Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
201105647/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Venlo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105647/1/R1.

Datum uitspraak: 9 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Tegelen, gemeente Venlo,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

3. [appellante sub 3], wonend te Boekend, gemeente Venlo,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Belfeld, gemeente Venlo, en anderen,

5. [appellant sub 5], wonend te Venlo,

6. [appellante sub 6], wonend te Venlo,

7. [appellante sub 7], gevestigd te Venlo, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te Boekend, gemeente Venlo,

9. [appellant sub 9], wonend te Venlo,

10. [appellant sub 10], wonend te Venlo,

11. [appellant sub 11], wonend te Belfeld, gemeente Venlo,

12. [appellant sub 12], wonend te Tegelen, gemeente Venlo,

13. [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B], wonend te Belfeld, gemeente Venlo,

14. [appellant sub 14], wonend te Belfeld, gemeente Venlo,

15. de vereniging Vereniging Natuur Historisch Genootschap in Limburg, gevestigd te Maastricht,

16. [appellant sub 16A]en [appellant sub 16B], wonend te Venlo (hierna: in enkelvoud: [appellant sub 16]),

17. [appellante sub 17], gevestigd te Venlo,

18. [appellante sub 18], gevestigd te Venlo,

19. [appellant sub 19], wonend te Maastricht,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Venlo" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2011, [appellante sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2011, [appellante sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2011, [appellante sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, [appellante sub 7] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, [appellant sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2011, [appellanten sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2011, [appellant sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2011, Natuur Historisch Genootschap in Limburg, kring Venlo bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2011, [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2011, de [appellante sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2011, de [appellante sub 18] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2011, en [appellant sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2], [appellante sub 4] en anderen, [appellante sub 7] en anderen en [appellante sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellante sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, [appellante sub 6], vertegenwoordigd door J.G.D.J. Romeijn, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], vertegenwoordigd door mr. B. de Jong, [appellant sub 8], [appellant sub 16], vertegenwoordigd ing. J.B.M. Lauwerijssen, het Natuurhistorisch genootschap, vertegenwoordigd door J. Hoogveld, [appellant sub 14], vertegenwoordigd door mr. A.A.T. Stoffels, [appellanten sub 13], vertegenwoordigd door mr. B. de Jong, [appellant sub 12], bijgestaan door mr. L.A.J.M. Zomers, [appellante sub 7] en anderen, vertegenwoordigd door J.D.G.J. Romeijn, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door S.J.M.F. [appellant sub 5], [appellante sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en H.C.A. Willems, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het dagelijks bestuur van het waterschap Peel en Maasvallei, vertegenwoordigd door ing. B. de Louw, werkzaam bij het waterschap.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt één planologisch-juridisch kader te bieden voor het gehele buitengebied van Venlo.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] richt zicht tegen de bestemming "Bos" voor zover deze bestemming is toegekend aan zijn percelen aan de Oude Brachterweg, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie C, nr. 1649, 2466 en 5299. Hij stelt de percelen reeds sinds jaren te gebruiken voor het hobbymatig houden van paarden. Volgens hem is dit gebruik ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht en dient een positieve bestemming te worden toegekend. In dit verband wijst [appellant sub 1] erop dat binnen het plangebied elders nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Volgens hem hebben ambtenaren van de gemeente voorts de verwachting gewekt dat hij ter plaatse de paarden mocht houden.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het hobbymatig houden van paarden onder het voorgaande plan niet was toegelaten. Het onderhavige plan is grotendeels conserverend van aard, zodat de voorgaande bestemming is overgenomen.

2.2.2. Aan de percelen van [appellant sub 1] is de bestemming "Bos" toegekend. Gelet op artikel 8, lid 8.1, onder a, van de planregels is het hobbymatig houden van paarden op deze percelen niet toegelaten.

Onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de percelen de bestemming "Natuur- en bosgebied" toegekend. Gelet op artikel 7 van de voorschriften bij dat plan was onder het voorgaande plan het hobbymatig houden van paarden evenmin toegelaten. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toelaten van de door [appellant sub 1] gewenste activiteiten in planologisch opzicht als het toelaten van nieuwe ontwikkelingen dient te worden beschouwd. In het verweerschrift staat vermeld dat [appellant sub 1] is aangeschreven om het gebruik van de percelen voor het hobbymatig houden van paarden in januari 2011 te staken. Gelet op het vorenstaande is het gebruik gewraakt voor de inwerkingtreding van het bestreden besluit en niet onder het overgangsrecht gebracht.

2.2.3. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] ter plaatse vijftien paarden wenst te houden. De raad heeft uiteengezet dat het hobbymatig houden van paarden ter plaatse onwenselijk is gelet op het karakter van het gebied. Het betreft een gebied met de bestemmingen "Bos" en "Natuur", waarbinnen het hobbymatig houden van dieren niet passend is. Voorts heeft de raad erop gewezen dat in het buitengebied het uitgangspunt geldt dat terughoudend wordt omgegaan met het toelaten van nieuwe ontwikkelingen. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen ter plaatse het hobbymatig houden van paarden niet toe te laten.

2.2.4. Voor zover [appellant sub 1] heeft gewezen op volgens hem vergelijkbare situaties waar nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van zijn percelen mogelijk worden gemaakt, heeft de raad uiteengezet dat deze situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. In de gevallen waarin volgens [appellant sub 1] medewerking is verleend aan nieuwe ontwikkelingen gaat het volgens de raad om situaties waarin het gebruik onder het voorgaande plan onder het overgangsrecht viel of reeds als zodanig was bestemd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de hondenclubs waar [appellant sub 1] op heeft gewezen ter plaatse al sinds jaren aanwezig zijn en onder het voorgaande plan als zodanig waren bestemd. Voorts hebben deze hondenclubs volgens de raad een minder grote ruimtelijke uitstraling dan het hobbymatig houden van paarden. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 1] naar voren gebrachte situaties niet overeenkomen met de onderhavige situatie. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidbeginsel is vastgesteld.

2.2.5. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de raad. Verwachtingen die door ambtenaren mogelijk zijn gewekt, kunnen, wat hier verder ook van zij, er derhalve niet toe leiden dat de raad gehouden is het bestemmingsplan vast te stellen conform die verwachtingen. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan het hobbymatig houden van paarden ter plaatse zou toelaten. De raad heeft het besluit derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen.

2.2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.3. [appellant sub 12] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie C, nummer 1647, en betoogt dat de bestemmingsregeling ten onrechte niet voorziet in het hobbymatig houden van paarden. Volgens [appellant sub 12] heeft het houden van twee paarden ter plaatse een dermate geringe ruimtelijke uitstraling dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de omgeving. Volgens hem vindt het gebruik ter plaatse al meer dan 50 jaar plaats. Voorts betoogt [appellant sub 12] dat het plan op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. In dit verband wijst hij op twee hondenclubs in de nabijheid van zijn perceel.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het hobbymatig houden van paarden onder het voorgaande plan niet was toegelaten. Het onderhavige plan is grotendeels conserverend van aard, zodat de voorgaande bestemming is overgenomen.

2.3.2. Aan het perceel van [appellant sub 12] is de bestemming "Natuur" toegekend. Gelet op artikel 13, lid 13.1, van de planregels is het hobbymatig houden van paarden op deze percelen niet toegelaten.

Onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de percelen de bestemming "Natuur- en bosgebied" toegekend. Gelet op artikel 7 van de voorschriften bij dat plan was onder het voorgaande plan het hobbymatig houden van paarden evenmin toegelaten. In het verweerschrift staat vermeld dat [appellant sub 12] is aangeschreven om het gebruik van de percelen voor het hobbymatig houden van paarden in januari 2011 te staken. In de enkele niet onderbouwde stelling van [appellant sub 12] dat het houden van paarden reeds sinds 50 jaar ononderbroken plaatsvindt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het gebruik onder het overgangsrecht van het voorgaande plan viel, zodat het toelaten van het hobbymatig houden van paarden ter plaatse in planologisch opzicht een nieuwe ontwikkeling zou betekenen.

2.3.3. De raad heeft uiteengezet dat hobbymatig houden van paarden ter plaatse onwenselijk is gelet op het karakter van het gebied. Het betreft een gebied met de bestemmingen "Bos" en "Natuur", waarbinnen het hobbymatig houden van dieren niet passend is. Voorts heeft de raad erop gewezen dan binnen het buitengebied het uitgangspunt geldt dat terughoudend wordt omgegaan met het toelaten van nieuwe ontwikkelingen. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen ter plaatse het hobbymatig houden van paarden niet te toe te laten. Overigens heeft de raad er ter zitting op gewezen dat [appellant sub 12] een aanvraag kan doen voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.

2.3.4. Voor zover [appellant sub 12] heeft gewezen op de volgens hem vergelijkbare situaties waar nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, heeft de raad uiteengezet dat deze situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. In de gevallen waarin volgens [appellant sub 12] medewerking is verleend aan nieuwe ontwikkelingen gaat het volgens de raad om situaties waarin het gebruik onder het voorgaande plan onder het overgangsrecht viel of reeds als zodanig was bestemd. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 2.2.4 heeft de raad ter zitting toegelicht dat de hondenclubs in de omgeving ter plaatse al sinds jaren aanwezig zijn en onder het voorgaande plan als zodanig waren bestemd. Voorts hebben deze hondenclubs volgens de raad een minder grote ruimtelijke uitstraling dan het hobbymatig houden van paarden. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 12] naar voren gebrachte situaties niet overeenkomen met de onderhavige situatie. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidbeginsel is vastgesteld.

2.3.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt ter plaatse van haar percelen, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie K, nr. 2320 en nr. 9557, gebouwen op te richten. Dit betreft volgens [appellante sub 2] een beperking ten opzichte van het voorgaande plan. In dit verband voert zij aan dat ambtenaren van de gemeente bij aankoop van de gronden hebben toegezegd dat ter plaatse bebouwing kon worden gerealiseerd. Voorts is voor een rendabele exploitatie van de ter plaatse aanwezige natuurbegraafplaats volgens [appellante sub 2] een ontvangst-, ontmoetings-, en kantoorruimte noodzakelijk. Daarnaast voert [appellante sub 2] aan dat de raad ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL) en dat gelet hierop geen zorgvuldige afweging van de belangen heeft plaatsgevonden.

2.4.1. De raad heeft uiteengezet dat de percelen van [appellante sub 2] zijn gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Gelet hierop is de mogelijkheid tot het realiseren van bebouwing niet in het onderhavige plan opgenomen. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat foutieve informatieverstrekking door een ambtenaar niet kan leiden tot aanpassing van de bestemming.

2.4.2. Aan de percelen van [appellante sub 2] is de bestemming "Maatschappelijk" met de nadere aanduiding "begraafplaats" toegekend. Op de verbeelding is ter plaatse van de percelen geen bouwvlak opgenomen, zodat ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, onder a, van de planregels geen gebouwen mogen worden opgericht.

Onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Blerick" was aan de percelen de bestemming "Begraafplaats" toegekend. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de voorschriften bij dit plan mochten onder bepaalde voorwaarden ten dienste van deze bestemming gebouwen worden gebouwd. De mogelijkheid ter plaatse gebouwen te realiseren is in het onderhavige plan niet meer als zodanig bestemd.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat het perceel van [appellante sub 2] is gelegen binnen de EHS. Het provinciale beleid met betrekking tot de EHS is neergelegd in het POL. Volgens het POL is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS. Op grond van het POL geldt in deze gebieden het zogenoemde "nee, tenzij-beleid". De raad heeft dit beleid tot het zijne gemaakt.

De mogelijkheid tot het oprichten van gebouwen ter plaatse zoals deze was opgenomen in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Blerick" voldeed volgens de raad niet aan het beleid. Gelet hierop heeft de raad ervoor gekozen in het onderhavige plan ter plaatse niet langer bebouwing toe te laten. De bebouwing ten behoeve van de begraafplaats kan naar het oordeel van de raad in de nabijheid van het perceel buiten de EHS worden gerealiseerd. Voor zover [appellante sub 2] naar voren heeft gebracht dat de bebouwing ter plaatse onmisbaar is voor de bedrijfsvoering heeft de raad erop gewezen dat de begraafplaats ter plaatse al geruime tijd wordt geëxploiteerd zonder bebouwing op de percelen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen ter plaatse van de percelen van [appellante sub 2] geen bebouwing toe te laten.

2.4.3. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de raad. Verwachtingen die door deze ambtenaren mogelijk zijn gewekt, kunnen, wat hier verder ook van zij, er derhalve niet toe leiden dat de raad gehouden is het bestemmingsplan vast te stellen conform die verwachtingen. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan ter plaatse zou voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van bebouwing. De raad heeft het besluit derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen.

2.4.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.5. [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat voorziet in de omleiding van de Everlose beek. [appellante sub 3] voert aan dat de beekomleiding niet noodzakelijk is voor de verbetering van de natuurwaarden van het Koelbroek. Inmiddels is de flexibele regulatie van het waterpeil in het natuurgebied doorgevoerd en is de kwaliteit van het beekwater verbeterd. Voorts betoogt [appellante sub 3] dat het plan onvoldoende rekening houdt met de klimaatverandering, omdat er na omleiding van de beek minder mogelijkheden zijn voor de benodigde waterberging bij bijvoorbeeld extreme neerslag. Daarnaast voert [appellante sub 3] aan dat de beekomleiding wateroverlast tot gevolg zal hebben, omdat de beekloop op korte afstand van woningen zal komen te liggen. Tot slot vormt de beekomleiding volgens [appellante sub 3] een aantasting van de cultuurwaarden van de onvoltooide Noordervaart.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat noodzaak bestaat tot de beekomleiding, nu er nog steeds sprake is van verdroging van het Koelbroek. Voorts houdt het plan volgens de raad voldoende rekening met de klimaatverandering. Het waterbergingsvermogen zal volgens de raad juist toenemen. Daarnaast brengt de raad naar voren dat het tracé van de onvoltooide Noordervaart door de beekomleiding juist zal worden versterkt.

2.5.2. In de plantoelichting staat vermeld dat het Koelbroek een belangrijk vernat natuurgebied is en dat sprake is van ernstige verdroging en eutrofiëring van deze natte natuur. Door Oranjewoud is onderzoek verricht naar mogelijke maatregelen voor verbetering van de natuurwaarden. Eén van de maatregelen die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen, is het omleiden van de Everlose beek rond de Koelbroek. Ter zitting is namens het waterschap voorts uiteengezet dat de beek bovenstrooms door landbouwgebied loopt en dat derhalve sterk vervuild landbouwwater door het natuurgebied stroomt. Door omlegging van de beek kan dit vervuilde water op een andere wijze worden afgevoerd. Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat maatregelen die reeds door het waterschap zijn uitgevoerd voor verbetering van de natuurwaarden kunnen zorgen, heeft het waterschap uiteengezet dat de beekomlegging een onderdeel vormt van een geheel aan maatregelen, maar dat de omlegging de belangrijkste oplossing vormt om het probleem van eutrofiëring van het gebied te kunnen aanpakken. Dat er in het gebied meerdere verontreinigingsbronnen bestaan, neemt voorts niet weg dat met de omlegging van de onderhavige beek de waterkwaliteit in het natuurgebied sterk zal verbeteren, aldus het waterschap. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er noodzaak bestaat voor de beekomleiding.

2.5.3. In het verweerschrift staat voorts vermeld dat bij de keuze voor het beektracé rekening is gehouden met vier klimaatscenario's. Het waterbergend vermogen zal door het verleggen van de beek toenemen, doordat het watersysteem wordt uitgebreid met een nieuwe beekloop. Dit is een aanvulling op de totale waterberging in het stroomgebied, nu de oude beekomloop eveneens bruikbaar zal blijven voor waterberging bijvoorbeeld in geval van extreme neerslag. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat bij de beekomleiding onvoldoende rekening is gehouden met het waterbergend vermogen.

2.5.4. Bij het vaststellen van de afmetingen van het nieuwe profiel is als uitgangspunt gehanteerd dat afhankelijk van de hoogte van het maaiveld 12 tot 14,5 meter beschikbaar dient te zijn, zo staat in de plantoelichting vermeld. In de Nota zienswijzen staat voorts vermeld dat de beek dermate ruim zal worden gedimensioneerd dat wateroverlast in Boekend is uitgesloten. Ter zitting is namens het waterschap uiteengezet dat de beek weliswaar dichterbij woningen in Boekend zal komen te liggen, maar dat bij een incidentele grote overstroming, gelet op de hoogteverdeling in het gebied, het water in de richting van de oude beekloop zal stromen. Uit de door het waterschap ter zitting getoonde hoogtekaart volgt dat de woningen die zijn gelegen tussen de nieuwe en de oude beekloop, waaronder de woning van [appellante sub 3], dermate hoog liggen dat ook bij een incidentele overstroming geen sprake zal zijn van wateroverlast. [appellante sub 3] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Voor zover [appellante sub 3] heeft betoogd dat in het gebied reeds sprake is van wateroverlast door verstopt geraakte duikers, heeft het waterschap uiteengezet dat dit incidenteel voorkomt, maar dat verstopping met technische maatregelen kan worden voorkomen. Gelet op het vorenstaade heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beekomleiding niet zal leiden tot een toename van de wateroverlast.

2.5.5. In de plantoelichting staat voorts vermeld dat de Everlose beek bovenstrooms eveneens voor een groot deel in het tracé van de onvoltooide Noordervaart is gelegen. Gelet hierop ligt het volgens de plantoelichting in de rede de omleiding eveneens in dit tracé te leggen. De lijn van het tracé van de onvoltooide Noordervaart blijft daarmee behouden en wordt beter zichtbaar. Voorts zal het tracé wanneer daardoor een beek stroomt meer als onvoltooide vaart worden beleefd dan wanneer deze droogstaat, zo staat in de plantoelichting vermeld. Voor zover [appellante sub 3] heeft betoogd dat de onvoltooide Noordervaart is aangewezen als Rijksmonument, heeft de raad erop gewezen dat bij besluit van 7 mei 2001 een monumentenvergunning is verleend voor de beekomlegging. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de beekomlegging de cultuurwaarden van onvoltooide Noordervaart zal aantasten.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4] en anderen

2.7. [appellante sub 4] en anderen richten zich tegen het persoonsgebonden overgangsrecht dat is opgenomen voor de op het perceel aan de [locatie 1] aanwezige horecagelegenheid. Volgens [appellante sub 4] en anderen is het persoonsgebonden overgangsrecht in strijd met een motie die op 24 november 2010 door de raad is aangenomen. Voorts betogen [appellante sub 4] en anderen dat hen een beroep op het algemene overgangsrecht toekomt, zodat het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht volgens hen overbodig is. Tot slot voeren [appellante sub 4] en anderen aan dat hun belangen onevenredig zijn geschaad door het niet als zodanig bestemmen van de horecagelegenheid. Rendabele exploitatie van het kampeerterrein zonder een horecagelegenheid is niet mogelijk, aldus [appellante sub 4] en anderen.

2.7.1. De raad heeft uiteengezet dat hij met de vaststelling van het plan de gekozen systematiek van persoonsgebonden overgangsrecht heeft geaccepteerd als voldoende uitwerking van de motie.

2.7.2. Aan het perceel aan de [locatie 1] is de aanduiding "specifieke vorm van horeca- persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Ingevolge artikel 39, lid 39.3, onder b, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca- persoonsgebonden overgangsrecht" het gebruik van het aanwezige horecabedrijf voor niet ondergeschikte horeca in de vorm van feesten en partijen toegestaan, met dien verstande dat de bevoegdheid daartoe is beperkt tot de persoon die op het moment van inwerkingtreding van het plan als exploitant van het horecabedrijf staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van koophandel en in het bezit is van de vergunning volgens artikel 3 van de Drank- en Horecawet.

2.7.3. Wat er ook zij van het betoog van [appellante sub 4] en anderen dat het niet ondergeschikte gebruik van de horecagelegenheid voor feesten en partijen onder het algemene overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 81" viel, dit rechtvaardigt naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer een bestemming overeenkomstig het feitelijke gebruik van de horecagelegenheid. Evenmin rechtvaardigt dit, anders dan [appellante sub 4] en anderen kennelijk veronderstellen, dat het gebruik nogmaals onder het algemene overgangsrecht zou moeten worden gebracht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in zijn algemeenheid niet wenselijk moet worden geacht gebruik tweemaal onder het algemene overgangsrecht te brengen.

Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat, gelet op de omstandigheid dat het niet ondergeschikte gebruik van de horecagelegenheid voor feesten en partijen al geruime tijd plaatsvindt, ervoor is gekozen een specifieke persoonsgebonden regeling in het plan op te nemen. Omdat de raad dit gebruik op de lange termijn ter plaatse niet wenselijk acht, is er niet voor gekozen het niet ondergeschikte gebruik van het horecabedrijf voor feesten en partijen als zodanig te bestemmen. In dit verband wijst de raad erop dat het perceel is gelegen binnen de EHS. Nu het volgens de raad voorts niet aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd is de persoonsgebonden regeling opgenomen.

2.7.4. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 4] en anderen dat de raad het plan niet overeenkomstig de op 24 november 2010 door de raad aangenomen motie, waarin de raad het college van burgemeester en wethouders opdraagt een voorstel te doen de bestemming te wijzigen in uitgebreide horeca, dan wel gebruik te maken van de bevoegdheid van het bestemmingsplan af te wijken, overweegt de Afdeling dat een dergelijke motie alsmede de vraag of een motie naar behoren is uitgevoerd alleen van betekenis is in de verhouding tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders. Voorts heeft de raad uiteengezet dat met het opnemen van het persoonsgebonden overgangsrecht voldoende gehoor is gegeven aan de motie, nu een regeling ten aanzien van het gebruik in het plan is opgenomen. Gelet op de ligging van het perceel in de EHS acht de raad het niet wenselijk het gebruik als zodanig te bestemmen. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van de motie van 24 november 2010 was gehouden het niet ondergeschikte gebruik van de horecagelegenheid voor feesten en partijen als zodanig te bestemmen.

2.7.5. Voor zover [appellante sub 4] en anderen aanvoeren dat de exploitatie van het kampeerterrein zonder het niet ondergeschikte gebruik van de horecagelegenheid voor feesten en partijen niet rendabel is, overweegt de Afdeling dat dit gebruik op grond van het plan door [appellante sub 4] en anderen zonder meer kan worden voortgezet. In de enkele stelling van [appellante sub 4] en anderen omtrent een rendabele exploitatie ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen ten aanzien van het gebruik.

2.7.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 4] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 4] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.8. [appellant sub 11] heeft de beroepsgrond dat een aantal bijgebouwen en een parkeerplaats op haar perceel onjuist op de verbeelding zijn weergegeven ter zitting ingetrokken.

2.8.1. [appellant sub 11] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor het perceel aan de [locatie 2]. Zij wenst dat het plan eveneens de mogelijkheid biedt het perceel uitsluitend te gebruiken voor wonen, zonder horeca. Volgens [appellant sub 11] is het plan op dit punt in strijd met de door haar en de gemeente gesloten vaststellingsovereenkomst.

2.8.2. Aan het perceel aan de [locatie 2] is de bestemming "Horeca" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van horeca- hotel restaurant" toegekend. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor een hotel en een restaurant. Ingevolge lid 11.1, onder i, zijn de gronden tevens bestemd voor wonen ten dienste van een horecabedrijf. Niet in geschil is dat de gemeente Venlo in 2006 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met [appellant sub 11] waarin is opgenomen dat bij een planwijziging ter plaatse van het perceel aan de [locatie 2] eveneens wonen zonder horeca zou worden toegelaten.

De nakoming van de tussen [appellant sub 11] en de gemeente Venlo gesloten overeenkomst is een element dat een rol dient te spelen bij de door de raad te maken belangenafweging. Dit laat evenwel onverlet dat de raad bij de vaststelling van het plan na afweging van de betrokken belangen tot een andere uitkomst kan komen. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat [appellant sub 11] afspraken die in de vaststellingsovereenkomst zijn gemaakt niet is nagekomen. Gelet hierop acht de de raad de gemeente niet langer gebonden aan de overeenkomst. Voorts heeft de raad erop gewezen dat in het buitengebied als uitgangspunt geldt dat terughoudend wordt omgegaan met het toelaten van nieuwe burgerwoningen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen geen zelfstandige woonbestemming toe te kennen aan het perceel aan de [locatie 2].

2.9. [appellant sub 11] richt zich voorts tegen het in artikel 39, lid 39.3, onder b, van de planregels opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht, voor zover dat geldt voor het park Maasduinen aan de [locatie 1]. Zij betoogt dat de ter plaatse op grond van het persoonsgebonden overgangsrecht toegelaten horeca haar woon- en leefklimaat aantast. In dit verband wijst [appellant sub 11] erop dat geen onderzoeken hebben plaatsgevonden naar de gevolgen van de horeca-activiteiten voor onder meer overlast door verkeer en parkeren. Voorts heeft volgens [appellant sub 11] ten onrechte geen akoestisch onderzoek plaatsgevonden.

2.9.1. De raad heeft, gelet op de omstandigheid dat de horeca-activiteiten ter plaatse al geruime tijd plaatsvinden, deze activiteiten onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 11] niet zal worden aangetast.

2.9.2. Aan het perceel aan de [locatie 1] is de aanduiding "specifieke vorm van horeca- persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Ingevolge artikel 39, lid 39.3, onder b, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca- persoonsgebonden overgangsrecht" het gebruik van het aanwezige horecabedrijf voor niet ondergeschikte horeca in de vorm van feesten en partijen toegestaan, met dien verstande dat de bevoegdheid daartoe is beperkt tot de persoon die op het moment van inwerkingtreding van het plan als exploitant van het horecabedrijf staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van koophandel en in het bezit is van de vergunning volgens artikel 3 van de Drank- en Horecawet.

Het perceel van [appellant sub 11] ligt op een afstand van ruim 300 m van het perceel aan de [locatie 1]. Gelet op deze afstand en de aard van de toegelaten activiteiten acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast door het gebruik. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het perceel van [appellant sub 11] eveneens een horecabestemming is toegekend en dat aan een dienstwoning bij een horecabedrijf een andere bescherming toekomt dan aan een burgerwoning. Voorts acht de Afdeling van belang dat het persoonsgebonden overgangsrecht naar zijn aard tijdelijk is. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat nader onderzoek diende te worden verricht naar de effecten van het gebruik.

2.9.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.10. [appellant sub 5] betoogt dat zijn woning ter plaatse van het perceel aan de [locatie 3] door de raad ten onrechte is aangeduid als bedrijfswoning en dat een woonbestemming aan het perceel dient te worden toegekend. Hiertoe voert hij aan dat de woning, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, niet is opgericht als bedrijfswoning bij het tuinbouwbedrijf op het naastgelegen perceel. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat het aanduiden van de woning als burgerwoning niet beperkend is voor het naastgelegen tuinbouwbedrijf, omdat de bedrijfsvoering van dit bedrijf reeds is beëindigd. Tevens voert [appellant sub 5] aan dat zijn woning voldoet aan de criteria voor de omzetting naar een burgerwoning zoals opgenomen in het gemeentelijk beleid. Het plan is op dit punt volgens hem voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld, omdat aan een aantal woningen in een vergelijkbare situatie wel een woonbestemming is toegekend. Voorts gaat de gemeente er volgens [appellant sub 5] bij het vaststellen van de waarde op grond van de Wet waarde onroerende zaken (hierna: WOZ) voor de woning vanuit dat het een burgerwoning betreft.

2.10.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de woning ten onrechte niet is aangemerkt als burgerwoning en dat aan het perceel aan de [locatie 3] derhalve ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Ter zitting heeft de raad dit standpunt bevestigd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 6]

2.11. [appellante sub 6] betoogt dat het gebruik van het perceel aan de [locatie 4] ten onrechte niet in het plan is opgenomen. Hiertoe voert zij aan dat de aanduiding "glastuinbouw" die aan het perceel is toegekend niet overeenkomstig de feitelijke situatie is. Daarnaast is deze aanduiding niet langer uitvoerbaar, omdat op het perceel geen volwaardig bedrijf kan worden gerealiseerd. [appellante sub 6] voert voorts aan dat het perceel reeds sinds 1996 wordt gebruikt voor het stallen van caravans en dat niet aannemelijk is dat dit gebruik, gelet op de aan haar verleende gedoogbeschikking, binnen de planperiode zal eindigen. In het plangebied wordt volgens haar voorts op meerdere locaties voor het buitengebied afwijkend gebruik toegelaten. In dit verband verwijst Oirbans- van Nieuwenborg naar een tuincentrum aan de Expediteursweg.

2.11.1. De raad heeft uiteengezet dat het beleid zoals verwoord in de Keuzenotitie buitengebied Venlo (hierna: de Keuzenotitie) met zich brengt dat functiewijziging van tuinbouwkassen niet kan worden toegestaan.

2.11.2. Aan het perceel aan de [locatie 4] is de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "glastuinbouw" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf.

In 2005 heeft de raad de Keuzenotitie vastgesteld. Hierin is het gemeentelijk beleid met betrekking tot het buitengebied neergelegd. In de Keuzenotitie is onder meer het VAB-beleid opgenomen. Als uitgangspunt geldt dat hergebruik van vrijgekomen agrarische bebouwing in het buitengebied mogelijk is in de zones 1, 2 en 5. Het perceel van [appellante sub 6] is gelegen in het glastuinbouwconcentratiegebied. Een dergelijk gebied is in de Keuzenotitie aangeduid als zone 3, zodat het VAB-beleid niet op het perceel van toepassing is. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat binnen een glastuinbouwconcentratiegebied geen medewerking wordt verleend aan functiewijziging van tuinbouwkassen, onder meer om verrommeling van het buitengebied ter plaatse te voorkomen. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

2.11.3. Ten aanzien van het betoog dat ter plaatse van het perceel geen volwaardig glastuinbouwbedrijf kan worden gestart, omdat sprake is van te weinig lichtinval, heeft de raad ter zitting uiteengezet dat weliswaar sprake is van enige schaduwwerking op het perceel in verband met een naastgelegen loods, maar dat dit niet betekent dat ter plaatse geen volwaardig glastuinbouwbedrijf kan worden geëxploiteerd. In dit verband wijst de raad op de mogelijkheid tot het gebruik van lampen of het telen van gewassen die minder lichtgevoelig zijn. [appellante sub 6] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Voorts heeft de raad erop gewezen dat ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 3, van de planregels de mogelijkheid bestaat de thans op het perceel aanwezige kassen te verhogen.

2.11.4. Voor zover [appellante sub 6] heeft gewezen op de volgens haar vergelijkbare situatie van het tuincentrum aan de Expediteursweg, heeft de raad uiteengezet dat deze situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Ten aanzien van tuincentra geldt volgens de raad apart beleid op grond waarvan binnen de gemeente Venlo medewerking wordt verleend aan de functiewijziging van een aantal bedrijven naar tuincentra. Voorts acht de raad een tuincentrum ter plaatse aanvaardbaar, omdat de aard van de bedrijfsvoering dichterbij de oorspronkelijke functie van de kassen ligt en de kassen nog deels worden gebruikt voor de teelt van gewassen. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellante sub 6] naar voren gebrachte situatie niet overeenkomt met de onderhavige situatie. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

2.11.5. Ter zitting is voorts gebleken dat aan [appellante sub 6] een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend voor een aantal jaren. Volgens de raad is evenwel aannemelijk dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, omdat de raad, indien noodzakelijk, na het verstrijken van de termijn, die is opgenomen in de gedoogbeschikking, zal overgaan tot handhaving. Gelet hierop acht de Afdeling het aannemelijk dat het gebruik van de kassen voor een caravanstalling binnen de planperiode zal worden beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dan ook in redelijkheid kunnen besluiten het gebruik van de kassen voor een caravanstalling niet planologisch mogelijk te maken. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat, anders dan [appellante sub 6] kennelijk veronderstelt, de omstandigheid dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend, niet met zich brengt dat de bedrijfsactiviteiten in planologische zin dienen te worden toegelaten.

2.12. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 7] en anderen

2.13. Het beroep voor zover dat is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-autosloperij" en de plangrens, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep, voor zover dat is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-autosloperij" en de plangrens, is niet-ontvankelijk.

2.14. Ten aanzien van het betoog van de raad dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op de wens ter plaatse van de percelen kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie B, nr. 2460 en 2450 twee bedrijfswoningen te realiseren eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze beroepsgrond niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 7] en anderen zich in de zienswijze reeds hebben gericht tegen de bestemmingsregeling voor de voornoemde percelen. Gelet hierop is het beroep in zoverre ontvankelijk.

2.15. [appellante sub 7] en anderen betogen voorts dat ten onrechte de bestemming "Bos" is toegekend aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie B, nr. 2460 en 2450. Hiertoe voeren zij aan dat de gronden al sinds geruime tijd worden gebruikt als parkeergelegenheid. De bestemming "Bos" is derhalve niet overeenkomstig de feitelijke situatie. [appellante sub 7] en anderen wensen ter plaatse van de percelen twee bedrijfswoningen met kantoor en een showroom te realiseren.

2.15.1. De raad heeft uiteengezet dat in het buitengebied terughoudend wordt omgegaan met nieuwe ontwikkelingen.

2.15.2. Aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie B, nr. 2460 en 2450 is de bestemming "Bos" toegekend. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor het beschermen en in stand houden van bos.

Onder het voorgaande bestemmingsplan "Uitwerkingsplan in hoofdzaken" was aan de percelen de bestemming "Agrarisch" toegekend. De raad heeft ter zitting aan de hand van een luchtfoto uiteengezet dat op het grootste gedeelte van de percelen bomen en bossages aanwezig zijn, zodat de bestemming in overeenstemming met de feitelijke situatie kan worden geacht. Voor zover [appellante sub 7] en anderen erop hebben gewezen dat de percelen worden gebruikt ten behoeve van parkeren heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat dit gebruik illegaal is. De raad wenst geen planologische medewerking te verlenen aan het gebruik, nu binnen het buitengebied het uitgangspunt geldt dat terughoudend wordt omgegaan met het toelaten van nieuwe ontwikkelingen en landschappelijke waarden zo veel mogelijk worden behouden.

De wens van [appellante sub 7] en anderen om ter plaatse twee bedrijfswoningen met kantoor en een showroom te realiseren hebben zij in de procedure eerst in het beroepschrift kenbaar gemaakt. Deze wens was derhalve bij de vaststelling van het plan niet kenbaar voor de raad, zodat hij daar in de belangenafweging geen rekening mee kon houden.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 7] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Bos" heeft kunnen toekennen aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie B, nr. 2460 en 2450.

2.16. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 7] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 7] en anderen is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.17. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met artikel 29, lid 29.2, onder 1, sub c, van de planregels, voor zover dat van toepassing is op zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie K, nummers 8418, 9140 en 9141. Volgens hem vormt het aanlegvergunningenstelsel voor het opplanten, omzetten van grasland naar bouwland, en het omzetten van grasland naar boomteelt binnen de bestemming "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden. Voorts betoogt hij dat ter plaatse van zijn perceel geen beschermenswaardige waarden aanwezig zijn, nu er ter plaatse geen grasland aanwezig is.

2.17.1. De raad heeft uiteengezet dat het aanlegvergunningenstelsel is opgenomen ter bescherming van de in de nabijheid van het perceel gelegen hydrologisch gevoelige natuur.

2.17.2. Aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie K, nummers 8418, 9140 en 9141 zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en de dubbelbestemming "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor hydrologisch gevoelige natuur, de bescherming en het behoud van de op en/of in de gronden voorkomende natuurwaarden en de bescherming en instandhouding van de op en/of in deze gronden voorkomende ecologische waarden.

Ingevolge lid 29.2, onder 1, aanhef en sub c, is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: opplanten, omzetten van grasland naar bouwland en het omzetten van grasland naar boomteelt.

In het verweerschrift staat vermeld dat het aanlegvergunningenstelsel is opgenomen ter bescherming van de hydrologisch gevoelige natuur in de omgeving van het perceel van [appellant sub 8]. Het perceel is gelegen in de nabijheid van het natuurgebied Koelbroek. Anders dan [appellant sub 8] kennelijk veronderstelt, is het doel van het in lid 29.2, onder 1, aanhef en sub c, van de planregels opgenomen aanlegvergunningenstelsel derhalve niet het beschermen van ter plaatse aanwezig grasland. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het aanlegvergunningenstelsel voor het perceel van [appellant sub 8].

Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het aanlegvergunningenstelsel dermate beperkend is dat de raad hieraan in redelijkheid een groter gewicht diende toe te kennen dan aan de te beschermen natuurwaarden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het aanlegvergunningenstelsel niet met zich brengt dat de agrarische activiteiten ter plaatse niet langer kunnen worden uitgevoerd. Daarbij geldt ingevolge artikel 29, lid 29.2, onder 2, sub a, van de planregels het verbod zoals opgenomen in artikel 29, lid 29.2, onder 1, niet voor het uitvoeren van werkzaamheden die niet dieper gaan dan -0,4 m beneden maaiveld.

2.17.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.18. [appellant sub 9] betoogt dat het bouwvlak op zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 41, onjuist op de verbeelding is weergegeven. In dit verband voert hij aan dat het op grond van het plan niet mogelijk is teeltondersteunende voorzieningen zoals een overwinteringstunnel te realiseren. Voorts kan volgens [appellant sub 9] een gedeelte van het bouwvlak niet worden bebouwd, omdat er een ondergrondse leiding over het perceel loopt.

2.18.1. De raad heeft uiteengezet dat het plan voldoende ruimte biedt ter plaatse het grondgebonden bedrijf uit te oefenen.

2.18.2. Aan het perceel kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 41, is de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-grondgebonden bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4 lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een grondgebonden bedrijf.

Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder 5, mogen binnen deze bestemming bouwwerken geen gebouw zijnde tot een hoogte van maximaal 12 meter worden gebouwd. De bouwwerken geen gebouw zijnde kunnen buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat het bouwvlak overeenkomstig de feitelijke situatie is vastgesteld en dat daarbij voorts, volgens het uitgangspunt dat in het buitengebied van Venlo wordt gehanteerd, is uitgegaan van ongeveer 10% uitbreidingsmogelijkheden. De containervelden zijn volgens de raad het belangrijkste onderdeel van de bedrijfsvoering en behoeven niet binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Het bouwvlak biedt volgens de raad voorts voldoende ruimte voor het realiseren van overwinteringsvoorzieningen in de vorm van folietunnels. Volgens de raad is voorts niet gebleken van concrete uitbreidingsplannen die aanleiding zou moeten geven tot aanpassing van het bouwvlak. Voor zover [appellant sub 9] heeft aangevoerd dat het bouwvlak gedeeltelijk is gelegen op een perceel dat niet in zijn eigendom is, overweegt de Afdeling dat de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen voor gronden. Privaatrechtelijke verhoudingen spelen hierbij in beginsel geen rol, tenzij deze verhoudingen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. In het onderhavige geval is hiervan niet gebleken.

Ten aanzien van het betoog dat een deel van het bouwvlak niet kan worden bebouwd, omdat er een leiding door zijn perceel loopt, overweegt de Afdeling als volgt. Aan een gedeelte van het perceel van [appellant sub 9] is de aanduiding "veiligheidszone leiding" toegekend. Ingevolge artikel 34, lid 34.5, van de planregels geldt ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone leiding" een plaatsgebonden risicocontour van 10-6. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l, onder a, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt onder kwetsbaar object verstaan woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b. Anders dan [appellant sub 9] kennelijk veronderstelt, staat het plan er niet aan in de weg op de gronden binnen het bouwvlak waaraan de aanduiding "veiligheidszone leiding" is toegekend teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van een folietunnel te realiseren.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen kiezen voor de situering van het bouwvlak zoals opgenomen in het plan.

2.18.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.19. [appellant sub 10] betoogt dat de woning ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 44 ten onrechte niet als burgerwoning is aangemerkt. In dit verband voert zij aan dat het bedrijf dat ter plaatse aanwezig was reeds in 1998 is beëindigd. Voorts voert [appellant sub 10] aan dat de gemeente er bij de vaststelling van de waarde van haar woning op grond van de WOZ vanuit gaat dat het een burgerwoning betreft.

2.19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een scheiding tussen de woning en het agrarisch bedrijf.

2.19.2. Aan het perceel kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 44, is de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-grondgebonden bedrijf" toegekend. Voorts is de aanduiding "bedrijfswoning" aan het perceel toegekend. Onder het voorgaande bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdlijnen" was de woning eveneens aangemerkt als bedrijfswoning.

In de Keuzenotitie staat als uitgangspunt vermeld dat in het buitengebied in beginsel geen medewerking wordt verleend aan het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Reden hiervoor is dat het verlenen van medewerking aan een omzetting een toename van bebouwing in het buitengebied zou betekenen. Daarnaast vormen nieuwe burgerwoningen mogelijk een milieuhygiënische belemmering voor omliggende bedrijven. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

Er wordt uitsluitend medewerking verleend aan de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning indien aantoonbaar is dat niet langer sprake is van een ruimtelijke, fysieke of financiële binding met een bestaand bedrijf en de woning geen beperking oplevert voor bestaande bedrijven.

2.19.3. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat de woning oorspronkelijk is opgericht als bedrijfswoning bij het grondgebonden bedrijf ter plaatse dat thans is beëindigd. Inmiddels is er volgens de raad een ruimtelijke en fysieke binding tussen de woning en het grondgebonden bedrijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 41, dat nu in eigendom is van [appellant sub 9]. Het bedrijf is ontsloten langs het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie U, nummer 44 en voorts is er volgens de raad samenhang doordat de woning en het bedrijf in ruimtelijke zin één geheel vormen. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze binding niet aanwezig is.

Ten aanzien van het betoog omtrent de WOZ overweegt de Afdeling dat [appellant sub 10] aan de omstandigheid dat bij de berekening van de waarde van haar woning de woning is aangemerkt als burgerwoning, wat hier ook van zij, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat de woning bij de procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan als burgerwoning wordt aangemerkt. De waardevaststelling in het kader van de WOZ is immers niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het kader van een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel van [appellant sub 10].

2.19.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 13]

2.20. [appellanten sub 13] betogen dat aan hun perceel aan de [locatie 5] ten onrechte de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" is toegekend. Volgens hen dient aan het perceel een woonbestemming te worden toegekend. In dit verband voeren zij aan dat ter plaatse sinds 2005 geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Voorts betogen zij dat de agrarische bestemming voor het perceel in strijd is met het beleid inzake de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning.

2.20.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning is opgericht als bedrijfswoning en dat nog steeds sprake is van een fysieke binding tussen de woning en de bedrijfsbebouwing.

2.20.2. Aan het perceel aan de [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "glastuinbouw" toegekend. Voorts is ter plaatse een bedrijfswoning toegelaten. Het perceel is gelegen in een glastuinbouwconcentratiegebied.

Zoals hiervoor reeds overwogen hanteert de raad het uitgangspunt dat uitsluitend medewerking wordt verleend aan de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning indien aantoonbaar is dat niet langer sprake is van een ruimtelijke, fysieke of financiële binding met een bestaand bedrijf en de woning geen beperking oplevert voor bestaande bedrijven. Voorts dient te worden voldaan aan de afstandseisen van het Besluit glastuinbouw.

Ten aanzien van een glastuinbouwconcentratiegebied hanteert de raad het uitgangspunt dat gezien het feit dat een dergelijk gebied ruimtelijk-fysiek is ingericht ten behoeve van de hoofdfunctie glastuinbouw, er te allen tijde sprake is van een ruimtelijke fysieke binding tussen de woning en een glastuinbouwbedrijf en wordt geen medewerking verleend aan nieuwe ontwikkelingen. Dat ter plaatse van het perceel thans geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden, maakt derhalve niet dat geen sprake meer is van een fysieke binding. Daarnaast vormt een extra burgerwoning in het gebied volgens de raad een belemmering voor de omliggende bedrijven. In hetgeen [appellanten sub 13] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is. Gelet op het vorenstaande heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel aan de [locatie 5].

2.21. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 13] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellanten sub 13] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.22. [appellant sub 14] richt zich tegen de bestemming "Agrarisch met waarden", met de nadere gebiedsaanduiding "ecologische hoofdstructuur" voor zover deze is toegekend aan het perceel dat is gelegen ten zuiden van het perceel aan de [locatie 6]. Hij betoogt dat de bestemmingsregeling voor het perceel het gebruik van het perceel voor grondgebonden teelt ten onrechte onmogelijk maakt, nu de gronden ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder d, van de planregels uitsluitend bestemd zijn voor de ecologische hoofdstructuur. Gelet hierop stelt hij onevenredig in zijn gebruiksmogelijkheden te worden beperkt. [appellant sub 14] wijst er in dit verband voorts op dat in de plantoelichting staat vermeld dat grondgebonden landbouw in zogenoemde perspectief-2-gebieden, waarbinnen het perceel volgens hem is gelegen, door de raad niet wenselijk wordt geacht.

2.22.1. De raad heeft uiteengezet dat het perceel is gelegen in de EHS. Gelet hierop is aan het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden" met de nadere gebiedaanduiding "ecologische hoofdstructuur" toegekend. Dit betekent volgens de raad niet dat ter plaatse geen agrarisch gebruik meer mogelijk is.

2.22.2. Aan het perceel ten zuiden van het perceel aan de [locatie 6] is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de nadere gebiedsaanduiding "ecologische hoofdstructuur" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a en j van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik en instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid 6.1, aanhef en onder d, zijn gronden binnen deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" bestemd voor de ecologische hoofdstructuur.

De Afdeling leest de voornoemde planregels zo dat de aan de gronden toegekende bestemmingen elkaar niet uitsluiten en dat deze functies derhalve naast elkaar mogelijk zijn. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd.

Het gebruik van het perceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf past derhalve binnen de bestemmingsregeling. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 14] door de bestemmingsregeling niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan de plantoelichting geen bindende werking toekomt. Zoals hiervoor overwogen kan het gebruik voor grondgebonden landbouw ingevolge de planregels worden voortgezet. Hetgeen hieromtrent in de plantoelichting is opgenomen maakt dit niet anders.

2.23. [appellant sub 14] richt zich voorts tegen de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 37, lid 37.1, onder e, van de planregels. Volgens [appellant sub 14] is met deze wijzigingsbevoegdheid geen reëel doel gediend, omdat [appellant sub 14] niet voornemens is zijn bedrijf ter plaatse te beëindigen. Hij vreest door de wijzigingsbevoegdheid in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt.

2.23.1. Ingevolge artikel 37, lid 37,1, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gronden met de nadere aanduiding "ecologische hoofdstructuur" op de verbeelding te wijzigen in de bestemming "Bos" of "Natuur" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

- de agrarische bedrijvigheid is of zal worden beëindigd;

- natuurontwikkeling zal plaatsvinden.

De Afdeling stelt voorop dat het een algemene wijzigingsbevoegdheid betreft die niet specifiek aan het perceel van [appellant sub 14] is toegekend. Dat deze wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen, betekent niet dat hiervan ten aanzien van het perceel van [appellant sub 14] ook gebruik zal worden gemaakt. Bovendien kan de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend worden toegepast indien de agrarische bedrijvigheid ter plaatse wordt beëindigd. Nu, zoals reeds overwogen onder 2.22.2 de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 14] als zodanig zijn bestemd, kan de raad een beëindiging van de bedrijfsactiviteiten op grond van het plan niet afdwingen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 14] door de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 37, lid 37,1, aanhef en onder e, van de planregels onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

2.24. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

Het beroep van het Natuurhistorisch genootschap

2.25. De raad betoogt dat het Natuurhistorisch genootschap, gelet op haar ruime doelstelling, niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.

2.25.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.25.2. Ingevolge artikel 3 van de Statuten stelt de vereniging zich ten doel: de beoefening van de biologische en geologische wetenschappen te bevorderen, alsmede natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden te beschermen.

Ter zitting heeft het Natuurhistorisch genootschap toegelicht dat haar werkgebied is beperkt tot de provincie Limburg, hetgeen ook volgt uit de volledige naam van de vereniging. Het plangebied valt derhalve in haar werkgebied. Voorts heeft het Natuurhistorisch genootschap ter zitting toegelicht verschillende feitelijke werkzaamheden uit te voeren. Zo verricht zij onder meer natuuronderzoek, organiseert zij studie- en werkgroepen en voert zij overleg met bestuurders.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het Natuurhistorisch genootschap, gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden, een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft.

2.26. Het Natuurhistorisch genootschap betoogt dat de natuur- en landschapswaarden onvoldoende in kaart zijn gebracht. De beschrijvingen zijn volgens haar onvolledig en vaag. Voorts is de verhouding tussen de Waardenkaart en de verbeelding bij het plan onduidelijk. In dit verband voert het Natuurhistorisch genootschap tevens aan dat onduidelijk is op welke gegevens de Waardenkaart Natuur is gebaseerd en dat onvoldoende aandacht is voor natuurwaarden buiten het natuur- en bosgebied.

2.26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de natuurwaarden voldoende in beeld zijn gebracht. Indien de waarden specifieke bescherming behoeven, zijn deze op de verbeelding opgenomen.

2.26.2. In de Keuzenotitie staat vermeld dat de bestaande waarden worden beschermd door deze op te nemen op de Waardenkaart. Er is een rechtstreekse koppeling tussen de Waardenkaart en het bestemmingsplan met inbegrip van de planregels, zo vermeldt de Keuzenotitie. De Waardenkaart is volgens de Keuzenotitie onder meer gebaseerd op het POL, de stimuleringsplannen natuur, bos en landschap en de natuur- en landschapsplannen. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat daar waar de natuurwaarden aanleiding geven voor specifieke bescherming deze op de verbeelding zijn weergegeven. Ten aanzien van de waarden binnen het natuur- en bosgebied staat voorts in de Nota zienswijzen vermeld dat de gronden ook als zodanig zijn bestemd. Indien in het landelijk gebied te beschermen waarden aanwezig zijn, is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Voorts is in artikel 37, lid 37, onder e, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan bestemmingen kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Natuur" of "Bos". In hetgeen het Natuurhistorisch genootschap heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de Waardenkaart Natuur. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de natuurwaarden in het plan onvoldoende bescherming hebben gekregen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Natuurhistorisch genootschap niet nader heeft geconcretiseerd ten aanzien van welke locaties de Waardenkaart volgens haar onjuist is.

2.26.3. Voorts betoogt het Natuurhistorisch genootschap dat een aantal gebieden met hydrologisch gevoelige natuur ten onrechte niet op de Waardenkaart Water is opgenomen. In dit verband wijst het Natuurhistorisch genootschap onder meer op de Romeinenwaard, de Tangkoel en de Wilde Benden. Tevens zou binnen de bestemming "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" het graven en dempen van sloten niet mogen worden toegelaten.

2.26.4. De raad heeft uiteengezet dat met de Waardenkaart Water aansluiting is gezocht bij de hydrologische bufferzone zoals opgenomen in het POL en dat bij de vaststelling van de Waardenkaart Water daarnaast een afweging is gemaakt op perceelsniveau. Op de Waardenkaart Water zijn verschillende hydrologische waarden opgenomen. Op de kaart zijn naast de hydrologisch gevoelige natuur eveneens de infiltratiegebieden en bufferzones opgenomen. Aan de waardevolle hydrologische natuur is in het plan de bestemming "Waarde-hydrologische gevoelige natuur" toegekend. In de enkele stelling van het Natuurhistorisch genootschap dat een aantal gebieden in het buitengebied ten onrechte niet op de Waardenkaart Water is opgenomen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de Waardenkaart Water niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Ingevolge artikel 29, lid 29.2, onder 1, van de planregels is het voorts verboden binnen de bestemming "Waarde-Hydrologische gevoelige natuur" zonder omgevingsvergunning sloten te dempen en te graven. In hetgeen het Natuurhistorisch genootschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit aanlegvergunningenstelsel onvoldoende bescherming biedt aan de ter plaatse aanwezige waarden.

2.27. Volgens het Natuurhistorisch genootschap zijn de historische en visueel landschappelijke waarden voorts ten onrechte niet in het plan beschermd.

2.27.1. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat er bij het opstellen van de Keuzenotitie voor is gekozen drie waardenkaarten vast te stellen. Voor landschap en cultuurhistorie is geen aparte kaart opgenomen. Voorts staat in de Nota zienswijzen vermeld dat de landschappelijke en cultuurhistorische gebieden en gebouwen door de daaraan toegekende bestemmingen zo veel mogelijk zijn beschermd en gerespecteerd. De enkele omstandigheid dat bepaalde waarden niet in de waardenkaart zijn opgenomen, betekent niet dat in het plan aan deze waarden geen enkele bescherming toekomt. In hetgeen het Natuurhistorisch genootschap heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden onvoldoende zijn beschermd.

2.28. Het Natuurhistorisch genootschap voert tevens aan dat binnen de bestemmingen "Natuur" en "Bos" ten onrechte slechts een omgevingsvergunning is vereist in geval van een aanduiding of dubbelbestemming.

2.28.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.4, onder 13, en artikel 13, lid 13.5, onder 1, van de planregels is het verboden op of in de gronden met de bestemmingen "Natuur" en "Bos", met uitzondering van gronden binnen het bouwvlak, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bepaalde werken en werkzaamheden te verrichten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebieden, te weten bufferzone verdroging, hoogterras, middelhoge en hoge archeologische verwachting, steilrand en struwelen. Voor ieder gebied is een aantal werkzaamheden aangewezen dat niet zonder omgevingsvergunning kan worden verricht. De raad heeft uiteengezet dat het zonder meer opnemen van een verbod op alle werken en werkzaamheden op of in gronden binnen de bestemming "Bos" en de bestemming "Natuur" beperkingen oplegt, zonder dat daartoe ten aanzien van alle gronden een noodzaak bestaat. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voor alle gronden met de bestemmingen "Natuur" en "Bos" zonder meer een aanlegvergunningstelsel is vereist.

2.29. Het Natuurhistorisch genootschap voert daarnaast aan dat een aantal gronden waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend als natuurgebied dienen te worden aangemerkt in het plan. Voorts is aan een aantal gronden ten onrechte de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan deze gronden dient volgens haar de bestemming "Agrarisch met waarden" te worden toegekend.

2.29.1. In de enkele stelling van het Natuurhistorisch genootschap dat de verschillende gronden binnen het plangebied dienen te worden aangemerkt als "Natuur" ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de gronden niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft kunnen toekennen. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de door het Natuurhistorisch genootschap bedoelde gronden niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" in plaats van "Agrarisch met waarden" heeft kunnen toekennen. De raad heeft uiteengezet dat op deze gronden sprake is van gevestigde rechten waaraan niet zonder meer voorbij kan worden gegaan. Voorts heeft het Natuurhistorisch genootschap niet nader geconcretiseerd op welke specifieke gronden het betoog betrekking heeft.

2.30. Tot slot betoogt het Natuurhistorisch genootschap dat het wenselijk is langs de omlegging van de Everlose beek bos aan te leggen, nu de beek grotendeels door bebost gebied loopt. Om dit te realiseren dient volgens haar een wijzigingsbevoegdheid te worden opgenomen op grond waarvan bebossing aan de oevers van de beek mogelijk wordt gemaakt.

2.30.1. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat het plan niet in de weg staat aan de realisering van bebossing aan de oevers van de omleiding van de Everlose beek. Het Natuurhistorisch genootschap heeft dit niet bestreden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen noodzaak bestaat tot het opnemen van een door het Natuurhistorisch genootschap bedoelde wijzigingsbevoegdheid in het plan.

2.31. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen het Natuurhistorisch genootschap heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van het Natuurhistorisch genootschap is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

2.32. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.32.1. [appellant sub 16] richt zich tegen artikel 4, lid 4.7, onder 6, van de planregels. Ingevolge artikel 4, lid 4.7, onder 6, van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de aanduiding "glastuinbouw" te wijzigen in de aanduiding "grondgebonden bedrijf" indien de gronden zijn gelegen binnen de zone "robuuste landbouw en natuur", "grondgebonden landbouw" en "ecologische hoofdstructuur".

Vaststaat dat het perceel van [appellant sub 16] niet is gelegen in één van de genoemde zones. Anders dan [appellant sub 16] kennelijk veronderstelt, is de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.7, onder 6, van de planregels derhalve niet van toepassing op zijn perceel. Evenmin is de wijzigingsbevoegdheid van toepassing op de percelen in de nabijheid van het perceel van [appellant sub 16]. Verder heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat hij een objectief en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks door de wijzigingsbevoegdheid zou worden geraakt. Gelet hierop kan [appellant sub 16] in zoverre niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt, zodat hij aan artikel 8.2 van de Wro geen recht tot het instellen van beroep kan ontlenen. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen artikel 4, lid 4.7, onder 6, van de planregels.

2.32.2. [appellant sub 16] betoogt voorts dat aan zijn perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "glastuinbouw" is toegekend. In dit verband wijst hij erop dat de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf inmiddels is beëindigd.

2.32.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beleid zoals verwoord in de Keuzenotitie met zich brengt dat functiewijziging van tuinbouwkassen niet kan worden toegestaan.

2.32.4. Aan het perceel aan de [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "glastuinbouw" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf. Het perceel is gelegen binnen het glastuinbouwconcentratiegebied. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 2.11.2 geldt als uitgangspunt dat binnen een glastuinbouwconcentratiegebied geen medewerking wordt verleend aan functiewijziging van tuinbouwkassen, onder meer om verrommeling van het buitengebied ter plaatse te voorkomen. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval van dit uitgangspunt diende af te wijken.

2.32.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen het heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 16] is ongegrond.

Het beroep van de [appellante sub 17] en het beroep van de [appellante sub 18]

2.33. De [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] betogen dat in het plan de in de brieven van 23 maart 2004 en 19 december 2003 gedane toezeggingen niet zijn nagekomen. Ten onrechte is in het plan aan de aangrenzende gronden van de percelen aan de [locatie 8] en de [locatie 9] de bestemming "Bos" toegekend.

2.33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende gevolg is gegeven aan de brieven waar de [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] naar verwijzen.

2.33.2. In de door de [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] bedoelde brieven staat vermeld dat de bosaanplant over een strook van 10, 15 en 20 m vanaf de percelen aan de [locatie 8] en de [locatie 9] zal worden verwijderd en vrij zal blijven van boomvormers. Verder staat in de brief vermeld dat dit in een bestemmingsplan zal worden opgenomen. Niet in geschil is dat de raad heeft beoogd rekening te houden met hetgeen in de brieven staat vermeld. De raad heeft gelet op deze brieven aan de percelen naast de percelen aan de [locatie 8] en de [locatie 9] de bestemming "Natuur" toegekend. Ter zitting heeft de raad voorts uiteengezet dat deze gronden in eigendom zijn van de gemeente en dat door het plegen van voldoende onderhoud de afspraken zullen worden nagekomen. Het plan biedt hier naar het oordeel van de Afdeling voldoende ruimte toe. In hetgeen de [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gevolg is gegeven aan de gemaakte afspraken.

2.33.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van de [appellante sub 17] en de [appellante sub 18] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.33.4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 19] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 19] is niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

2.34. Ten aanzien van [appellant sub 5] dient de raad op na te vermelde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 19], [appellante sub 7] en anderen, voor zover dat betrekking heeft op de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-autosloperij" en de plangrens, en [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], voor zover dat betrekking heeft op artikel 4, lid 4.7, onder 6, van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 5] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Venlo van 30 maart 2011, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel dat ziet op het perceel aan de [locatie 3];

IV. verklaart de beroepen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4] en anderen, [appellante sub 6], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B], [appellant sub 14], de vereniging Natuur Historisch Genootschap in Limburg, kring Venlo, [appellante sub 17] en [appellante sub 18] geheel, en de beroepen van [appellante sub 7] en anderen en [appellant sub 16A]en [appellant sub 16B] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Venlo tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 254,86 (zegge: tweehonderdvierenvijftig euro en zesentachtig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Venlo aan [appellant sub 5] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012

575.