Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201101291/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een veehouderij met nevenactiviteiten aan de [locatie] te Voorthuizen. Dit besluit is op 4 januari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5097
JOM 2012/611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101291/1/A4.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

2. [appellante sub 2], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een veehouderij met nevenactiviteiten aan de [locatie] te Voorthuizen. Dit besluit is op 4 januari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012, waar het college, vertegenwoordigd door L.P. Berg en B.P. Bakker, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Het bestreden besluit

2.2. Bij besluit van 29 december 2010 heeft het college een revisievergunning verleend voor een veehouderij met nevenactiviteiten, te weten kamperen en het organiseren van activiteiten in de vorm van zogenoemde boeren buitenspelen. De aangevraagde vergunning is geweigerd voor zover het betreft het houden van de boeren buitenspelen op een locatie op het perceel dat kadastraal bekend staat onder nr. 1639.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Grondslag van de aanvraag

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat door de gedeeltelijke weigering van de vergunning de grondslag van de vergunningaanvraag is verlaten. De vergunningaanvraag ziet ook op het houden van de boeren buitenspelen op een locatie op het perceel dat kadastraal bekend staat onder nr. 1639 en de boeren buitenspelen zijn slechts in de incidentele bedrijfssituatie vergund, zo voert hij aan.

2.4.1. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen, volgt uit het stelsel van de Wet milieubeheer dat het bevoegd gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De mate waarin wordt afgeweken van de aanvraag is bepalend voor de vraag of de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Zoals de voorzitter heeft overwogen naar aanleiding van het eerder in deze procedure ingediende verzoek om voorlopige voorziening (uitspraak van 22 april 2011 in zaak nr. 201101291/2/M2) is in dit geval de grondslag van de aanvraag niet verlaten, nu het geweigerde deel van de aanvraag een gering deel vormt van hetgeen is aangevraagd, dan wel is vergund. Er ontstaat geen andere inrichting dan is aangevraagd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] stelt geen aanleiding voor een ander oordeel.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.5. [appellant sub 1] voert aan dat het houden van de boeren buitenspelen op desbetreffende percelen strijd oplevert met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Hij betoogt dat het college ten onrechte niet in zoverre de gevraagde vergunning heeft geweigerd.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning in afwijking van het eerste lid tevens worden geweigerd ingeval door verlening ervan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.5.2. Niet in geschil is dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan het houden van de boeren buitenspelen op de desbetreffende percelen niet is toegestaan. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd voor zover het de boeren buitenspelen op het achtergelegen weiland, als aangeduid op de bij de vergunning behorende situatietekening M2, betreft. Voor het overige heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit geen aanleiding gezien om de gevraagde vergunning voor de boeren buitenspelen te weigeren, omdat het bereid is om het houden van deze spelen op de andere percelen planologisch mogelijk te maken. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat in zoverre de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat de planologische procedures in dit kader inmiddels zijn afgerond.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat het college de gevraagde vergunning ook wat betreft het kamperen had moeten weigeren, wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.6.1. Niet in geschil is dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan kamperen op het desbetreffende perceel niet is toegestaan. Hiervoor heeft het college evenwel bij besluit van 19 mei 2009 een ontheffing verleend. Het college heeft derhalve terecht besloten de vergunning niet op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

2.7. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten behoeve van stal 1 ten onrechte de interne salderingsmethode uit het Besluit ammoniak huisvesting en veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) heeft toegepast, nu met de stallen 2 en 3 geen extra emissieruimte wordt gecreëerd.

2.7.1. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

In het tweede lid is bepaald dat aan het eerste lid ook wordt voldaan indien de som van de ammoniakemissies uit de tot de veehouderij behorende huisvestingssystemen niet groter is dan de som van de ammoniakemissies die deze huisvestingssystemen zouden veroorzaken indien wordt voldaan aan het eerste lid. Een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, voldoet afzonderlijk aan het eerste lid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, geldt het eerste lid niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.40, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet.

2.7.2. Het college heeft voor de toepassing van interne saldering artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting gehanteerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201003072/1/M2), volgt uit artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij dat deze wet het exclusieve toetsingskader is voor de beoordeling van ammoniak bij vergunningverlening voor een veehouderij. Het college had aan de hand van de Wet ammoniak en veehouderij moeten beoordelen of tot vergunningverlening met toepassing van interne saldering kon worden overgegaan. Het college heeft in zoverre ten onrechte het Besluit huisvesting gehanteerd. De beroepsgrond slaagt.

2.7.3. Nu het onderdeel ammoniak bepalend is voor het antwoord op de vraag of vergunning kan worden verleend, is het beroep van [appellant sub 1] gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.8. De Afdeling ziet evenwel aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij geregelde methode van interne saldering gelijk is aan de in artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting geregelde methode.

2.8.1. In artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij is bepaald dat onder maximale emissiewaarde wordt verstaan: de ammoniakemissie per dierplaats, die ingevolge een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer bij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden.

In het tweede lid is bepaald dat voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, wordt vermenigvuldigd met de emissiefactoren.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij gelden voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij de emissiefactoren die zijn opgenomen in bijlage 1.

2.8.2. Het Besluit huisvesting is een krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer gesteld voorschrift, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. Volgens bijlage 1 bij dit besluit bedraagt de maximale emissiewaarde voor vleesvarkens 1,4 kg NH3 per vleesvarken, zodat de som van de ammoniakemissies uit de drie stallen met in totaal 532 vleesvarkens maximaal 744,8 kg NH3 mag bedragen. In stal 1 worden niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast. [appellant sub 1] heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat stal 1 op 1 januari 2007 nog niet in de inrichting aanwezig was, zodat in zoverre interne saldering kan worden toegepast. De som van de ammoniakemissies, gebaseerd op de emissiefactoren uit bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij, bedraagt in de aangevraagde situatie 730 kg NH3. Dit is minder dan de maximale emissie van 744,8 kg NH3. Gelet hierop staat artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij niet aan vergunningverlening in de weg.

2.8.3. Gezien het vorengaande is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, mits hierna blijkt dat voor het overige geen grond voor vernietiging bestaat.

Geurhinder

2.9. [appellant sub 1] stelt dat zijn woning aan de [locatie 2] ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting. Volgens hem is het een burgerwoning, nu de woning sinds 1997 geen onderdeel meer uitmaakt van een veehouderij en is de woning juridisch-planologisch gezien bestemd voor wonen of verblijf. Artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij is dan ook niet van toepassing op deze woning, aldus [appellant sub 1].

2.9.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt onder een geurgevoelig object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder vanwege de tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.9.2. Op de percelen van de woningen aan de [locatie 2] en 65 rust volgens het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" de bestemming "Agrarisch gebied I". Het college stelt dat voornoemde woningen op één bouwblok zijn gelegen en planologisch beide als bedrijfswoning moeten worden beschouwd bij een bedrijf waarvoor in 1996 op grond van het destijds geldende Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer een melding voor het houden van 24 melkkoeien, 18 stuks vrouwelijk jongvee en 50 vleesvarkens is ingediend.

2.9.3. [appellant sub 1] heeft niet bestreden dat ten opzichte van de woning aan de [locatie 2] aan de in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij genoemde afstand van ten minste 50 meter wordt voldaan. Of en wanneer de woning heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij is in deze procedure niet vast komen te staan, zodat onduidelijk is of het college de uitzondering uit artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij op deze woning terecht toepasselijk heeft geacht. In het geval de uitzondering niet van toepassing is, dient op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] te worden voldaan aan een geurnorm van 14 odour units per kubieke meter lucht. Ten behoeve van het bestreden besluit is ter plaatse van de ten zuidoosten van de inrichting gelegen woning aan de Brugveenseweg 69 een geurbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting van 6,12 odour units per kubieke meter lucht berekend. De woning aan de [locatie 2] ligt ten noordoosten van de inrichting. Tussen deze woning en de stallen behorende tot de inrichting zijn de kampeerplaatsen behorende tot de inrichting gelegen. Gelet op de geurbelasting ter plaatse van de woning aan de Brugveenseweg 69 en de afstand tussen de inrichting en de woningen aan de [locatie 2] en 69, is niet aannemelijk dat de geurnorm van 14 odour units per kubieke meter lucht ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] wordt overschreden. Daargelaten of het college artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij terecht heeft toegepast, staat de Wet geurhinder en veehouderij niet aan vergunningverlening in de weg.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.10. [appellant sub 1] voert aan dat in de vergunning ten onrechte geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld die hoger zijn dan de richtwaarden die in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) worden aanbevolen voor een landelijke omgeving. Hij betoogt dat, voor zover die geluidgrenswaarden hoger zijn dan de richtwaarden, het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom die toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. In dit verband voert hij aan dat het college ten onrechte geen onderzoek naar het ter plaatse geldende referentieniveau heeft uitgevoerd. Afwijking van de richtwaarden is volgens [appellant sub 1] bovendien onaanvaardbaar, omdat hij aan twee kanten is omsloten door een camping.

2.10.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking als uitgangspunt gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Niet in geschil is dat de inrichting is gesitueerd in een landelijke omgeving waarvoor richtwaarden gelden van 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.10.2. Voor een bestaande inrichting als hier aan de orde moeten volgens hoofdstuk 4 van de Handreiking de richtwaarden voor woonomgevingen steeds opnieuw worden getoetst. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid of, op basis van een bestuurlijke afweging tot een etmaalwaarde van 55 dB(A) waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

2.10.3. De bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie liggen, op twee uitzonderingen in de dagperiode na, niet boven de richtwaarden voor een landelijke omgeving. De twee uitzonderingen betreffen een geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting op de woningen aan de Brugveenseweg 59 en 69 van 41 dB(A) in de dagperiode. De afwijking van de richtwaarden op deze woningen met 1 dB(A) wordt volgens het college gerechtvaardigd door het ter plaatse optredende referentieniveau van het omgevingsgeluid dat, naar het college stelt, hoog is vanwege het wegverkeerslawaai van de rijksweg A1 op ongeveer 600 à 700 meter van de inrichting. Deze aanname wordt volgens het college onderbouwd door een kwaliteitsindicatie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, waaruit blijkt dat het geluid in de omgeving van de inrichting meer dan 50 dB(A) bedraagt. Verder heeft het college, naar aanleiding van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in deze procedure (uitspraak van de voorzitter van 22 april 2011 in zaak nr. 201101291/2/M2), alsnog een referentiemeting gedaan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Referentiemeting omgevingsgeluid Brugveenseweg 69, Voorthuizen" van het Servicebureau Gemeenten van 21 juli 2011. Uit de referentiemeting volgt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 48,1 dB(A) is. Het college heeft de afwijking van de richtwaarden in het bestreden besluit, gelet op het vorengaande, toereikend gemotiveerd en de gestelde geluidgrenswaarden toereikend kunnen achten om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 1] stelt dat de boeren buitenspelen ten onrechte als incidentele bedrijfssituatie zijn aangemerkt. Volgens hem valt dit onder de representatieve bedrijfssituatie, omdat de activiteit door zijn aard tot de hoofdactiviteiten van de inrichting gerekend kan worden. Voorts stelt [appellant sub 1] dat het college eerder een aanvraag voor boeren buitenspelen heeft geweigerd en in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze activiteit thans wel wordt toegestaan. Ook heeft het college de duur van de boeren buitenspelen in de avondperiode, alsmede de activiteit in de dagperiode onvoldoende beperkt, aldus [appellant sub 1].

2.11.1. Ingevolge het dictum van het bestreden besluit onder VII, voor zover hier van belang, is de gevraagde vergunning wat betreft de boeren buitenspelen in de dagperiode voor 15 keer per jaar voor maximaal 45 personen verleend.

Ingevolge het dictum onder VIII, voor zover hier van belang, is de gevraagde vergunning wat betreft de boeren buitenspelen in de avondperiode voor maximaal 12 keer per jaar voor maximaal 45 personen verleend.

Ingevolge vergunningvoorschrift 2.1.6 nemen maximaal 45 gasten per keer deel aan de activiteit boeren buitenspelen.

Ingevolge vergunningvoorschrift 2.1.7 kunnen gedurende maximaal 12 keer per jaar boeren buitenspelen plaatsvinden in de avondperiode. Deze avonden worden in het milieulogboek geregistreerd.

2.11.2. Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid om ontheffing te verlenen om maximaal 12 dagen per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning (hierna: de incidentele bedrijfssituatie). Het gaat daarbij om bijzondere activiteiten die niet tot de representatieve bedrijfssituatie worden gerekend.

2.11.3. Zoals onder 2.11.1 is overwogen heeft het college vergunning verleend voor de boeren buitenspelen in de dagperiode voor 15 keer per jaar. Deze activiteit valt volgens vergunningvoorschrift 2.1.1 onder de representatieve bedrijfssituatie. Het college heeft voorts vergunning verleend voor de boeren buitenspelen in de avondperiode voor maximaal 12 keer per jaar. De activiteit in de avondperiode valt volgens het college onder de incidentele bedrijfssituatie, als bedoeld in paragraaf 5.3 van de Handreiking. Het betreft dezelfde activiteit met als enige verschil het tijdstip waarop deze wordt uitgevoerd. Het college heeft niet gemotiveerd waarom de activiteit in de dagperiode onder de representatieve bedrijfssituatie valt en in de avondperiode onder de incidentele bedrijfssituatie. Voorts is ter zitting gebleken dat het college met de vergunningvoorschriften 2.1.1 en 2.1.2 heeft beoogd geluidgrenswaarden voor zowel de representatieve als de incidentele bedrijfssituatie te stellen. Volgens de tekst van deze voorschriften gelden de daarin gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau echter uitsluitend in de representatieve bedrijfssituatie. In deze voorschriften is gerekend met, respectievelijk zonder de boeren buitenspelen. Niet duidelijk is of met "boeren buitenspelen" in deze voorschriften alleen wordt gedoeld op de representatieve bedrijfssituatie, dan wel mede op de incidentele bedrijfssituatie. Gelet op het vorengaande is het bestreden besluit, voor zover het de boeren buitenspelen betreft, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

2.12. [appellant sub 1] voert aan dat het college ten onrechte en ongemotiveerd heeft gesteld dat het gebruik van een hoge drukreiniger op de aangeduide wasplaats niet als een bedrijfsactiviteit is meegenomen. Volgens hem is dit gebruik noodzakelijk voor het schoonspuiten van transportauto’s en is thans onduidelijk hoe deze worden schoongemaakt.

2.12.1. Het gebruik van een hoge drukreiniger is aangevraagd noch vergund. Bij het bestreden besluit heeft het college geluidgrenswaarden gesteld waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Indien deze niet worden nageleefd, kan het college handhavend optreden. Hetgeen [appellant sub 1] stelt, geeft geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

VNG-brochure

2.13. [appellant sub 1] stelt dat de afstand van de kampeerplaatsen tot aan de woning aan de [locatie 2] ten onrechte niet voldoet aan de afstandsnorm van 50 meter uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering".

2.13.1. De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" bevat - zoals in die brochure ook staat vermeld - geen normen voor de beoordeling van de aanvraag om krachtens de Wet milieubeheer een vergunning te verlenen. Hetgeen in deze brochure is vermeld, is dan ook niet van betekenis voor dit geding.

De beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.14. [appellant sub 1] vreest visuele hinder van de kampeer- en parkeerplaatsen, alsmede de boeren buitenspelen voor zijn woning. Hij wenst zijn vrije uitzicht te behouden. Volgens [appellant sub 1] kan de planologische ontheffing geen stand houden, zodat het aspect visuele hinder in het kader van deze procedure moet worden behandeld. Ook [appellante sub 2] vreest visuele hinder van de activiteiten voor haar woning, volgens haar bestaan geschiktere locaties dan voor haar woning.

2.14.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. De stelling van [appellant sub 1] dat hij eerst vrij uitzicht had en dat wenst te behouden, brengt niet mee dat iedere verandering die door hem als visuele hinder wordt ervaren, moet leiden tot weigering van de gevraagde vergunning. In een reactie op de zienswijze stelt het college dat met betrekking tot de planologische ontheffing voor het kamperen beplantingseisen zijn gesteld en dat de landschappelijke inpassing van de boeren buitenspelen in het kader van de ontheffing daarvoor zal worden beoordeeld. Op de bij het bestreden besluit behorende plattegrondtekening staat een open veldje aan de zijde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en beplanting rondom de velden met staanplaatsen ten behoeve van het kamperen.

Ter zitting heeft het college gesteld dat het vanwege de beplanting die rond het kampeerterrein, de op het terrein geparkeerde auto's en de boeren buitenspelen wordt aangebracht, dan wel reeds aanwezig is, geen aanleiding heeft gezien de gevraagde vergunning in verband met visuele hinder te weigeren. Gelet op het voorgaande, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Dat volgens [appellante sub 2] betere locaties bestaan voor de activiteiten van de inrichting leidt niet tot een ander oordeel, nu het college bij het nemen van het bestreden besluit behoorde uit te gaan van de aanvraag zoals deze is ingediend.

De beroepsgrond faalt.

Lichthinder

2.15. [appellant sub 1] vreest lichthinder vanwege de activiteiten binnen de inrichting. Naar aanleiding van zijn zienswijze heeft het college de vergunningvoorschriften aangepast, zodat directe lichtinstraling wordt voorkomen. Volgens [appellant sub 1] is dit onvoldoende, omdat hij ook indirecte lichthinder en lichthinder ten gevolge van verkeersbewegingen ondervindt.

2.15.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 1.1.6 wordt de verlichting die bedrijfsmatig wordt aangewend, zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.

2.15.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften lichthinder in voldoende mate wordt beperkt. Het college wijst erop dat de situering van het parkeerterrein, de begroeiing, alsmede de afscherming van de gebouwen en kampeermiddelen van de inrichting ten opzichte van de woningen aan de [locatie 2] en 65 voldoende is om lichthinder te voorkomen, dan wel in voldoende mate te beperken. Daarbij merkt het college op dat de beplanting zal dichtgroeien en het kampeerseizoen in de zomerperiode is wanneer het langer licht blijft.

Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat lichthinder wordt voorkomen, dan wel in voldoende mate wordt beperkt.

De beroepsgrond faalt.

Parkeerhinder

2.16. [appellante sub 2] vreest parkeerhinder vanwege de activiteiten binnen de inrichting. Volgens haar is het aantal plaatsen voor het kampeerterrein nu reeds onvoldoende en komen daar de boeren buitenspelen bij.

2.16.1. Met betrekking tot parkeerhinder bieden de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving het primaire toetsingskader, maar daarnaast is plaats voor een aanvullende toetsing in het kader van de Wet milieubeheer.

In het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek is vermeld dat ten behoeve van het kampeerterrein en de boeren buitenspelen 45 parkeerplaatsen worden aangevraagd. Het kampeerterrein heeft volgens de bij het bestreden besluit verleende vergunning maximaal 25 plaatsen. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een aantal van 45 parkeerplaatsen in zoverre onvoldoende is. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het in werking zijn van de inrichting niet zodanige parkeerhinder tot gevolg zal hebben dat de vergunning om deze reden had moeten worden geweigerd, of dat met betrekking tot dit aspect nadere voorschriften hadden moeten worden gesteld.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.17. Het beroep van [appellant sub 1] is, gelet op hetgeen onder 2.7.2 en 2.11.3 is overwogen, gegrond. Het besluit van 29 december 2010 dient wegens strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, alsmede met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Hetgeen onder 2.8.3 is overwogen, vormt geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, gelet op de onder 2.11.3 vastgestelde strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.18. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [appellante sub 2] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 29 december 2010, kenmerk 11/2010;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

628.