Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
201202949/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft ter zitting van de Rb., voor zover thans van belang, naar voren gebracht dat hij in de omstandigheid dat de vreemdeling asielzoeker is geen aanleiding heeft gezien van inbewaringstelling af te zien, nu de gronden van bewaring, die overigens onbetwist zijn gebleven, voldoende zijn om deze te kunnen dragen. Hiermee heeft de minister, anders dan de vreemdeling betoogt, een belangenafweging gemaakt waarom hij de met de bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling. Nu de Rb. in haar uitspraak deze afweging heeft getoetst, kan het betoog van de vreemdeling dat de Rb. buiten haar bevoegdheid en de grenzen van art. 8:69 Awb is getreden evenmin worden gevolgd. Dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, naar de vreemdeling betoogt, van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, betekent niet dat de minister hieraan geen betekenis heeft mogen toekennen bij de afweging of aanleiding bestond om van bewaring af te zien. De minister heeft, nu paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vc 2000 een concrete afweging met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag vereist, evenwel niet mogen volstaan met een enkele verwijzing naar deze gronden. Aldus heeft de minister het besluit tot inbewaringstelling onvoldoende gemotiveerd, zodat de maatregel van aanvang af onrechtmatig moet worden geacht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/289

Uitspraak

201202949/1/V3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 maart 2012 in zaak nr. 12/6520 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 maart 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 maart 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gronden, die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet zijn bestreden en dat daarmee het vermoeden bestaat dat hij zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

De vreemdeling betoogt hiertoe dat de rechtbank heeft miskend dat hij voorafgaand aan zijn inbewaringstelling te kennen heeft gegeven dat hij een asielverzoek wilde indienen en dat het daarom, gelet op het in paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid, op de weg van de minister lag om aan te geven waarom de met de bewaring gediende belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de vreemdeling bij invrijheidstelling gedurende de verdere behandeling van de asielprocedure. De minister heeft zodanige belangen niet gesteld en de rechtbank is, door zelf tot de belangenafweging over te gaan, buiten haar bevoegdheid en de grenzen van artikel 8:69 van de Awb getreden, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3; www.raadvanstate.nl) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005 L 326; hierna: de Procedurerichtlijn) worden aangemerkt. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling asielzoeker, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn.

Niet in geschil is dat de vreemdeling op 24 februari 2012 bij zijn aanhouding in persoon ten overstaan van een ambtenaar van de politie te kennen heeft gegeven asiel te willen vragen. Daarmee is sprake van een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn en was de vreemdeling asielzoeker, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn.

2.1.2. Zoals de Afdeling ook in voormelde uitspraak heeft overwogen moet een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen geacht worden binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te vallen.

Dat betekent in deze zaak dat de vreemdeling, nu hij op 24 februari 2012 in persoon tegenover een ambtenaar van de politie heeft verzocht om hem internationale bescherming te verlenen, geacht moet worden daarmee rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te hebben verkregen.

2.1.3. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van 4 oktober 2011 en uit hetgeen hiervoor onder 2.1.2. is overwogen, volgt dat op 24 februari 2012 de maatregel van bewaring ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is opgelegd. De vreemdeling heeft bij zijn aanhouding op 24 februari 2012 de wens kenbaar gemaakt om hem internationale bescherming te verlenen. Daardoor was de vreemdeling vanaf het tijdstip van aanhouding en dus ook op het latere tijdstip waarop hij in bewaring werd gesteld een asielzoeker en had hij ook rechtmatig verblijf.

De vreemdeling had daarom krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring behoren te worden gesteld. Dit is alsnog op 28 februari 2012, binnen de in artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn, in dit geval te rekenen vanaf de datum van oplegging van de eerste maatregel, gebeurd.

Dat de maatregel van bewaring ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is opgelegd maakt de maatregel van bewaring slechts onrechtmatig, indien deze op dat moment niet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 had kunnen worden opgelegd.

Naar volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 januari 2012 in zaak nr. 201104294/1/V3; www.raadvanstate.nl) dient bij een inbewaringstelling van een asielzoeker overeenkomstig paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) een belangenafweging te worden gemaakt.

Volgens deze paragraaf, voor zover thans van belang, dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk te geschieden en dient een concrete afweging gemaakt te worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag.

2.1.4. In het besluit van 24 februari 2012 waarbij de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de maatregel van bewaring is opgelegd, staat vermeld dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat hij:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000);

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- zich niet aangemeld heeft bij de korpschef;

- geen inkomen heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Op 28 februari 2012 is de bewaringsgrondslag door de minister gewijzigd en is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. In het betreffende formulier staat vermeld dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat hij:

- zich niet aan een of meerdere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- geen middelen van bestaan heeft.

2.1.5. De minister heeft ter zitting van de rechtbank, voor zover thans van belang, naar voren gebracht dat hij in de omstandigheid dat de vreemdeling asielzoeker is geen aanleiding heeft gezien van inbewaringstelling af te zien, nu de gronden van bewaring, die overigens onbetwist zijn gebleven, voldoende zijn om deze te kunnen dragen.

Hiermee heeft de minister, anders dan de vreemdeling betoogt, een belangenafweging gemaakt waarom hij de met de bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling. Nu de rechtbank in haar uitspraak deze afweging heeft getoetst, kan het betoog van de vreemdeling dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid en de grenzen van artikel 8:69 van de Awb is getreden evenmin worden gevolgd.

Dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, naar de vreemdeling betoogt, van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, betekent niet dat de minister hieraan geen betekenis heeft mogen toekennen bij de afweging of aanleiding bestond om van bewaring af te zien. De minister heeft, nu paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vc 2000 een concrete afweging met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag vereist, evenwel niet mogen volstaan met een enkele verwijzing naar deze gronden. Aldus heeft de minister het besluit tot inbewaringstelling onvoldoende gemotiveerd, zodat de maatregel van aanvang af onrechtmatig moet worden geacht. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 24 februari 2012 van de minister alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 24 februari 2012 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 maart 2012 in zaak nr. 12/6520;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.880,00 (zegge: vierduizend achthonderdtachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State.

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel, en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

480-737.

Verzonden: 25 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser