Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
201108278/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een berging/opslag op het perceel [locatie] te Scherpenzeel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108278/1/A1.

Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Scherpenzeel, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Scherpenzeel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 juni 2011 in zaak nr. 10/1335 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een berging/opslag op het perceel [locatie] te Scherpenzeel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2011.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door B. Lowijs, en het college, vertegenwoordigd door E. Hassink en ing. T.F.A. Luttikhold, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voort is daar [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college geaccepteerde melding geen melding is, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, maar een, als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit), zodat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft aangehouden, leidt niet tot het ermee beoogde doel. Indien het een melding, als bedoeld in artikel 7 van het Besluit, betreft, geldt de in artikel 52 van de Woningwet neergelegde aanhoudingsplicht niet. Dat, naar [appellante] betoogt, niet volstaan kon worden met een melding, als bedoeld in artikel 7 van het Besluit, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte bouwvergunning is verleend. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde dan ook terecht, zij het op andere gronden, geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft aangehouden.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

531.