Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201112962/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5833, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de SVB aan [appellant] op grond van de Remigratiewet toegekende voorzieningen ten bedrage van € 4.142,48 teruggevorderd (hierna: de terugvordering).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112962/1/V6.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Al Aroui (Marokko),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2011 in zaak nr. 10/5097 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de SVB aan [appellant] op grond van de Remigratiewet toegekende voorzieningen ten bedrage van € 4.142,48 teruggevorderd (hierna: de terugvordering).

Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft de SVB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voor zover het de terugvordering betreft. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 13 december 2011 en na doorzending bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Remigratiewet, voor zover thans van belang, worden aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, basisvoorzieningen verstrekt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland.

Ingevolge artikel 6 wordt, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 3 en 4, het recht op de voorzieningen bedoeld in die artikelen beëindigd, de betaling van op grond van dat recht uit te keren bedragen geschorst en de op grond daarvan reeds betaalde bedragen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd, voor zover dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.

Ingevolge artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (hierna: het Uitvoeringsbesluit) worden, indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, de basisvoorzieningen teruggevorderd, voor zover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.

Ingevolge artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wettelijke grondslag voor de terugvordering is gelegen in artikel 6 van de Remigratiewet. Uit dit artikel blijkt niet dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een remigratie-uitkering ook blijven gelden na toekenning daarvan, aldus [appellant]. In dit verband wijst hij op artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, waarin een driejarentermijn is verbonden aan het terugvorderen van voorzieningen en waaruit volgens hem volgt dat de overweging van de rechtbank, dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een remigratie-uitkering ook blijven gelden na toekenning daarvan, niet juist kan zijn.

2.2.1. Artikel 6 van de Remigratiewet verwijst naar de artikelen 3 en 4 van die wet, waarin is bepaald onder welke voorwaarden basisvoorzieningen worden dan wel een periodieke uitkering wordt verstrekt. De artikelen 3 en 4 van de Remigratiewet verwijzen naar het Uitvoeringsbesluit, waarin onder meer is vastgelegd onder welke voorwaarden een remigrant in aanmerking komt voor deze voorzieningen en tevens wanneer en onder welke voorwaarden het recht hierop eindigt en deze worden teruggevorderd. Ook uit de memorie van toelichting bij de artikelen 3, 4 en 6 van de Remigratiewet (Kamerstukken II 1997/98, 25 741, nr. 3, blz. 14-16) blijkt dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde voorwaarden zien op zowel het verstrekken als het blijven verstrekken en ontvangen van de voorzieningen en dat in het kader van artikel 6 wordt gecontroleerd of aan die voorwaarden is voldaan na toekenning daarvan.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat de wettelijke grondslag voor de terugvordering is gelegen in artikel 6 van de Remigratiewet en dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een remigratie-uitkering ook blijven gelden na toekenning daarvan. Met zijn verwijzing naar artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit heeft [appellant] niet onderkend dat de rechtbank niet heeft overwogen dat na toekenning van de remigratie-uitkering de daarvoor geldende voorwaarden voor onbepaalde tijd blijven gelden.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het Uitvoeringsbesluit rechtskracht mist nu dit in strijd is met de Remigratiewet.

2.3.1. Daargelaten dat [appellant] voormeld betoog niet heeft gemotiveerd, volgt uit hetgeen is overwogen onder 2.2.1., dat artikel 6 van de Remigratiewet tevens ziet op voorwaarden voor het behouden van een remigratie-uitkering nadat deze is toegekend. Artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit behelst een dergelijke voorwaarde. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat dit artikellid de reikwijdte van artikel 6 van de Remigratiewet niet te buiten gaat.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de artikelen 3 en 4 van de Remigratiewet niet van toepassing zijn, nu deze niet zien op een remigrant die terugkeert naar Nederland.

2.4.1. Voormelde artikelen verwijzen naar het Uitvoeringsbesluit, waarvan artikel 12 onder meer ziet op de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen die zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt. Derhalve heeft de rechtbank terecht de artikelen 3 en 4 van de Remigratiewet van toepassing geacht.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt tevens dat het begrip 'vestigen van hoofdverblijf', vermeld in artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, onvoldoende duidelijk is en evenmin is gedefinieerd in artikel 1 van de Remigratiewet.

2.5.1. [appellant] heeft bij formulier van 24 maart 2010 aan de SVB medegedeeld dat zijn vrouw met zijn kinderen op 26 februari 2010 is teruggekeerd naar Nederland. In zijn bezwaarschrift van 21 juni 2010 heeft [appellant] herhaald dat zijn vrouw met zijn kinderen naar Nederland is teruggekeerd. Voorts heeft [appellant] blijkens het verslag van de op 14 september 2010 gehouden hoorzitting naar aanleiding van het door hem tegen het besluit van 31 mei 2010 gemaakte bezwaar verklaard dat zijn vrouw nu in Nederland leeft. Gelet op de door [appellant] verschafte informatie, alsmede het verhandelde ter zitting, heeft de SVB zich op het standpunt mogen stellen dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, was voldaan.

Het betoog faalt.

2.6. Aangezien [appellant] zijn betoog, dat de rechtbank ook overigens zijn argumenten onvoldoende heeft beoordeeld, niet heeft gemotiveerd, kan dit betoog reeds hierom niet slagen. Ook zijn beroep op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen, reeds omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat door dit artikel beschermde belangen in het geding zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Cassé

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

588.