Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201105566/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het bestemmingsplan "Blixembosch Noordoost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105566/1/R3.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Eindhoven,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Eindhoven (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3], wonend te Eindhoven,

4. [appellant sub 4], wonend te Eindhoven,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Eindhoven (hierna in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellant sub 6], wonend te Eindhoven,

en

1. de raad van de gemeente Eindhoven,

2. de raad van de gemeente Son en Breugel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het bestemmingsplan "Blixembosch Noordoost" vastgesteld.

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Son en Breugel het bestemmingsplan "Blixembosch Noordoost" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2011, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2011, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, en [appellant sub 6] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Eindhoven heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2012, waar [appellant sub 2], bij monde van [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, [appellant sub 6] en de raad van de gemeente Eindhoven, vertegenwoordigd door mr. Q.W.J. de Ruijter en ir. H.M.P.J. van Hoof, beiden werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) aan de hand van de op de verbeelding weergegeven gemeentegrens toegelicht dat beide raden het bestemmingsplan hebben vastgesteld voor zover dat betrekking heeft op hun eigen grondgebied ten tijde van de vaststelling van het plan. Sinds 1 januari 2012 behoort het hele plangebied tot het grondgebied van de gemeente Eindhoven.

Procedureel

2.2. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] betogen dat de omwonenden van het plangebied onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.

2.3. Ten behoeve van het plan is de in de Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven procedure gevolgd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het kader van zorgvuldigheid omwonenden meer bij de planvorming had moeten betrekken dan volgens die procedure is vereist.

Goede procesorde

2.4. Ter zitting heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat de uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat, nu onduidelijk is of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet kan worden verleend voor onder meer de vleermuizen en uilen die in het plangebied voorkomen.

Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. Nu [appellant sub 3] deze beroepsgrond eerst ter zitting heeft aangevoerd, en niet valt in te zien waarom hij deze beroepsgrond niet eerder had kunnen aanvoeren terwijl de raad niet in staat was om hierop ter zitting adequaat te reageren, verzet de goede procesorde zich ertegen dat deze beroepsgrond bij de beoordeling van het bestreden besluit wordt betrokken.

Inhoudelijk

2.5. Het plan voorziet onder meer in uit te werken woonbestemmingen ten behoeve van de nieuwe woonwijk Blixembosch Noordoost, met maximaal 448 woningen. Tevens voorziet het plan in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een nieuwe ontsluitingsweg voor het voorziene woongebied.

De ontsluitingsweg

2.6. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied", nu daarmee het plan kan worden gewijzigd ten behoeve van een ontsluitingsweg langs hun percelen. [appellant sub 2] voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze ontsluitingsweg mogelijk is gemaakt. [appellant sub 3] en [appellant sub 6] voeren verder aan dat de raad ten onrechte een in opdracht van de bewoners uitgevoerd onderzoek van adviesbureau DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Beoordeling varianten nieuwe ontsluitingsweg wijkuitbreiding" van 5 oktober 2009, naast zich neer heeft gelegd. In dit rapport is aanbevolen om het nieuwe woongebied te ontsluiten via bestaande wegen en geen nieuwe ontsluitingsweg te realiseren, aldus [appellant sub 3] en [appellant sub 6]. [appellant sub 3] voegt daaraan toe dat alternatieve ontsluitingen, onder meer naar de J.F. Kennedylaan, onvoldoende zijn onderzocht en weerlegd. Ook is volgens [appellant sub 3] en [appellant sub 2] onvoldoende rekening gehouden met het verdwijnen van het groene en verkeersluwe Esperheidepad door de voorziene weg. Volgens [appellant sub 2] is dit in strijd met het gemeentelijk beleid dat het gebied een bijzondere waarde en status geeft, waaraan alleen afbreuk mag worden gedaan vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen en met compensatie. [appellant sub 6] vreest verder onevenredige overlast van het verkeer op de weg. [appellant sub 3] voegt daaraan toe dat de raad de gevolgen ten aanzien van het verkeer en de geluidbelasting op bestaande woningen onvoldoende heeft onderzocht. Ook voert hij aan dat niet is aangetoond dat de weg financieel uitvoerbaar is, terwijl hoge kosten te verwachten zijn. Omdat de uitvoerbaarheid in zoverre niet vaststaat en de inrichting van het gebied ook nog onduidelijk is, had de raad geen wijzigingsbevoegdheid mogen opnemen in dit plan, maar dient de weg via een aparte planprocedure mogelijk te worden gemaakt, aldus [appellant sub 3].

2.6.1. Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan, voor zover de gronden uitsluitend zijn gelegen binnen de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied" en alsmede binnen de bestemmingen "Bedrijf", "Groen", "Verkeer-Verblijfsgebied" en "Water" te wijzigen in de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. na wijziging kunnen maximaal twee rijstroken worden aangelegd;

b. er is een provinciale ontheffing verleend voor de aanleg van de weg op grond van een goedgekeurd hergebruikplan als bedoeld in de provinciale milieuverordening.

2.6.2. Uit de plantoelichting en het vaststellingsbesluit volgt dat met de weg is beoogd om de toename van het verkeer als gevolg van het voorziene woongebied voor de bestaande wegen in de wijk, en daarmee een groot deel van de wijk, te beperken. Daartoe, zo staat in de toelichting, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van een ontsluitingsweg parallel aan het bestaande fietspad naar de Tempellaan aan de rand van de wijk. De raad stelt zich verder op het standpunt dat naar aanleiding van bezwaren van bewoners van de bestaande wijk naar meerdere ontsluitingsmogelijkheden is gekeken, onder andere in het rapport "Verkeersstudie Blixembosch Noord-Oost Eindrapport" van 13 september 2006 van Goudappel Coffeng (hierna: Goudappel Coffeng 2006). De raad heeft daarbij uiteindelijk gekozen voor de optie die tot de minste verkeerstoename leidt in de bestaande wijk. Daarbij stelt de raad dat een ontsluiting naar de J.F. Kennedylaan, zoals voorgesteld in het genoemde rapport van DGMR, niet mogelijk is omdat Rijkswaterstaat die optie heeft afgewezen. De brief van Rijkswaterstaat waarin deze afwijzing is vervat, heeft met het vastgestelde plan ter inzage gelegen, zo heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld. Een ontsluiting door de geluidswal is voorts onwenselijk in verband met toename van geluidbelasting, aldus de raad.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de weg is opgenomen of dat de raad alternatieven en het rapport van DGMR onvoldoende in zijn belangenafweging heeft meegewogen.

2.6.3. Ten aanzien van het groen in het plangebied is in de toelichting onder meer opgenomen dat in 2001 het Groenbeleidsplan (GBP) 2001 is vastgesteld. Volgens de toelichting is het plangebied, waarin de nieuwe woonwijk is voorzien, daarin aangeduid als "Multifunctioneel Groen". De Afdeling overweegt dat uit de kaart bij het Groenbeleidsplan naar voren komt dat de gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid in het plan betrekking heeft, behoren tot "Structureel stadsgroen", waarbij het toevoegen van voorzieningen, anders dan groenvoorzieningen, slechts mogelijk is indien er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als geen alternatieven voorhanden zijn, als de groene kwaliteiten tenminste worden gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren gegane groenstructuur.

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de voorziene weg verkeerstechnisch dringend wenselijk is, om zo een groot deel van de bestaande wijk Blixembosch wat betreft verkeersbelasting te ontzien. Voorts heeft de raad gesteld dat bij de aanleg van de weg het bestaande fietspad in het groen ter plaatse zal worden behouden, alsmede de recreatieve functie daarvan. In de toelichting staat verder dat het bos dat met de realisatie van het plan zal verdwijnen deels zal worden gecompenseerd op de nieuwe geluidswal in het plangebied en deels op het Landgoed Gulbergen tussen de gemeenten Eindhoven, Geldrop, Mierlo, Helmond en Nuenen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het groene karakter van het gebied en evenmin voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Groenbeleidsplan 2001 niet aan de bestreden wijzigingsbevoegdheid in de weg staat. Voor zover [appellant sub 3] daarbij nog op alternatieven wijst, verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover is overwogen in 2.6.2.

2.6.4. In de zienswijzennota heeft de raad te kennen gegeven dat de kosten van de ontsluitingsweg zijn gedekt in de grondexploitatie Blixembosch Noordoost en in de exploitatiereserve van het grondbedrijf. Gelet daarop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weg financieel uitvoerbaar zal zijn.

2.6.5. De Afdeling overweegt dat met een wijzigingsbevoegdheid flexibiliteit kan worden aangebracht in een bestemmingsplan om de concretisering van een voorgestane ontwikkeling uit te stellen tot het moment van verwezenlijking daarvan is aangebroken. De omstandigheid dat nog geen volledige duidelijkheid bestaat over de inrichting van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, maakt dan ook niet dat de raad eerst een regeling voor de ontsluitingsweg had mogen treffen op het moment dat het precieze tracé van de weg bekend is. Gelet hierop en gelet op hetgeen is overwogen in 2.6.4 ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid geeft het door [appellant sub 3] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de wijzigingsbevoegdheid niet in het plan heeft kunnen opnemen.

2.6.6. Ten aanzien van de vrees van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] voor geluidsoverlast vanwege de weg, overweegt de Afdeling als volgt. Ten behoeve van het plan is door de Milieudienst Regio Eindhoven akoestisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek Blixembosch NO te Eindhoven" van 25 mei 2010. Daarbij is onder meer akoestisch onderzoek gedaan naar de gebiedsontsluitingsweg van de voorziene wijk. Ter zitting is gebleken dat de ter plaatse van de wijzigingsbevoegdheid voorziene weg hiervan onderdeel uitmaakt. In de conclusie van het rapport is vermeld dat de 48 dB contour van deze weg op circa 20 m vanuit het midden van de weg ligt. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen voor de geluidbelasting van de voorziene weg niet zijn onderzocht. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het onderzoek zodanige gebreken vertoont dat de raad daar niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan. Nu de afstand tussen de gronden waarvoor de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen en de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] voorts ongeveer 30 respectievelijk 70 m is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene weg geen onevenredige geluidbelasting met zich zal brengen ter plaatse van hun woningen.

2.6.7. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied", strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] zijn ongegrond.

Het woongebied

2.7. [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover ongeveer 450 woningen in aansluiting op hun wijk mogelijk worden gemaakt. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat dit zijn uitzicht en het groene karakter van het plein voor zijn woning onevenredig zal aantasten en dat de waarde van zijn woning aanzienlijk zal dalen. Ook staan de voorziene woningen op een te korte afstand van de gifopslag op het bedrijfsterrein van [belanghebbende], waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, aldus [appellant sub 1]. [appellant sub 4] voert aan dat ten onrechte in de omgeving van zijn woning bebouwing mogelijk wordt gemaakt met een tweemaal hogere bouwhoogte dan die van zijn woning, waardoor de beeldkwaliteit van de wijk ernstig wordt aangetast. [appellant sub 1] voert verder aan te vrezen dat het verkeer door het plan zodanig zal toenemen dat in zijn straat onevenredige overlast zal optreden door verkeers- en geluidshinder en dat sprake zal zijn van een toename van zwevende deeltjes. De motivering dat een andere ontsluitingsweg zal worden gerealiseerd zodat bestaande wegen worden ontzien, is volgens [appellant sub 5] onvoldoende, nu niet zeker is dat deze weg, waarvoor een wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen, zal worden gerealiseerd. De bestaande wegen zullen in dat geval het verkeer niet kunnen afwikkelen, aldus [appellant sub 5].

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat het plan onder meer voorziet in zes uit te werken woonbestemmingen voor maximaal 448 woningen.

De plandelen die betrekking hebben op gronden in de directe nabijheid van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben de bestemmingen "Woongebied - Uit te werken - 6" en "Groen".

2.7.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor groenvoorzieningen en fietspaden.

Ingevolge artikel 15, lid 5.2, onder 5.2.1. mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, onder 13.1.1, aanhef en sub a, zijn de voor "Woongebied - Uit te werken - 6" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep.

Ingevolge artikel 13, lid 13.2, werkt het college van burgemeester en wethouders de in lid 13.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de hierna gestelde regels.

Ingevolge artikel 13, lid 13.3, onder 13.3.1, sub f, van de planregels, voor zover hier van belang, bedraagt de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw 8 m, zijnde maximaal 2 bouwlagen, met uitzondering van percelen die direct grenzen aan de percelen van de Amerikaanse buurt waarbij de maximale bebouwingshoogte van het hoofdgebouw 4 m bedraagt.

Ingevolge artikel 13, lid 13.3, onder 13.3.2, sub c, van de planregels, voor zover hier van belang, is de maximale bebouwingshoogte van aan- en bijgebouwen 4 m indien het perceel direct grenst aan de percelen van de Amerikaanse buurt.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Evenmin bestaat recht op een blijvend vrij uitzicht. De raad heeft in dit geval in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het ontwikkelen van het woongebied dan aan het belang van [appellant sub 1] bij het ongewijzigd blijven van zijn uitzicht. Voorts is rekening gehouden met het groene karakter van de wijk door aan de gronden tegenover de woning van [appellant sub 1] de bestemming "Groen" toe te kennen, waardoor ter plaatse geen gebouwen mogen worden opgericht. Verder heeft de raad in de enkele omstandigheid dat in de bestaande Amerikaanse wijk, waar [appellant sub 4] woont, woningen van één bouwlaag staan, geen aanleiding hoeven zien slechts woningen met één bouwlaag in het nieuwe woongebied mogelijk te maken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bouwhoogte van 8 m en twee bouwlagen niet zodanig afwijkt van de bestaande woningen, dat daarmee geen sprake meer is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de maximale bouwhoogte van woningen op percelen grenzend aan de bestaande Amerikaanse wijk is beperkt tot 4 m. Voor zover [appellant sub 4] beoogt op te komen tegen de architectuur van de toekomstige woningen, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.7.4. Ten aanzien van het bedrijf [belanghebbende] is in het kader van het plan onderzoek verricht naar de externe veiligheid door de Milieudienst, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Externe Veiligheid Blixembosch Noordoost" van 21 april 2010. Volgens het rapport wordt ten aanzien van het plaatsgebonden risico voldaan aan de grenswaarde. Ook staat in het rapport dat het groepsrisico ruim beneden de oriëntatiewaarde ligt en niet opnieuw behoeft te worden berekend omdat de woonwijk op een afstand van meer dan 800 m is voorzien. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken bevat dat de raad daar niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan. Gelet daarop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van [belanghebbende] geen belemmering vormt voor de realisering van de woonwijk.

2.7.5. Ten aanzien van verkeer stelt de raad zich op het standpunt dat hoewel uit het rapport Goudappel Coffeng 2006 volgt dat met het nemen van maatregelen op de Tempellaan de voorziene wijk kan worden ontsloten via de bestaande wegen, hij met het oog op het belang van de bewoners van de bestaande wijk ervoor heeft gekozen een nieuwe ontsluitingsweg om de wijk heen mogelijk te maken. Hiermee zal volgens de raad de toename van verkeer in de bestaande wijk kunnen worden gereduceerd tot 400 voertuigen per etmaal. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad daar niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan. De omstandigheid dat ten behoeve van deze weg een wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen, maakt, anders dan [appellant sub 5] betoogt, niet dat de raad er niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan dat deze nieuwe weg gerealiseerd zal kunnen worden. Daarbij wordt mede gewezen op hetgeen over de wijzigingsbevoegdheid is overwogen in 2.6.1 tot en met 2.6.6. Ten aanzien van de gevreesde overlast als gevolg van het verkeer is verder van belang dat in het rapport Goudappel Coffeng 2006 onder meer is onderzocht wat de extra verkeersbelasting is die wordt veroorzaakt door Blixembosch Noordoost en hoe deze zich verdeelt over de omliggende wegen, waarbij is uitgegaan van een ontsluiting via bestaande wegen. In het rapport is opgenomen dat op het kruispunt Tempellaan-Sprookjesbos maatregelen dienen te worden genomen, maar dat verder geen problemen te verwachten zijn. Ook heeft de raad in de zienswijzennota aangegeven, en is door [appellant sub 1] niet bestreden, dat de Duke Ellingtonlaan, die als ondergeschikte ontsluitingsweg zal gaan fungeren, vanwege zijn breedte geschikt is voor het te verwachten gemengd tweerichtingenverkeer. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene wijk geen zodanige toename van het verkeer op de bestaande wegen in de wijk met zich zal brengen dat dit zal leiden tot onevenredige overlast, zoals gevreesd door [appellant sub 1] en [appellant sub 5].

2.7.6. In de plantoelichting staat ten aanzien van luchtkwaliteit dat op basis van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer het project zonder nader onderzoek doorgang kan vinden, nu de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie zwevende deeltjes in de buitenlucht.

2.7.6.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Krachtens artikel 5.16, vierde lid van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het Besluit zijn in bijlage 3A van de Regeling categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Voor zover hier van belang zijn als categorie van gevallen aangewezen woningbouwlocaties, in geval van één ontsluitingsweg bij netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen en in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling bij netto niet meer dan 3000 woningen. Nu de woningbouwlocatie ruim onder de 1500 woningen blijft en het plan dus behoort tot een categorie van gevallen die in het Besluit en de Regeling is aangewezen, draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, en behoefde bij de vaststelling van voorliggend plan geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden.

Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aspect luchtkwaliteit niet in de weg staat aan de vaststelling van het plan.

2.7.7. In hetgeen [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 1] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Steenbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

528-715.