Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201101856/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van een inrichting voor de opslag en stalling van materialen, afvalstoffen en materieel, het uitvoeren van klein onderhoud aan het materieel, het wassen en het aftanken van het materieel, het maximaal vier keer per jaar breken van puin en diverse kantoorwerkzaamheden, maar die vergunning geweigerd vanaf 1 februari 2015 voor het perceel kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie T, nr. 587, sectie B als weergegeven in bijlage 4 van dit besluit. Dit besluit is op 27 december 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/73 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101856/1/A4.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Liessel, gemeente Deurne,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van een inrichting voor de opslag en stalling van materialen, afvalstoffen en materieel, het uitvoeren van klein onderhoud aan het materieel, het wassen en het aftanken van het materieel, het maximaal vier keer per jaar breken van puin en diverse kantoorwerkzaamheden, maar die vergunning geweigerd vanaf 1 februari 2015 voor het perceel kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie T, nr. 587, sectie B als weergegeven in bijlage 4 van dit besluit. Dit besluit is op 27 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2011, beroep ingesteld. Bij brief van 9 maart 2011 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Goumans, advocaat te Helmond, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door D.M.A.A. Oostvogels en R.K.P. Smeets, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij brief van 26 januari 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [gemachtigde] tot 1 februari 2015 een persoonsgebonden gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend voor het met het bestemmingsplan "Buitengebied" strijdige gebruik van het voorste gedeelte van het perceel. De termijn is gesteld op 1 februari 2015 vanwege het aflopende karakter van de bedrijfsactiviteiten van [appellante] en het feit dat de bedrijfsactiviteiten niet goed kunnen worden uitgevoerd zonder het gebruik van dit deel van het perceel.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [appellante] voor de periode tot 1 februari 2015 vergunning verleend voor de opslag en stalling van materialen, afvalstoffen en materieel, het uitvoeren van klein onderhoud aan het materieel, het wassen en aftanken van het materieel, het maximaal vier keer per jaar breken van puin en diverse kantoorwerkzaamheden, voor zover deze activiteiten worden uitgevoerd op het perceel, zoals weergegeven op de in bijlage 4 bij het besluit aangegeven situatietekening, en voor de periode daarna met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer vergunning geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan.

2.4. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge het bestemmingsplan, dat op 10 december 2008 inwerking is getreden, heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 3.8.1 van de planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen te gebruiken, te doen gebruiken of te laten gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 31.2.1 mag het gebruik van de grond en/of opstallen, dat strijdig is met het plan op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, worden voortgezet; dit geldt echter niet indien het betreft een gebruik, dat strijdig met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming was en welk strijdig gebruik een aanvang heeft genomen, nadat dit vorige bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

Ingevolge artikel 31.2.3, is wijziging van het met het plan strijdig gebruik van de gronden en/of opstallen verboden tenzij door de wijziging de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

2.5. Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel waarop de aanvraag ziet in strijd is met de bestemming "Agrarisch gebied" en dat het vorige bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 31.2.1 van de planvoorschriften, op 12 juni 1986 (hierna: de peildatum) rechtskracht heeft verkregen.

2.6. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door verlening van de vergunning strijd ontstaat met het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat uit de door haar in de bestuurlijke procedure overgelegde verklaringen en foto's en een viertal in een door een notaris op 29 februari 2012 opgemaakte akte van proces-verbaal opgenomen verklaringen kan worden afgeleid dat het gebruik van het perceel waarop de aanvraag ziet, reeds bestond ten tijde van de peildatum en derhalve wordt beschermd door het in artikel 31.2.1 van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht. Volgens [appellante] is het college, door in het bestreden besluit te volstaan met een verwijzing naar een aantal stukken van het college van burgemeester en wethouders van Deurne en te stellen dat daaruit volgt dat het overgangsrecht niet van toepassing is, ten onrechte aan de overgelegde foto's en verklaringen voorbijgegaan.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2006 in zaak nr. 200503095/1), rust de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is op degene die zich daarop beroept.

2.6.2. Op zichzelf voert [appellante] terecht aan dat het college ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar een aantal stukken van het college van burgemeester en wethouders van Deurne, nu in die stukken niet wordt ingegaan op de door haar overgelegde foto's en verklaringen. Anders dan [appellante] stelt, kan uit die foto's en verklaringen alsmede uit de op 29 februari 2012 notarieel vastgelegde verklaringen evenwel niet worden afgeleid dat het gebruik van het perceel waarop de aanvraag ziet reeds bestond ten tijde van de peildatum. Het college heeft een luchtfoto overgelegd die kort voor de peildatum is genomen, te weten op 25 mei 1986, waarop geen bedrijfsactiviteiten te zien zijn op het perceel, en een luchtfoto van 24 april 1988, waarop slechts op een klein gedeelte van het perceel activiteiten kunnen worden waargenomen. De door [appellante] overgelegde verklaringen en foto's staan daarmee op gespannen voet. Verder betreft het verklaringen van algemene aard over het gebruik van het perceel in de jaren 80 van de vorige eeuw, waaruit niet blijkt wat het concrete gebruik van het perceel was ten tijde van de peildatum. Hoewel op grond van de verklaringen niet kan worden uitgesloten dat toen in enigerlei vorm bedrijfsactiviteiten plaatsvonden op het perceel, heeft [appellante] met het overleggen daarvan niet aannemelijk gemaakt dat destijds gebruik plaatsvond dat naar aard, omvang en intensiteit overeenkomt met het gebruik waarop de aanvraag ziet. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat dat gebruik niet wordt beschermd door het in artikel 31.2.1 van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht en derhalve in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt voorts dat voorschrift 2.5.7 van de vergunning overbodig is en enkel leidt tot meer administratieve verplichtingen.

2.7.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.2.5 mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

Ingevolge vergunningvoorschrift 2.5.7 moet binnen één maand na ieder kalenderkwartaal ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen en daaruit ontstane stoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op diens verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:

- een omschrijving van de aard en de samenstelling van de opgeslagen (afval)stoffen;

- de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof;

- de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd.

Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) dienen in deze rapportage te worden verklaard.

2.7.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat vergunningvoorschrift 2.5.7 nodig is omdat daarmee controleerbaar wordt hoe lang afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen en aldus of voldaan wordt aan de in vergunningvoorschrift 2.2.5 neergelegde verplichting en voorts dat op basis van vergunningvoorschrift 2.5.7 kan worden gecontroleerd of verschillen tussen de fysieke en de administratieve voorraad bestaan en, zo ja, wat daarvoor de verklaring is. Aan de hand van de verkregen gegevens kan het college bepalen of handhavend moet worden opgetreden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat, anders dan waarvan [appellante] uitgaat, het niet nodig is om de aanwezige voorraad ieder kalenderkwartaal te wegen, maar dat kan worden volstaan met een schatting op basis van visuele waarneming. Onder die omstandigheden, en in aanmerking genomen dat [appellante] geen concrete aanknopingspunten voor gerechtvaardigde twijfel aan de juistheid van het door het college ingenomen standpunt naar voren heeft gebracht, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college vergunningvoorschrift 2.5.7 niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

Het betoog faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

457-693.