Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
201108684/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de in 2.1. vermelde uitspraken van 14 juli 2011, waarin onder meer de in 2.1.2. onder 1. t/m 3. vermelde documenten zijn betrokken, volgt dat, ook indien deze documenten over de situatie in Italië worden beoordeeld op de in het arrest M.S.S. omschreven wijze, er geen grond bestaat voor het oordeel dat deze aan overdracht van vreemdelingen aan Italië in de weg staan. (…) Aldus bezien kon, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, de minister ten aanzien van de in 2.1.2. onder 1. t/m 3. vermelde documenten voor zijn nadere motivering ter zitting bij de voorzieningenrechter met een verwijzing naar voormelde uitspraken van 14 juli 2011 volstaan. Ten aanzien van de overige stukken waarop de vreemdeling zich heeft beroepen heeft de minister zich ter zitting bij de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud ervan evenmin aanleiding geeft voor de conclusie dat van overdracht aan Italië zou moeten worden afgezien. De Afdeling verwijst daartoe naar haar uitspraak van 27 februari 2012 in zaak nr. 201010541/1V4 (www.raadvanstate.nl). Voorts biedt, zoals ook in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is uiteengezet, het persoonlijk relaas van de vreemdeling geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. (…) Onder voormelde omstandigheden heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108684/1/V4.

Datum uitspraak: 16 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 26 juli 2011 in zaak nrs. 11/18403 en 11/18405 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, nu de door de vreemdeling overgelegde stukken niet, althans niet kenbaar zijn beoordeeld op de wijze als omschreven in het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, JV 2011/68 (hierna: het arrest in de zaak M.S.S.), er geen aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 mei 2011 in stand te laten en hem voorts ten onrechte heeft opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. De minister voert hiertoe aan dat hij zich ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft beroepen op de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2011 in de zaken nrs. 201002796/1/V3, 201007479/1/V3 en 201009278/1/V3 (www.raadvanstate.nl), waarin deels dezelfde stukken aan de orde waren als door de vreemdeling in deze procedure overgelegd en waarin de Afdeling het standpunt van de minister heeft gevolgd dat de desbetreffende stukken niet de conclusie rechtvaardigen dat bij overdracht aan Italië schending van artikel 3 dan wel artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) dreigt. Voorts betoogt de minister dat, voor zover de door de vreemdeling overgelegde stukken niet in voormelde uitspraken van 14 juli 2011 aan de orde zijn geweest, hij zich ter zitting bij de voorzieningenrechter op het standpunt heeft gesteld dat die stukken geen andere strekking hebben dan de in die uitspraken beoordeelde stukken en derhalve geen aanleiding vormen voormeld standpunt te herzien. Daarnaast betoogt de minister dat, zoals ook in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is uiteengezet, het persoonlijk relaas van de vreemdeling evenmin aanleiding geeft voor de conclusie dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.

2.1.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705490/1, www.raadvanstate.nl), is voor het in stand laten van de rechtsgevolgen niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In een geval als het onderhavige, waarin een besluit is vernietigd omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd, kan er uit een oogpunt van proceseconomie aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en het besluit alsnog deugdelijk motiveert en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na het alsnog verrichte onderzoek en de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.1.2. De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat overdracht aan Italië strijdig is met artikel 3 van het EVRM in beroep verwezen naar de volgende stukken:

1. het rapport "Factual Reception Conditions For Refugees in Italy and Returns Under Regulation 343/2003/EC" van Save the Children van januari 2011;

2. het rapport "Report to the Italian Government on the visit to Italy carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment" van 28 april 2010;

3. het rapport "Over the wall: a tour of Italy's migrant centres" van Artsen zonder Grenzen van januari 2010;

4. een beslissing van het Verwaltungsgericht Darmstadt in zaaknr. 4 L 1455/10.DA.A.(1) van 9 november 2010;

5. het rapport "The Italian approach to asylum: System and core problems" van the Norwegian Organization for Asylum Seekers (NOAS) van april 2011;

6. het rapport "Asylum procedure and reception conditions in Italy" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van mei 2011;

7. het artikel "Legal Aid for Asylum Seekers: Progress and Challenges in Italy" van Katia Binanchini in Journal of Refugee Studies 24 (2), p. 390 e.v., van juni 2011;

8. de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 23 juni 2011 in zaak nr. 11/6556 en van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 juni 2011, in zaak nr. 11/7168 en

9. de uitspraken van de voorzitter van de Afdeling van 6 juni 2011 in zaak nr. 201106161/2/V3 en van 10 juni 2011 in zaak nr. 201106412/2/V3.

2.1.3. Uit de in 2.1. vermelde uitspraken van 14 juli 2011, waarin onder meer de in 2.1.2. onder 1. t/m 3. vermelde documenten zijn betrokken, volgt dat, ook indien deze documenten over de situatie in Italië worden beoordeeld op de in het arrest M.S.S. omschreven wijze, er geen grond bestaat voor het oordeel dat deze aan overdracht van vreemdelingen aan Italië in de weg staan. De Afdeling heeft daartoe in die uitspraken overwogen dat de desbetreffende documenten geen concrete aanknopingspunten bevatten dat Italië asielzoekers die in het kader van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend zijn of zullen worden overgedragen, in strijd met zijn non-refoulementverplichtingen verwijdert. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat die documenten onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat de detentie- en levensomstandigheden waar vreemdelingen in Italië mee te maken kunnen krijgen, of de toepassing van de asielprocedure in dat land, in de praktijk van een zodanige aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat wat voor Griekenland heeft te gelden, in gelijke mate opgaat voor Italië. Aldus bezien kon, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, de minister ten aanzien van de in 2.1.2. onder 1. t/m 3. vermelde documenten voor zijn nadere motivering ter zitting bij de voorzieningenrechter met een verwijzing naar voormelde uitspraken van 14 juli 2011 volstaan.

Ten aanzien van de overige stukken waarop de vreemdeling zich heeft beroepen heeft de minister zich ter zitting bij de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud ervan evenmin aanleiding geeft voor de conclusie dat van overdracht aan Italië zou moeten worden afgezien. De Afdeling verwijst daartoe naar haar uitspraak van 27 februari 2012 in zaak nr. 201010541/1V4 (www.raadvanstate.nl).

Voorts biedt, zoals ook in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is uiteengezet, het persoonlijk relaas van de vreemdeling geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vreemdeling werd in Italië niet bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst. Evenmin kan uit zijn verklaringen worden afgeleid dat hij eerder in dat land het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

Ten aanzien van de stelling van de vreemdeling dat zijn medische klachten aan overdracht aan Italië in de weg staan, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de medische voorzieningen in Italië moeten worden geacht vergelijkbaar te zijn met die in Nederland en dat die klachten, indien nodig, in Italië kunnen worden behandeld.

Onder voormelde omstandigheden heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij niet is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 mei 2011 in stand worden gelaten en voor zover de minister is opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.3. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 26 juli 2011 in zaak nr. 11/18403 voor zover de voorzieningenrechter daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 mei 2011 in stand blijven;

- de minister voor Immigratie en Asiel heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 mei 2011 geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Prins

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2012

363-722.

Verzonden: 16 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser