Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201109021/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Oldebroek Dorp 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109021/1/R2.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Oldebroek,

en

de raad van de gemeente Oldebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Oldebroek Dorp 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.G. Poel en D. van Heerde, en de raad, vertegenwoordigd door G. Visscher, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het dorp Oldebroek.

2.2. [appellante] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Detailhandel - 3" voor haar perceel aan de [locatie] te Oldebroek. Zij betoogt dat het plan ten opzichte van het vorige plan onevenredige gevolgen met zich brengt voor de waarde van haar perceel. Hiertoe voert zij allereerst aan dat de maximale bouwhoogte ten onrechte ten opzichte van het vorige plan is verlaagd van 12 meter naar 8 meter. Dit is volgens haar niet in overeenstemming met het consoliderende karakter van het plan. Verder voert [appellante] aan dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid om binnen het bouwvlak woningen te realiseren is beperkt tot één (boven)woning met een beperkte oppervlakte. Tot slot voert [appellante] aan dat de raad haar perceel ten onrechte vanwege de begrenzing van het kernwinkelgebied niet de bestemming "Centrum", maar de bestemming "Detailhandel - 3" heeft gegeven. Hierdoor worden haar ontwikkelingsmogelijkheden onevenredig beperkt. Bovendien wijkt het plan ten onrechte af van het gemeentelijke beleid dat is neergelegd in de visie "Oldebroek-centrum 2030" (hierna: de visie), zo stelt [appellante].

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige gevolgen met zich brengt voor [appellante], nu de bestaande situatie op haar perceel als zodanig is bestemd. De maximale bouwhoogte is in het plan ten opzichte van het vorige plan verlaagd teneinde de karakteristieke kenmerken van het bebouwingslint aan de Zuiderzeestraat te behouden. Verder is, om het centrum van Oldebroek te verbeteren, alleen binnen het kernwinkelgebied uitwisseling van functies mogelijk gemaakt. De raad acht het daarom redelijk dat het plandeel voor het perceel van [appellante] de bestemming "Detailhandel - 3" heeft.

2.4. In het vorige bestemmingsplan "Oldebroek Kom" had het gedeelte van het perceel van [appellante] waarop haar winkel staat de bestemming "Centrumbebouwing II".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en ten eerste, van de planvoorschriften van dat plan was de op de kaart voor "Centrumbebouwing" aangewezen grond, in bestemmingsvlak II bestemd voor bewoning met daartoe dienende woningen.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder b, aanhef en ten tweede, was de op de kaart voor "Centrumbebouwing" aangewezen grond, in bestemmingsvlak II bestemd voor detailhandel met een daartoe dienende winkel in combinatie met een aangrenzende of daarboven gelegen woning.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder b, aanhef en ten derde, was de op de kaart voor "Centrumbebouwing" aangewezen grond, in bestemmingsvlak II bestemd voor centrumbedrijven zoals genoemd in artikel 2, sub a, van deze planvoorschriften.

Ingevolge het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder c, mochten in het op de kaart met een II aangegeven bestemmingsvlak uitsluitend gebouwen worden gebouwd, indien werd voldaan aan de eis dat de hoogte ten hoogste 12 meter bedroeg.

2.4.1. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels van het onderhavige bestemmingsplan zijn de voor "Detailhandel - 3" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van detailhandel;

b. (boven)woning.

Ingevolge lid 14.2, onder 1, aanhef en sub b, geldt voor het bouwen van de in artikel 14, lid 1, sub a, vermelde gebouwen en overkappingen per bestemmingsvlak dat de maatvoering van de gebouwen en van de overkappingen dient te voldoen aan de eisen die in de tabel zijn gesteld. In de tabel staat dat de maximale bouwhoogte voor gebouwen 8 meter bedraagt.

Ingevolge het bepaalde onder 2, gelden voor het bouwen van de in artikel 14, lid 1, sub b, vermelde (boven)woning per bestemmingsvlak de volgende regels:

(…)

c. de maatvoering van de (boven)woning dient te voldoen aan de eisen die in de tabel zijn gesteld. In de tabel staat dat de totale woonoppervlakte ten opzichte van de gebouwenoppervlakte per bouwperceel 50% mag bedragen met een maximum van 150 m²;

d. het aantal (boven)woningen mag niet meer dan één bedragen;

e. indien de totale oppervlakte ten opzichte van de gebouwenoppervlakte per bouwperceel meer bedraagt dan in de bovenstaande tabel is vermeld, mag deze niet meer bedragen dan de bestaande maatvoering.

2.5. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan ongeacht het consoliderende karakter van een bestemmingsplan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

2.5.1. Ten aanzien van de maximale bouwhoogte heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de gebouwen aan de Zuiderzeestraatweg deel uitmaken van een bebouwingslint. Het bebouwingslint kenmerkt zich door een relatief open bebouwingsbeeld en een zekere variatie in de bebouwing. De bebouwingslinten vormen volgens de raad waardevolle elementen in de ruimtelijke omgeving. Teneinde de gewaardeerde karakteristieken en de samenhang tussen de gebouwen te handhaven en te versterken heeft de raad bij de vaststelling van de maximale bouwhoogte aangesloten bij de feitelijke bouwhoogte.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang bij het behoud van de karakteristieke kenmerken van het bebouwingslint een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellante] bij het behoud van een maximale bouwhoogte van 12 meter.

2.5.2. Met betrekking tot het bezwaar van [appellante] dat zij door het plan ten onrechte wordt beperkt in de mogelijkheid om op haar perceel woningen te realiseren overweegt de Afdeling dat [appellante] ook op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en ten tweede, van de planvoorschriften van het vorige plan slechts één woning boven of aangrenzend aan haar winkel kon realiseren. Ingevolge artikel 14, lid 14.2, onder 2, aanhef en sub e, van de planregels van het onderhavige plan is de bestaande maatvoering van de bovenwoning als zodanig bestemd. Voor zover het vorige plan op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en ten eerste, van de planvoorschriften de mogelijkheid bood om meerdere grondgebonden woningen op het perceel van [appellante] te realiseren, wordt verder overwogen dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij het onwenselijk acht dat op grond van het plan woningbouwmogelijkheden blijven bestaan waarvan niet zeker is of deze worden benut, nu dit vanwege het gemeentelijke woningbouwcontingent ten koste gaat van concrete woningbouwplannen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Niet is gebleken dat [appellante] concrete plannen had om het huidige gebruik als winkel te beëindigen en daarvoor in de plaats woningbouw op haar perceel te realiseren.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] niet onevenredig wordt beperkt in de mogelijkheden om op haar perceel een woning te realiseren.

2.5.3. In de visie is uiteengezet dat teneinde de uitstraling en het kwaliteitsniveau van het winkelgebied in Oldebroek te verbeteren een kernwinkelgebied wordt gerealiseerd, waarbinnen een concentratie van winkels wordt gestimuleerd. De centrumvoorzieningen dienen volgens de gemeentelijke visie te worden gebundeld binnen het kernwinkelgebied. Het kernwinkelgebied wordt begrensd door de Stationsweg en de Spronksweg.

Met het oog op de visie heeft de raad bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt genomen dat alleen in het centrum uitwisseling van functies mogelijk moet zijn. Derhalve heeft de raad alleen aan de voorzieningen in het kernwinkelgebied een bredere centrumbestemming toegekend. De Afdeling acht dit niet onredelijk. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre in strijd is met de visie. Voor zover zij betoogt dat een beeldkwaliteitsplan een geschikter alternatief is om het centrum van Oldebroek aantrekkelijker te maken, overweegt de Afdeling dat met een beeldkwaliteitsplan geen juridisch bindende regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dergelijk gebruik van gronden in een bepaald gebied.

Het perceel van [appellante] is gelegen buiten de in de visie vastgestelde begrenzing van het kernwinkelgebied. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad in redelijkheid voor het perceel van [appellante] een uitzondering had moeten maken op het bij de vaststelling van het plan gehanteerde uitgangspunt dat alleen in het centrum uitwisseling van functies mogelijk wordt gemaakt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad het huidige gebruik van de gronden van [appellante] in het plan als zodanig heeft bestemd.

2.5.4. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van [appellante] betreft, bestaat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.6. [appellante] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Detailhandel - 3" voor het perceel aan de [locatie] te Oldebroek strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

271-683.