Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201201850/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Weenapoint" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201850/2/R2.

Datum uitspraak: 27 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de naamloze vennootschap Groothandelsgebouwen N.V. (hierna: Groothandelsgebouwen), gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Weenapoint" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer Groothandelsgebouwen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2012, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft Groothandelsgebouwen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Groothandelsgebouwen, de raad en First Rotterdam B.V. en First Rotterdam C.V. hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2012, waar Groothandelsgebouwen, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en M.C. Meurs, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem en L.J. Goudswaard, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn First Rotterdam B.V. en First Rotterdam C.V., vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), gelezen in samenhang met onderdeel 2.3 van Bijlage I van die wet en artikel 9, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Chw zijn op het plan de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing.

2.3. Met het plan wordt beoogd onder meer de bouw van een kantoorgebouw met een kantoorvloeroppervlak van 40.000 m2 tot 80.000 m2, een ondergrondse parkeergarage en woningen en het vestigen van recreatieve voorzieningen mogelijk te maken. De in dit plan voorziene ontwikkelingen maken deel uit van het project Rotterdam Central District (hierna: het RCD).

Belanghebbendheid

2.4. Ten aanzien van de stelling van de raad dat Groothandelsgebouwen geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, overweegt de voorzitter het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 december 2011, in zaak nr. 20106895/1/M1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het concurrentiebelang van Groothandelsgebouwen niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is, nu de kantoorruimte van Groothandelsgebouwen zich in een ander marktsegment bevindt dan de in het plan voorziene kantoorruimte.

Naar het oordeel van de voorzitter kan worden aangenomen dat het concurrentiebelang van Groothandelsgebouwen rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat Groothandelsgebouwen opereert in dezelfde sector en dat de kantoorruimte van Groothandelsgebouwen zich in de directe nabijheid van het plangebied bevindt. Gelet hierop kan Groothandelsgebouwen als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Het verzoek van Groothandelsgebouwen

2.5. Groothandelsgebouwen kan zich niet verenigen met het plan. Zij voert hiertoe aan dat de gemeentelijke coördinatieregeling onjuist is toegepast. Volgens Groothandelsgebouwen moet toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling er toe leiden dat eveneens alle uitvoeringsbesluiten ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkelingen gelijktijdig met het plan voor rechtsbescherming openstaan.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, nu de verschillende ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkelingen te nemen besluiten in fases zijn gecoördineerd.

2.5.2. Ingevolge artikel 2.21 van de Chw wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 van die wet aangewezen project toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Chw is het RCD een dergelijk project.

2.5.3. Groothandelsgebouwen heeft geen belangen aangevoerd waarin zij is geschaad door de in haar ogen onjuiste toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling. Verder is niet gebleken dat andere belanghebbenden zijn benadeeld door de wijze waarop toepassing is gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling. De voorzitter zal hieraan dan ook voorbijgaan.

2.6. Groothandelsgebouwen betoogt dat het ten behoeve van het plan opgestelde milieueffectrapport (hierna: het MER) onvolledig is, omdat in dit MER ten onrechte niet alle inrichtingsvarianten zijn onderzocht.

Groothandelsgebouwen wijst er voorts op dat de milieugevolgen van het plan met name zijn gelegen in de luchtvervuiling en geluidhinder ten gevolge van de verkeersbewegingen van en naar de parkeervoorzieningen in het plangebied. De inschatting van de verkeersbewegingen is gekoppeld aan het aantal parkeerplaatsen, maar volgens Groothandelsgebouwen is in het plan niet inzichtelijk gemaakt hoe het aantal van 850 voorziene parkeerplaatsen zich verhoudt tot de verschillende inrichtingsvarianten van het plangebied.

Ook betoogt Groothandelsgebouwen dat de criteria voor toepassing van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid om de ondergrondse parkeergarage niet te realiseren onduidelijk zijn. Verder stelt Groothandelsgebouwen dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet de kwaliteitsverbetering van het gebied zal optreden die de bouw van een ondergrondse parkeergarage met zich zou brengen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het in het plan voorziene aantal parkeerplaatsen is gebaseerd op de minimumnorm die voor parkeerruimte wordt gesteld in de bouwverordening. Voorts voert de raad aan dat het criterium voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid helder is, nu deze wijzigingsbevoegdheid enkel mag worden toegepast als de aanleg van een ondergrondse parkeergarage financieel niet haalbaar is.

Ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het gebied wijst de raad erop dat een bovengrondse parkeergelegenheid niet in het zicht van het RCD zal worden gerealiseerd en derhalve niet tot een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied zal leiden.

2.6.2. Naar het oordeel van de voorzitter heeft Groothandelsgebouwen niet aannemelijk gemaakt dat het MER voor het voorliggende plan onvoldoende inzicht biedt in de mogelijke gevolgen voor het milieu van de in het plan voorziene ontwikkelingen, nu de business- en de leisure-variant van de inrichting van het plangebied zijn onderzocht. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de maximale mogelijkheden van het plan in het MER globaal moeten worden beoordeeld. Hierbij merkt de voorzitter op dat ten behoeve van de structuurvisie voor het gehele RCD eveneens een MER is gemaakt.

Ten aanzien van het betoog van Groothandelsgebouwen dat niet duidelijk is gemaakt wat de verhouding is tussen de verschillende wijzen van invulling van het plan en het aantal parkeerplaatsen, is de voorzitter van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de parkeernormen uit de bouwverordening.

Voorts volgt de voorzitter Groothandelsgebouwen niet in haar stelling dat het criterium voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid onduidelijk is, nu Groothandelsgebouwen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hanteren van de financiële uitvoerbaarheid als criterium onvoldoende concreet is om als toetsingskader voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid te dienen. Verder overweegt de voorzitter dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van een bovengrondse parkeergelegenheid in de plaats van een ondergrondse garage niet zal leiden tot een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, nu deze bovengrondse parkeergelegenheid zeer beperkt zichtbaar zal zijn vanuit het RCD.

2.7. Verder betoogt Groothandelsgebouwen dat in de ten behoeve van het RCD opgestelde structuurvisie geen afdoende financiële onderbouwing is opgenomen en dat deze structuurvisie derhalve onvolledig is. Voorts stelt Groothandelsgebouwen dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene kantoorruimte en dat de bouw van de in het plan voorziene kantoorruimte zal leiden tot verdere leegstand van kantoorruimte in Rotterdam. De rapporten waarmee de raad heeft willen onderbouwen dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene kantoorruimte zijn onvolledig, aldus Groothandelsgebouwen.

2.7.1. Ten aanzien van het betoog van Groothandelsgebouwen dat de financiële onderbouwing van het plan in de structuurvisie onvoldoende is, overweegt de voorzitter het volgende. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met de initiatiefnemers van het RCD een anterieure overeenkomst is gesloten die ruimte biedt om alle nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Hiermee wordt volgens de raad in de financiële uitvoerbaarheid van het plan voorzien. Gelet hierop ziet de voorzitter in het door Groothandelsgebouwen aangevoerde geen aanleiding de financiële onderbouwing op voorhand onvoldoende te achten.

Ten aanzien van de behoefte aan kantoorruimte heeft de raad aangevoerd dat binnen de Rotterdamse kantorenmarkt regelmatige investeringen nodig zijn om het aantrekkelijke karakter van het kantorenaanbod te behouden. Hierbij heeft de raad gewezen op de ten behoeve van het RCD en het voorliggende plan uitgevoerde onderzoeken van Jones Lang LaSalle en Tordoir en de reactie van Tordoir op de kritiek van Groothandelsgebouwen, waaruit volgens de raad blijkt dat behoefte bestaat aan de kantoorruimte waar het plan in voorziet. Ook heeft de raad gewezen op een rapport van DTZ Zadelhoff over de markt voor kantoorruimte in Nederland. Voorts heeft de raad er hierbij op gewezen dat Groothandelsgebouwen geen onderzoek heeft overgelegd waaruit blijkt dat geen behoefte bestaat aan de in het voorliggende plan voorziene kantoorruimte.

Ten aanzien van de leegstand van kantoorruimte heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat leegstand primair de verantwoordelijkheid is van de verhuurders van kantoorruimte. Voorts heeft de raad erop gewezen dat verschillende geplande ontwikkelingen op het gebied van kantoorruimte elders in Rotterdam niet zullen plaatsvinden om te voorkomen dat meer leegstand van kantoorruimte ontstaat.

De behoefte aan kantoorruimte en het standpunt van de raad ten aanzien van leegstand acht de voorzitter hiermee voldoende onderbouwd.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in het aangevoerde geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2012

12-726.