Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4352

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
201109647/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in art. 4.21 Vb 2000, dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en dat hij herhaaldelijk heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken. Deze bewaringsgronden bieden in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in art. 15, lid 1, aanhef en onder b, van de richtlijn. De omstandigheid dat de vreemdeling meewerkt aan de door de minister verrichte uitzettingshandelingen en dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan, kan, anders dan de Rb. heeft overwogen, niet afdoen aan het gegeven dat de vreemdeling bij herhaling heeft verklaard niet uit eigen beweging te zullen vertrekken en daartoe ook geen inspanningen heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109647/1/V3.

Datum uitspraak: 23 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (thans: minister voor Immigratie, Integratie en Asiel),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 augustus 2011 in zaak nr. 11/26593 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 september 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt in de eerste en tweede grief, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het arrest van 2 december 2010 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak Jusic tegen Zwitserland, zaak nr. 4691/06, JV 2011/66 (hierna: het arrest Jusic), uit de gedragingen van de vreemdeling niet kan worden afgeleid dat de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit in gevaar komt en dat niet op goede gronden van de toepassing van een lichter middel is afgezien.

Daartoe voert de minister aan dat de bewaringsgronden voldoende grond bieden om ervan uit te gaan dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De vreemdeling heeft volgens de minister geen omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven om van het tegendeel uit te gaan. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat uit het arrest Jusic niet de algemene regel kan worden afgeleid dat de herhaalde weigering van een vreemdeling om aan zijn vertrekplicht te voldoen niet mag worden geïnterpreteerd als het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure. Alle omstandigheden in aanmerking genomen valt niet in te zien waarom had moeten worden volstaan met een lichter middel, aldus de minister.

2.1.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover nodig, richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn; PB 2008 L 348) is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, over deze omstandigheden heeft gegeven en in samenhang daarmee met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

2.1.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en dat hij herhaaldelijk heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken.

Deze bewaringsgronden bieden in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn. De omstandigheid dat de vreemdeling meewerkt aan de door de minister verrichte uitzettingshandelingen en dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan, kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet afdoen aan het gegeven dat de vreemdeling bij herhaling heeft verklaard niet uit eigen beweging te zullen vertrekken en daartoe ook geen inspanningen heeft verricht. Het oordeel van de rechtbank berust daarnaast, zoals blijkt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 september 2011 in zaak nr. 201104448/1/V3 (www.raadvanstate.nl), op een onjuiste lezing van het arrest Jusic. Nu de omstandigheden die de vreemdeling naar voren heeft gebracht, dat hij medische problemen heeft en daarom afhankelijk is van de steun van zijn zoons, wezenlijk verschillen van de omstandigheden zoals deze zich voordeden in de zaak waarin het EHRM het arrest Jusic heeft gewezen, is reeds daarom dit arrest op hem niet van toepassing. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 augustus 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.3. Bij de rechtbank heeft de vreemdeling onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 april 2011 in zaak nr. C-61/11 PPU, Hassen El Dridi; www.curia.europa.eu (hierna: het arrest El Dridi) naar voren gebracht dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, nu hij medische problemen heeft en hij zich louter staande hield door de steun van zijn zoons, die thans in afwachting zijn van de uitkomst van de door hun gedane asielaanvragen. Gelet op artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de richtlijn was de minister gehouden de gezinseenheid met zijn zoons te respecteren, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Zoals hierboven onder 2.1.2. is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn. Het beroep van de vreemdeling op artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de richtlijn kan in dit verband niet slagen, omdat zijn vertrektermijn reeds is verstreken. Nu gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling als gevolg van zijn medische problematiek detentieongeschikt is, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op het voorgaande faalt het beroep van de vreemdeling op het arrest El Dridi.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling heeft ten slotte aangevoerd dat in zijn geval zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, nu door zijn verzoek aan de Dienst Terugkeer & Vertrek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 een juridisch beletsel bestaat voor zijn verwijdering.

2.4.1. De omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 heeft gedaan, kan, anders dan de vreemdeling betoogt, op zichzelf genomen niet leiden tot het oordeel dat thans zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 augustus 2011 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 augustus 2011 in zaak nr. 11/26593;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2012

373-689.

Verzonden: 23 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser