Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW4094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
201201753/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6263, Niet bevoegd
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de Rb. heeft overwogen kan de rechtmatigheid van een verlengingsbesluit slechts aan de orde komen bij de bewaringsrechter, indien daartegen beroep is ingesteld. Met het in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het eerste lid, neergelegde stelsel is weliswaar beoogd te bewerkstelligen dat een verlengingsbesluit tijdig aan een rechterlijke toetsing wordt onderworpen, maar dit laat onverlet dat zodanige toetsing slechts mogelijk is, indien beroep tegen dat besluit is ingesteld of dit beroep door middel van een kennisgeving aanhangig is gemaakt. Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 biedt geen ruimte om, bij gebreke van een daadwerkelijk ingesteld beroep of een kennisgeving, een ingesteld beroep te veronderstellen. In het onderhavige geval heeft de vreemdeling op 24 januari 2012 een beroepschrift ingediend tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. Uit dit beroepschrift, noch uit de aanvullende stukken die op onderscheidenlijk 27 en 31 januari 2012 door de vreemdeling zijn ingediend, kan worden opgemaakt dat het beroepschrift mede is gericht tegen het verlengingsbesluit van 27 december 2011. Evenmin blijkt dit uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Gelet hierop heeft de Rb. ten onrechte aangenomen dat het beroep van de vreemdeling tevens is gericht tegen het verlengingsbesluit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 84
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/256

Uitspraak

201201753/1/V3.

Datum uitspraak: 16 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 8 februari 2012 in zaak nr. 12/2465 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 27 december 2011 is de termijn van de bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden, ingaande op 7 januari 2012.

Bij uitspraak van 8 februari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de maatregel van bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 februari 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn het eerste, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.

2.1.1. De rechtbank heeft overwogen dat er materieel geen verschil is tussen de beoordeling in het kader van een beroep ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 gericht tegen het voortduren van de bewaring na zes maanden en de beoordeling van een beroep gericht tegen een verlengingsbesluit. De rechtbank acht het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid, eenvoud en overzichtelijkheid van het recht van belang om, indien na de totstandkoming van een verlengingsbesluit in beroep wordt gegaan tegen het voortduren van de bewaring, die beroepsprocedure – ook indien dit niet blijkt uit het beroepschrift – tevens aan te merken als een beroep gericht tegen een verlengingsbesluit.

2.1.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan de rechtmatigheid van een verlengingsbesluit slechts aan de orde komen bij de bewaringsrechter, indien daartegen beroep is ingesteld. Met het in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het eerste lid, neergelegde stelsel is weliswaar beoogd te bewerkstelligen dat een verlengingsbesluit tijdig aan een rechterlijke toetsing wordt onderworpen, maar dit laat onverlet dat zodanige toetsing slechts mogelijk is, indien beroep tegen dat besluit is ingesteld of dit beroep door middel van een kennisgeving aanhangig is gemaakt. Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 biedt geen ruimte om, bij gebreke van een daadwerkelijk ingesteld beroep of een kennisgeving, een ingesteld beroep te veronderstellen.

2.1.3. In het onderhavige geval heeft de vreemdeling op 24 januari 2012 een beroepschrift ingediend tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. Uit dit beroepschrift, noch uit de aanvullende stukken die op onderscheidenlijk 27 en 31 januari 2012 door de vreemdeling zijn ingediend, kan worden opgemaakt dat het beroepschrift mede is gericht tegen het verlengingsbesluit van 27 december 2011. Evenmin blijkt dit uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat het beroep van de vreemdeling tevens is gericht tegen het verlengingsbesluit.

2.2. Het door de vreemdeling ingestelde beroep is aldus een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59. De uitspraak van de rechtbank van 8 februari 2012 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open bij de Afdeling.

2.3. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2012

53-708.

Verzonden: 16 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser