Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200904322/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het college het verzoek van Natuur en Milieu als bedoeld in artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de op 16 juni 1993 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Esso Nederland B.V. (hierna: Esso) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 voor haar raffinaderij gelegen aan de Botlekweg 121 te Rotterdam-Botlek gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.23
Wet milieubeheer 22.1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/2742
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5065
JOM 2012/609
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904322/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 9 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: Natuur en Milieu), gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het college het verzoek van Natuur en Milieu als bedoeld in artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de op 16 juni 1993 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Esso Nederland B.V. (hierna: Esso) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 voor haar raffinaderij gelegen aan de Botlekweg 121 te Rotterdam-Botlek gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2009, verzonden op diezelfde datum, heeft het college het door Natuur en Milieu hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Natuur en Milieu bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Natuur en Milieu, het college en Esso hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Natuur en Milieu en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2010, waar Natuur en Milieu, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door ir. M.S. de Koning-Van der Meulen, ir. W.J. Okkerse en ir. F.H.A. Strijk, bijgestaan door mr. B.J.M. Verras en mr. C.C.M. van Neerven, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Esso, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

De beslissing in deze zaak is aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraken van 29 april 2009 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB 2001 L 309; ook wel: de NEC-richtlijn).

De Afdeling heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 31 januari 2012, waar Natuur en Milieu, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.C.M. van Neerven en ir. F.H.A. Strijk, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Esso, vertegenwoordigd door C. Duyvesteijn, bijgestaan door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. Het verzoek van Natuur en Milieu strekt ertoe dat het college met toepassing van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer in het licht van de op hem rustende verplichting ingevolge artikel 22.1a de vergunning voor de inrichting van Esso wijzigt teneinde ervoor zorg te dragen dat deze vergunning voldoet aan de in artikel 8.11, derde lid, gestelde eis dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.4. Natuur en Milieu heeft de beroepsgronden met betrekking tot de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS), monitoring, de toepasselijkheid van de nationale emissieplafonds voor SO2 en NOx en het BREF Grote stookinstallaties ter zitting van 31 januari 2012 ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.5. Het college betoogt dat gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de beroepsgrond van Natuur en Milieu dat de emissie van SO2 verder gereduceerd kan worden door gas te ontzwavelen niet-ontvankelijk is, omdat Natuur en Milieu niet ingaat op de weerlegging van haar zienswijze op dit punt.

2.5.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Het beroepsonderdeel over gasontzwaveling heeft betrekking op een besluitonderdeel waartegen bezwaar is gemaakt. Dat Natuur en Milieu daarbij niet op de reactie van het college op de door haar naar voren gebrachte zienswijze is ingegaan, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Algemeen toetsingskader

2.6. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

Ingevolge het derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 22.1a draagt het bevoegd gezag zorg ervoor dat vergunningen, verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren, voor zover die niet in overeenstemming zijn met de regels die voor 31 oktober 2007 ter uitvoering van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) bij of krachtens deze wet zijn gesteld, uiterlijk met ingang van die datum daarmee in overeenstemming zijn.

Beste beschikbare technieken

2.7. Zoals onder 2.6 is overwogen, moeten in de inrichting ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Locatiespecifieke omstandigheden kunnen vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ook hierbij komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Voor inrichtingen als hier aan de orde moet het bevoegd gezag bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken op grond van tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten, voor zover hier van belang, rekening houden met het 'Reference Document on Best Available Techniques for Mineral Oil and Gas Refineries' (hierna: het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen) en op grond van tabel 2 met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) en de Oplegnotitie bij het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen (hierna: de Oplegnotitie).

2.8. Ten aanzien van het betoog van Natuur en Milieu dat de milieudoelstellingen uit paragraaf 1.2 van het rapport: "Het milieu in de regio Rotterdam" van juni 2008 niet worden gehaald, heeft het college terecht gesteld dat dit een jaarlijkse rapportage over de ontwikkelingen van de milieukwaliteit in de Rijnmond betreft en niet een aangewezen BBT-document of een beleidsregel waarmee het college in het kader van het bestreden besluit rekening had moeten houden.

De beroepsgrond faalt.

Emissie van stof

2.9. Natuur en Milieu betoogt dat in de vergunning van Esso ten onrechte een emissie-eis voor stof ontbreekt.

2.9.1. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college overeenkomstig de aanvraag van Esso van 3 september 2009 als bedoeld in artikel 8.24 van de Wet milieubeheer aan de vergunning een voorschrift verbonden inhoudende een stofeis voor de grotere stookinstallaties. Dit besluit is inmiddels onherroepelijk geworden. Gelet hierop heeft Natuur en Milieu geen belang meer bij de beoordeling van deze beroepsgrond.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Emissie van zwaveldioxide (SO2)

2.10. Natuur en Milieu betoogt dat de toegestane uitstoot van SO2 niet in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Daartoe voert Natuur en Milieu aan dat de zogenoemde bubble-benadering niet juist is toegepast en dat ten onrechte de kosteneffectiviteit van SO2-emissiereducerende maatregelen bij de afweging is betrokken.

2.10.1. In voorschrift 2.7 van de vergunning van 16 juni 1993 is een emissieplafond voor SO2 van 4.400 ton per jaar opgenomen. Bij besluit van 19 april 2006 is dit plafond met ingang van 2010 verlaagd tot 2.700 ton als vierjaars voortschrijdend gemiddelde.

2.10.2. Voor zover deze beroepsgrond betrekking heeft op het emissieplafond voor SO2 tot 2010, overweegt de Afdeling dat Natuur en Milieu geen belang meer heeft bij de beoordeling hiervan, nu de periode waarop dit emissieplafond betrekking heeft, is verstreken.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.10.3. Blijkens het bestreden besluit is het college op basis van een door Esso opgesteld zogenoemd IPPC-informatiedocument van 29 mei 2007 nagegaan of de vergunning van Esso in overstemming is met de in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer neergelegde eis dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Bij de beoordeling van de vraag of het ingevolge de gewijzigde vergunning voor Esso geldende emissieplafond voor SO2 in overeenstemming is met de toepassing van de beste beschikbare technieken, heeft het college de in de Oplegnotitie beschreven methode gevolgd.

2.10.4. Volgens de Oplegnotitie biedt het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen voor SO2 twee mogelijkheden voor de BBT-toets: BBT-toets per installatie en BBT-toets voor de gehele raffinaderij ofwel bubble-benadering. De bubble-benadering resulteert in de vergunning in een concentratie-eis of in een emissieplafond voor de gehele raffinaderij. Voorwaarde hierbij is dat de concentratie-eis of het emissieplafond een afspiegeling is van het gebruik van BBT op de gehele raffinaderij. Volgens het BREF kan dit als volgt worden bepaald:

- Kwantificeer de SO2-emissie uit de verschillende bronnen op de raffinaderij.

- Toets de toepasbaarheid van de BBT-maatregelen uit het BREF voor elk van deze bronnen. Bij deze toets moet rekening worden gehouden met de technische kenmerken van de installatie, alsmede de kosten en baten van de beschouwde technieken. Tevens moet bij de toetsing rekening worden gehouden met de overige randvoorwaarden voor het SO2-beleid.

- Na uitvoering van de BBT-toets is voor elke bron de restemissie bekend.

- De som van de restemissies is de met BBT overeenkomende emissie voor de gehele raffinaderij. Het emissieplafond of de concentratie-eis kan hierop worden afgestemd.

2.10.5. Volgens bijlage 1 bij het besluit van 3 juli 2008 heeft het college bij de bepaling van het SO2-emissieplafond voor de hele inrichting de emissies van SO2 van de verschillende stookinstallaties per brandstofsoort samengevoegd. Aangezien voor de omvang van de emissie van SO2 de brandstofsoort bepalend is, is dit volgens het deskundigenbericht het meest voor de hand liggende uitgangspunt. Dit wordt door Natuur en Milieu niet betwist.

Volgens bedoelde bijlage bedroeg de SO2-emissie in de jaren 1999-2007, 3.100 ton inclusief fakkel. Na toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken resteert volgens deze bijlage een jaarlijkse SO2-emissie van 2.700 ton inclusief fakkel.

2.10.6. In het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen is de omzetting van COS in H2S als beste beschikbare techniek voor vercooksingprocessen vermeld.

2.10.7. Bij het bestreden besluit is overwogen dat toepassing van een COS-converter niet kosteneffectief is. De kosten voor de toepassing van een COS-converter bedragen volgens het college 7,8 €/kg SO2-reductie. Deze liggen daarmee hoger dan de in paragraaf 2.11.3 van de NeR voor SO2-reducerende maatregelen vermelde referentiewaarde van 2,3 €/kg.

2.10.8. Volgens paragraaf 2.1.5 van de NeR worden voor installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen, de maatregelen gebaseerd op de informatie in de BREFs. Bij het opstellen van de BREFs is ook de kosteneffectiviteit van de maatregelen beoordeeld. Er mag van uit worden gegaan dat de maatregelen die in de BREFs als BBT worden aangemerkt ook kosteneffectief zijn voor de installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen. Een afweging van de kosteneffectiviteit van maatregelen volgens de BREF is dan niet meer nodig.

Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:

1. Als er bij een bestaande installatie sprake is van bijzondere omstandigheden kunnen de kosten voor het treffen van BBT maatregelen toch een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit wenselijk maken.

2. Voor kleinere installaties die niet onder de IPPC-richtlijn vallen kunnen BBT-maatregelen volgens de BREFs relatief duur zijn. Een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit kan dan helderheid verschaffen.

2.10.9. In hoofdstuk 5 van het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen is over de kosteneffectiviteit van emissiereducerende maatregelen het volgende vermeld:

"Certain prevention techniques (e.g. replacing an alkylation process by another) that appear in the following sections may be very difficult to implement in existing installations. The reason is that the change from current practice to a more environmentally friendly technique has certain environmental and economic costs (e.g. decommissioning) which may outweigh the environmental and economic advantages of applying that technique. Thus, application is only justified in major rebuildings or changes and new installations. Existing installations may have factors such as space or height limitations that prevent full adoption of some of those techniques. A proper assessment can only be done at the local/site level." (p. 393)

2.10.10. Volgens zowel de NeR als het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen kan bij bestaande inrichtingen bij de toepassing van emissiereducerende technieken onder bepaalde omstandigheden een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit aangewezen zijn.

2.10.11. Het college stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot de toepassing van een COS-converter uitzondering 1 als bedoeld in paragraaf 2.1.5 van de NeR zich voordoet, zodat de kosten voor het treffen van BBT-maatregelen een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit wenselijk maken. Het betreft in dit geval een bestaande inrichting waar voldoende ruimte ontbreekt om de benodigde installaties op de daarvoor meest in aanmerking komende plaatsen te kunnen bouwen of zich ongunstige integratieaspecten voordoen die verband houden met de details van de procesvoering.

Volgens een notitie van DCMR van 14 oktober 2009 vormen de inbouwkosten van de COS-unit in de bestaande raffinaderij een groot deel (40%) van de totale kosten van de COS-unit. Het betoog van Natuur en Milieu dat inbouwkosten in dit verband buiten beschouwing moeten worden gelaten, nu voor de bubble-berekening ervan moet worden uitgegaan alsof een COS-converter is geplaatst faalt. Volgens de door het college toegepaste, in rechtsoverweging 2.12.5 beschreven methode ter bepaling van het maximale SO2-plafond moet bij de toets van de toepasbaarheid van de BBT-maatregelen uit het BREF rekening worden gehouden met de technische kenmerken van de installatie, alsmede met de kosten en baten van de beschouwde technieken.

Hetgeen Natuur en Milieu in zoverre heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die een beoordeling van de kosteneffectiviteit van de toepassing van een COS-converter wenselijk maken.

2.10.12. Het college heeft volgens Natuur en Milieu bij de kosteneffectiviteitsberekening van de toepassing van een COS-converter ten onrechte toepassing gegeven aan paragraaf 4.13 van de NeR in plaats van het 'Reference Document on Best Available Techniques on Economics and Cross-Media Effects' (hierna: het REF Cross media & Economics). In het bijzonder betoogt Natuur en Milieu in dit verband dat het college had moeten motiveren waarom bij deze kosteneffectiviteitsberekening van een rentepercentage van 10% en een afschrijvingsperiode van 10 jaar is uitgegaan. Volgens Natuur en Milieu dient volgens het REF Cross media & Economics een reëel rentepercentage te worden aangehouden waarvan de hoogte wordt gemotiveerd en geldt volgens de NeR voor bouwkundige elementen een afschrijvingsperiode van 25 jaar.

2.10.13. In subparagraaf 4.13.1.1 van de NeR is vermeld dat de essentie van de methodiek kosteneffectiviteit de standaardisatie van de berekening van kosten en effecten van milieumaatregelen is, onafhankelijk van de interne kosten die door het bedrijf zelf worden berekend. De methodiek is in eerste instantie ontwikkeld om kosteneffectiviteit te berekenen van 'nageschakelde' maatregelen voor bestrijding van VOS-, stof-, NOx- en SO2-emissies naar de lucht.

In subparagraaf 4.13.1.2 is vermeld dat in de methodiek kosteneffectiviteit is gekozen voor een vaste rentevoet van 10%, hetgeen een compromis is tussen de nominale kapitaalmarktrente en de interne rentevoet die door bedrijven wordt gehanteerd ('return on investment').

In subparagraaf 4.13.1.4 is vermeld dat in de methodiek voor het bouwkundig deel van de milieu-investering een afschrijvingstermijn van 25 jaar wordt gehanteerd, maar dat indien de bouwkundige investeringen installatiespecifiek zijn en moeten worden verwijderd als de apparatuur is afgeschreven en wordt ontmanteld, deze worden afgeschreven over 10 jaar.

2.10.14. Niet in geschil is dat de methodiek kosteneffectiviteit zoals beschreven in paragraaf 4.13 van de NeR in grote lijnen overeenkomt met de in paragraaf 4.3.1 van het REF Cross media & Economics beschreven methodiek. Hetgeen Natuur en Milieu heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom bij de kosteneffectiviteitsberekening van de toepassing van een COS-converter is uitgegaan van een rentepercentage van 10% en een afschrijvingsperiode van 10 jaar. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat deze getallen afkomstig zijn uit de NeR, dat de keuze voor deze getallen daarin is gemotiveerd en dat het college de schatting van de investeringskosten die zijn gemoeid met de toepassing van een COS-converter op grond van een rapportage van ingenieursbureau Jacobs van 27 november 2008 ten opzichte van de opgave door Esso naar beneden heeft bijgesteld.

Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toepassing van een COS-converter niet kosteneffectief is.

De beroepsgrond faalt.

Emissie van stikstofoxiden (NOx)

2.11. Natuur en Milieu betoogt dat de toegestane uitstoot van NOx niet in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Daartoe voert Natuur en Milieu aan dat de bubble-benadering niet juist is toegepast en dat ten onrechte de kosteneffectiviteit van NOx-emissiereducerende maatregelen bij de afweging is betrokken.

2.11.1. In vergunningvoorschrift 2.9 is bepaald dat de emissie van NOx voor de totale inrichting, uitgezonderd de aardgasmotoren bij de gekoelde LPG-opslag en de fakkels, niet meer mag bedragen dan:

142 kg/uur op jaargemiddelde basis indien LJG-gas beschikbaar is, 192 kg/uur op jaargemiddelde basis indien LJG-gas niet beschikbaar is.

2.11.2. Volgens het bestreden besluit is in vergunningvoorschrift 2.9 een plafond vastgesteld van 1.086 ton NOx per jaar, overeenkomend met een concentratie van 144 mg/m3 die binnen de BBT-range van 20-150 mg/m3 voor fornuizen en ketels valt. Volgens het college hoeft geen toets per installatie te worden uitgevoerd, nu de NOx-emissies bijna volledig door de emissies van de fornuizen en ketels wordt bepaald.

2.11.3. Volgens het verweerschrift volgt uit vergunningvoorschrift 2.9, anders dan in het bestreden besluit is aangenomen, een emissieplafond voor NOx van 1.243 ton per jaar, overeenkomend met een emissieconcentratie lager dan 165 mg/m3. Nu onder de bubble ook gasturbines zijn gebracht, waarmee een BBT-range van 20-225 mg/m3 overeenkomt, komt ook een emissieconcentratie van 165 mg/m3 volgens het college overeen met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Tevens valt deze emissieconcentratie binnen de door Nederland bij het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen ingebrachte prestatierange van 100-200 mg/m3, aldus het college.

2.11.4. Volgens het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen komt met de uitstoot van NOx uit gasturbines een prestatierange overeen van 20-75 mg/m3 bij een zuurstofpercentage van 15%.

Volgens de schriftelijke uiteenzetting van Esso van 17 november 2009 komt bij een zuurstofpercentage van 3%, zoals bij Esso het geval is, met de uitstoot van NOx uit gasturbines een prestatierange overeen van 60-225 mg/m3. In het deskundigenbericht wordt bevestigd dat in het BREF voor gasturbines een range van 60-225 mg/m3 is opgenomen.

Volgens het deskundigenbericht heeft het college, rekening houdend met 80% bijdrage van de procesfornuizen en 20% van de gasturbines, uit deze prestatieranges een gewogen gemiddelde BBT-bovenwaarde van 165 mg/m3 afgeleid. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

In aanmerking genomen dat voor de jaarlijkse uitstoot van NOx van 1.243 ton overeenkomt met een gemiddelde emissieconcentratie van 165 mg/m3, is er geen grond voor het oordeel dat de emissiegrenswaarde van 142 kg/uur in vergunningvoorschrift 2.9 niet in overeenstemming is met de in zoverre in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Daarbij dient de aantekening te worden gemaakt dat deze grenswaarde geldt voor zover LJG wordt gestookt. Uit bijlage 1 bij het besluit van 3 juli 2008 blijkt dat bij de bepaling van het emissieplafond voor SO2 ervan wordt uitgegaan dat ook High Joule Gas en Ultra High Joule Gas wordt gestookt. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.9 is voor het stoken van andere gassoorten dan LJG een hogere uitstoot van NOx toegestaan. Bij de beantwoording van de vraag of het door vergunningvoorschrift 2.9 toegestane emissieniveau voor NOx in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is met het stoken van andere gassoorten dan LJG geen rekening gehouden. Het college heeft dan ook niet toereikend gemotiveerd waarom het door vergunningvoorschrift 2.9 toegestane emissieniveau voor NOx bij het stoken van andere gassoorten dan LJG overeenkomt met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.11.5. Ten aanzien van het betoog van Natuur en Milieu dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat ter reductie van de uitstoot van NOx geen selectieve katalytische reductie (hierna: SCR) behoeft te worden toegepast, overweegt de Afdeling als volgt. In het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen is de toepassing van SCR vermeld als beste beschikbare techniek teneinde de NOx-uitstoot van fornuizen en ketels te reduceren tot het niveau van 20-150 mg/Nm3. Nu, zoals uit de voorgaande rechtsoverweging blijkt, het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de op grond van vergunningvoorschrift 2.9 toegestane NOx-uitstoot van alle installaties in de inrichting gezamenlijk overeenkomt met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken, heeft het college evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom de toepassing van SCR niet nodig is.

2.11.6. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit voor zover daarbij is geconcludeerd dat het door vergunningvoorschrift 2.9 toegestane emissieniveau voor NOx overeenkomt met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

Het college dient hiertoe met inachtneming van overwegingen 2.11.4 en 2.11.5 alsnog toereikend te motiveren waarom de emissienormen voor NOx in vergunningvoorschrift 2.9 toereikend zijn en een SCR niet behoeft te worden toegepast, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Indien een wijzigingsbesluit of een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

2.13. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverwegingen 2.11.4 en 2.11.5:

1. het gebrek in het besluit van 27 mei 2009, kenmerk 20892084/232500, te herstellen door dat besluit alsnog toereikend te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Indien een wijzigingsbesluit of een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012

579.