Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW5241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
201201653/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vaanpark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201653/2/R4.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster] en andere, alle gevestigd te Barendrecht,

en

de raad van de gemeente Barendrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vaanpark" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2012, hebben [verzoekster] en andere de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2012, waar [verzoekster] en andere, vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [gemachtigde] en ir. A.J. Pikaar, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.L. Scheppink en drs. J.P. van den Berg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekster] en andere voeren aan dat in de publicatie van de terinzagelegging van het plan niet is vermeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld.

2.2.1. Het plan is vastgesteld op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge deze wet vindt publicatie plaats na de vaststelling van het appellabele besluit tot gewijzigde vaststelling van het plan. Gelet hierop heeft het betoog van [verzoekster] en andere betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na het bestreden besluit. Reeds om die reden kan deze mogelijke onregelmatigheid geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit. De voorzitter ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Het beroep van [verzoekster] en andere is gericht tegen artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels.

[verzoekster] en andere voeren aan dat ten onrechte het bestaande gebruik, namelijk het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi-inrichting), niet als zodanig is bestemd. Volgens [verzoekster] en andere heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom Bevi-inrichtingen niet langer zijn toegestaan in het plangebied. In dit kader betogen zij dat hun inrichting ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, aangezien niet vaststaat dat binnen de planperiode de inrichting kan worden verplaatst naar een andere locatie. Zij twijfelen voorts aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan op dit punt, nu onduidelijk is of de voor de verplaatsing van de inrichting benodigde financiële middelen beschikbaar zijn.

2.3.1. De raad bestrijdt dat het bestaande legale gebruik van het perceel niet als zodanig is bestemd. Daartoe brengt de raad naar voren dat nooit een milieuvergunning is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een Bevi-inrichting op deze locatie. De vestiging van de inrichting van [verzoekster] en andere op deze locatie is volgens de raad destijds met behulp van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening mogelijk gemaakt. Ten tijde van de oprichting van deze inrichting viel het bedrijf onder de reikwijdte van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, dat later is vervangen door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, aldus de raad. In het plan worden dezelfde planologische mogelijkheden aan de inrichting toegekend als die destijds mogelijk zijn gemaakt met de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Onder dit bestaande legale gebruik valt niet het in werking hebben van een Bevi-inrichting, aldus de raad. Pas bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting van 28 november 2011 is voor het eerst vergunning aangevraagd voor het in werking hebben van een Bevi-inrichting op deze locatie. De raad stelt in dat kader dat de situatie ter plaatse niet in overeenstemming is met de ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi) in acht te nemen afstandsnormen tussen de inrichting en de in het plan voorziene (beperkt) kwetsbare objecten, zoals de turnhal en de geprojecteerde kantoren op de aangrenzende percelen. Het is om die reden dan ook niet mogelijk in het betreffende plangebied een Bevi-inrichting toe te staan, aldus de raad.

2.3.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bevi, voor zover hier van belang, wordt onder beperkt kwetsbaar object verstaan: kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m (lees: l), onder c vallen, kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m (lees l), onder d, vallen en sporthallen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, voor zover hier van belang, wordt onder kwetsbaar object verstaan: gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1500 m2 per object.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Bevi, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarden genoemd in artikel 8, eerste lid, in acht.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, voor zover hier van belang, houdt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid op grond waarvan de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 8, tweede lid.

Ingevolge artikel 5, derde lid, voor zover van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid, de bij Regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot kwetsbare objecten in acht en houdt bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het tweede lid, rekening met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot beperkt kwetsbare objecten, indien dat besluit betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, geeft de gemeenteraad geen toepassing aan artikel 3.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor zover het bestemmingsplan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toelaat ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de grenswaarde of de afstanden als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk onvoldoende rekening wordt gehouden met de richtwaarde of de afstanden, bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is de grenswaarde voor kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt vastgesteld 10-6 per jaar.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, is de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt vastgesteld 10-6 per jaar.

2.3.3. Het plan voorziet voor het perceel waar de inrichtingen van [verzoekster] en andere zijn gevestigd in de bestemming "Bedrijf".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor Bedrijf aangewezen gronden bestemd voor groothandelsbedrijven, perifere detailhandel en bedrijven die genoemd worden in de categorieën 1 tot en met 3 van de in bijlage 2 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel die daarin niet worden genoemd, maar naar hun aard daarmee gelijk zijn te stellen, met dien verstande dat Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan.

2.3.4. Ter zitting is naar voren gebracht dat de nabij de inrichting van [verzoekster] en andere gelegen turnhal, zijnde een beperkt kwetsbaar object, reeds is gerealiseerd. Het plan maakt het verder mogelijk om (beperkt) kwetsbare objecten - kantoorgebouwen en bedrijfsgebouwen - te realiseren op een afstand van minder dan 20 meter van de inrichtingen van [verzoekster] en andere.

2.3.5. De raad heeft het perceel van [verzoekster] en andere bestemd overeenkomstig het huidige legale gebruik. Gelet hierop ziet de voorzitter op voorhand onvoldoende aanleiding om [verzoekster] en andere te volgen in hun betoog dat hun inrichting niet als zodanig is bestemd en dat het plan economisch niet uitvoerbaar zou zijn.

2.3.6. Voorts is niet in geschil dat [verzoekster] en andere niet beschikken over een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van hun inrichting. Dat zij feitelijk, zoals zij zelf aanvoeren, al langere tijd onder de reikwijdte van het Bevi vallen en daarom al langere tijd een omgevingsvergunning nodig hebben, maakt niet dat de raad in dit geval de inrichting ook overeenkomstig dit illegale huidige gebruik had moeten bestemmen. Het door de raad ingenomen standpunt dat als het gaat om een Bevi-inrichting niet voldaan kan worden aan de in het Bevi in samenhang gelezen met het Revi genoemde afstandsnormen, komt de voorzitter, gelet op de mogelijkheid om op korte afstand van de inrichting van [verzoekster] en andere (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren, voorshands niet onjuist voor. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.7. De raad heeft voorts ter zitting verklaard dat hij, voor zover de inrichting van [verzoekster] en andere in werking is zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning, hangende de bodemprocedure niet tot handhavend optreden jegens [verzoekster] en andere zal overgaan.

2.4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

590.