Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
201201218/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan het tweede lid van art. 4.17a van het Vb 2000 overweegt de Afdeling dat in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat de MTV-controle is uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf. Verder blijkt daaruit dat op voormelde weg op 9 januari 2012 gedurende 20 minuten een MTV-controle heeft plaatsgevonden en dat in die maand ter plekke nog geen MTV-controles waren gehouden. Daarnaast is in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding vermeld dat de MTV-controle is uitgevoerd conform het bepaalde in art. 4.17a van het Vb 2000. Gezien de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dient van de juistheid van deze gegevens te worden uitgegaan. Aldus blijkt uit de processen-verbaal, anders dan de Rb. heeft overwogen, dat de MTV-controle met het oog op het verkrijgen van gegevens over illegaal verblijf slechts in beperkte mate heeft plaatsgevonden en dat in voldoende mate inzicht is verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201218/1/V4.

Datum uitspraak: 25 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 24 januari 2012 in zaak nr. 12/1025 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 januari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staandehouding van de vreemdeling onrechtmatig is, nu niet kan worden vastgesteld of de controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: de MTV-controle) heeft voldaan aan de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) gestelde eisen. De rechtbank heeft in dit verband volgens de minister ten onrechte overwogen dat nu MTV-controles met het oog op het verkrijgen van gegevens over illegaal verblijf slechts in beperkte mate mogen plaatsvinden, uit de verslaglegging opgemaakt moet kunnen worden dat daaraan is voldaan, zodat het enkel melden dat de MTV-controle met het oog op het verkrijgen van gegevens over illegaal verblijf heeft plaatsgevonden, onvoldoende is omdat dat niets zegt over de mate waarin dergelijke controles plaatsvinden.

De minister voert daartoe aan dat artikel 4.17a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) beoogt te bewerkstelligen dat ook op plaatsen waar geen ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding voorliggen, een beperkte vorm van controle mogelijk dient te zijn met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.17a, eerste en derde tot en met vijfde lid, van het Vb 2000. De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat een onderzoek naar de toepassing van de tweede zinsnede van artikel 4.17a, tweede lid, van het Vb 2000 zich in beginsel kan beperken tot de vraag met welke frequentie en eventueel op welke plaats de Koninklijke Marechaussee de controle heeft uitgevoerd. Nu de gegevens omtrent de duur, plaats en frequentie van de controle in de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal vermeld staan, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet kan worden vastgesteld of de controle voldoet aan de bij of krachtens de Vw 2000 gestelde eisen, aldus de minister. Voorts voert de minister aan dat voor zover de rechtbank de informatie die de processen-verbaal bevatten onvoldoende achtte, dan wel de stellingen van de vreemdeling ter zitting bij de rechtbank aanleiding gaven voor een nader onderzoek naar de vraag of de MTV-controles ter verkrijging van informatie over illegaal verblijf daadwerkelijk slechts in beperkte mate worden uitgevoerd, de rechtbank het onderzoek had moeten schorsen en de minister had moeten verzoeken om nadere informatie te verstrekken.

2.1.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

Ingevolge het vijfde lid, wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 24 oktober 2011 in zaak nr. 201108212/1/V4; www.raadvanstate.nl), dient in beginsel van de juistheid en volledigheid van het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal te worden uitgegaan. Voorts is het voor de vaststelling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang dat in het betreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de staandehouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.

2.1.3. Blijkens het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 9 januari 2012 is de vreemdeling op die datum tijdens een MTV-controle, op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 en met toepassing van artikel 4.17a van het Vb 2000, om 16:30 uur op de Stevensweg in de gemeente Bocholtz staande gehouden als passagier van een voertuig met Frans kenteken. Daarnaast is in het proces-verbaal vermeld dat de controle werd uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vb 2000, waarmee tevens is gewaarborgd dat deze controle niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

Uit het proces verbaal van bevindingen toezicht controle op basis van artikel 4.17a van het Vb 2000 van 11 januari 2012 kan onder meer worden afgeleid dat de MTV-controle op 9 januari 2012 is uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf, dat tot dat moment in de maand januari 2012 op voormelde weg geen toezichtcontroles hebben plaatsgevonden, dat op die dag op deze weg één of meerdere toezichtcontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 20 minuten, en dat tijdens deze controle daadwerkelijk één vervoermiddel is stilgehouden.

2.1.4. Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan het tweede lid van artikel 4.17a van het Vb 2000 overweegt de Afdeling dat in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat de MTV-controle is uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf. Verder blijkt daaruit dat op voormelde weg op 9 januari 2012 gedurende 20 minuten een MTV-controle heeft plaatsgevonden en dat in die maand ter plekke nog geen MTV-controles waren gehouden. Daarnaast is in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding vermeld dat de MTV-controle is uitgevoerd conform het bepaalde in artikel 4.17a van het Vb 2000. Gezien de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dient van de juistheid van deze gegevens te worden uitgegaan. Aldus blijkt uit de processen-verbaal, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat de MTV-controle met het oog op het verkrijgen van gegevens over illegaal verblijf slechts in beperkte mate heeft plaatsgevonden en dat in voldoende mate inzicht is verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 oktober 2011, had de rechtbank, indien de stellingen van de vreemdeling ter zitting aanleiding gaven voor een nader onderzoek naar (meer concrete) gegevens op grond waarvan het toezicht op de betreffende locatie is uitgeoefend, het onderzoek moeten schorsen en de minister in de gelegenheid moeten stellen om nadere informatie te verstrekken. Naar het oordeel van de Afdeling geven de stellingen van de vreemdeling evenwel geen grond voor een nader onderzoek.

2.1.5. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden blijkens het vorenoverwogene geen grond geven voor een ander oordeel, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 24 januari 2012 in zaak nr. 12/1025;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

307-719.

Verzonden: 25 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser