Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4550

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201109070/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Fort bij Vechten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109070/1/R3.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Menno van Coehoorn, gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

raad van de gemeente Bunnik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Fort bij Vechten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. W. Braam, [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door M. Beetsma, werkzaam bij de gemeente, en ir. P.J.M. Kuypers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het Fort bij Vechten, dat deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met het bestemmingsplan wordt beoogd een herontwikkeling van het Fort bij Vechten mogelijk te maken. Het plangebied ligt ten zuidoosten van Utrecht en grenst aan de rijksweg A12.

2.2. De stichting betoogt dat de raad vooringenomen was bij de vaststelling van het plan en uitsluitend rekening heeft gehouden met de wensen van de toekomstige exploitant van het fort. In dit verband wijst de stichting erop dat de gemeente een ontwikkelingsovereenkomst met betrekking tot het plan heeft gesloten met onder meer de toekomstige exploitant.

Daarnaast voert de stichting aan dat het gemeentebestuur zich in meerdere overeenkomsten met betrekking tot het plan heeft verplicht om het plan tijdig vast te stellen, om te voorkomen dat aan de provincie Utrecht beschikbaar gestelde subsidies komen te vervallen. Zij betoogt dat het plan, gezien de tijdsdruk waaronder het tot stand is gekomen, onzorgvuldig is voorbereid.

2.2.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

In de omstandigheid dat de gemeente een overeenkomst heeft gesloten met onder meer de toekomstige exploitant van het fort, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad vooringenomen was bij de vaststelling van het plan en niet een zelfstandige beoordeling met inachtneming van de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen heeft gemaakt van de belangen, die met het plan zijn gemoeid. Het betoog faalt.

2.2.2. Uit de stukken blijkt dat de gemeente Bunnik diverse overeenkomsten heeft gesloten met betrekking tot de herontwikkeling van het fort, waarbij de gemeente een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om een bestemmingsplan tijdig tot stand te doen komen om tot de herontwikkeling van het fort over te kunnen gaan. Deze omstandigheid geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan reeds daarom onzorgvuldig heeft voorbereid. Het betoog faalt.

2.3. De stichting kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin is voorzien in een voetgangersbrug en een nieuwe toegang tot het fort, die bestaat uit een doorsnijding van de aarden wal. Zij betoogt dat deze ontwikkelingen zullen leiden tot een aantasting van het historisch aanzicht van het fort. De stichting stelt dat deze ontwikkelingen weliswaar in het Master- en Ontwikkelplan van de gemeente Bunnik zijn opgenomen, maar dat dit beleidsstuk niet met een inspraakprocedure tot stand is gekomen. Voorts zijn deze ontwikkelingen volgens de stichting in strijd met de Monumentenwet, omdat het fort is aangewezen als rijksmonument en op grond van artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet bescherming geniet tegen beschadiging en vernieling.

De stichting voert verder aan dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor een door haar voorgestelde alternatieve toegangsroute tot het fort, waarbij het historisch aanzicht wel intact blijft. Anders dan de raad veronderstelt, maakt de alternatieve route geen gebruik van de Marsdijk, maar loopt de route via een nieuw pad aan de noordzijde van het fort van de nieuwe parkeerplaats naar een van de bestaande, historische ingangen van het fort aan de noordwestzijde. De raad heeft haar zienswijze op dit punt onjuist weergegeven en derhalve onjuist beantwoord, aldus de stichting. De stichting acht het standpunt van de raad dat de loopafstand van de nieuwe parkeerplaats tot het museum binnen het fort maximaal 350 m mag zijn, arbitrair. Zij wijst erop dat de alternatieve route tot aan het fort slechts 100 m langer is dan deze gewenste afstand en tot aan het museum in het fort slechts 200 m langer. Ook voert zij aan dat de beleving van het fort beter te ervaren is op de alternatieve route, met zicht op de verdedigingswal, en dat de aanleg daarvan goedkoper is. Daarnaast wordt het voorziene wandelpad eveneens aangelegd in de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en bovendien in een gebied dat de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" heeft. De stichting betoogt dat de raad de wensen van de toekomstige exploitant ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan het behoud van het historisch aanzicht van het fort.

2.3.1. In de plantoelichting staat dat in de huidige situatie het Fort bij Vechten wordt ontsloten via een zijstraat van de Marsdijk en dat het parkeren overwegend plaatsvindt ten noorden van het fort, op een grasland tussen de rijksweg A12 en de Marsdijk. In de nieuwe situatie wordt een parkeerplaats aangelegd ten noordoosten van het fort. Vanaf de nieuwe parkeerplaats is in het plan voorzien in een looproute over een voetgangersbrug naar een nieuwe toegang tot het fort.

2.3.2. De omstandigheid dat het Master- en Ontwikkelplan van de gemeente Bunnik niet met een inspraakprocedure tot stand is gekomen, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de daarin opgenomen voetgangersbrug en nieuwe toegang tot het fort in een bestemmingsplan heeft kunnen neerleggen. De totstandkoming van het Master- en Ontwikkelplan maakt geen deel uit van deze bestemmingsplanprocedure. Het betoog faalt.

2.3.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning, een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

2.3.3.1. Niet in geschil is dat het Fort bij Vechten, waarvan de aarden wal deel uitmaakt, een beschermd monument is in de zin van de Monumentenwet. De raad acht de aanleg van de voetgangersbrug en de doorsnijding van de aarden wal, en de daarmee gepaard gaande aantasting van het historisch aanzicht van het fort, aanvaardbaar, om vanuit de gedachte ‘behoud door ontwikkeling’ een herontwikkeling van het fort tot pleisterplaats en nationaal centrum voor informatie over de Nieuwe Hollandse Waterlinie mogelijk te kunnen maken. Daarbij is van belang dat de aantasting van het fort gering is en zo nodig kan worden hersteld, aldus de raad. In dit verband verwijst de raad naar een positief advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over de voorziene ontwikkelingen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 11 van de Monumentenwet op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

2.3.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

In de nota van zienswijzen geeft de raad een reactie op de zienswijze van de stichting dat een plan moet worden ontwikkeld voor een wandelpad vanaf de nieuwe parkeerplaats langs de buitenoever van de gracht naar de te reconstrueren bruggen. Hieruit leidt de Afdeling af dat de raad de door de stichting voorgestelde alternatieve toegangsroute heeft beoordeeld bij de vaststelling van het plan.

Uit de nota van zienswijzen volgt dat de raad het bezwaarlijk acht vanuit het oogpunt van bereikbaarheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid voor bezoekers dat de alternatieve toegangsroute een lengte heeft van meer dan 350 m van de parkeerplaats naar het museum in het fort. Ook is de raad van mening dat het naderen van het fort via de voorziene voetgangersbrug en smalle doorgang in het verlengde van de brug zal leiden tot een betere beleving van de imposante maat van de gracht en de lengte en de hoogte van de aarden wallen dan bij de alternatieve route het geval zal zijn. Voorts zal het alternatieve wandelpad een grotere oppervlakte van de EHS in beslag nemen. Dit laatste is vanuit natuurlijk en landschappelijk oogpunt niet wenselijk. Het aanleggen van een nieuwe toegangsweg ter plaatse van gronden die in het plan de aanduiding "Waarde - Cultuurhistorie" hebben, is volgens de raad niet onverenigbaar met elkaar.

Uit het voorgaande volgt dat de raad de voor- en nadelen van de alternatieve toegangsroute in zijn belangenafweging heeft meegenomen. De grote keuzevrijheid van de raad in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet op het vorenoverwogene niet in redelijkheid tot de in het plan voorziene toegangsroute heeft kunnen besluiten. Het betoog faalt.

2.4. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I. Slagt, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Slagt

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

618.