van overweging 2.11.2 het besluit alsnog toereikend te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Indien een wijzigingsbesluit of een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

2.17. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 2.11.2:

1. het gebrek in het besluit van 17 maart 2010, kenmerk 21033592/223200, te herstellen door dat besluit alsnog toereikend te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Indien een wijzigingsbesluit of een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012

579.