Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201111269/1/T1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de minister [appellant] toestemming geweigerd om op grond van een door hem aan de Universidad San Juan de La Cruz (hierna: de instelling) behaald getuigschrift Maestría en Ciencias en Administración de Empresas En Cadenas de Suministros de titel doctorandus (drs.) te mogen voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111269/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2011 in zaak nr. 10/4978 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de minister [appellant] toestemming geweigerd om op grond van een door hem aan de Universidad San Juan de La Cruz (hierna: de instelling) behaald getuigschrift Maestría en Ciencias en Administración de Empresas En Cadenas de Suministros de titel doctorandus (drs.) te mogen voeren.

Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2011, verzonden op 15 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam in dienst van ARAG Rechtsbijstand, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee, werkzaam in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 7.23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) kan de minister aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

Volgens artikel 4.1 van de Beleidsregel van de minister van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/177909 (Stcrt. 31 december 2009, nr. 20664), inzake de afdoening van verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een in het buitenland behaalde graad als bedoeld in artikel 7.23, derde lid, van de WHW (hierna: de beleidsregel) kan een aanvraag worden toegewezen, indien een afsluitend getuigschrift is overgelegd van een in het buitenland gevolgde hoger onderwijsopleiding die voldoet aan de volgende criteria:

a. de opleiding is in het land van herkomst erkend,

b. de opleiding is inhoudelijk vergelijkbaar met en heeft hetzelfde doel als een Nederlandse overeenkomstige opleiding,

c. aan de opleiding zijn dezelfde rechten en plichten verbonden als aan een Nederlandse overeenkomstige opleiding en

d. er is geen sprake van één of meer wezenlijke verschillen met een Nederlandse opleiding.

2.2. De minister heeft aan het besluit van 27 oktober 2010 ten grondslag gelegd dat onvoldoende is gebleken dat de instelling waaraan [appellant] zijn getuigschrift heeft behaald, officieel is erkend. Hij baseert dit standpunt op het advies (hierna: het advies) van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: Nuffic) van 12 mei 2010. Het Nuffic heeft daarin naar voren gebracht dat de website van de instelling vermeldt dat zij is erkend door de Nationale Raad voor Hoger Particulier Universitair Onderwijs (hierna: CONESUP), maar dat twijfels bestaan over deze erkenning. Verder heeft de minister in de beroepsprocedure nader onderzoek verricht. Daaruit blijkt volgens hem dat de instelling geautoriseerd is om onderwijs te geven, maar niet geaccrediteerd is door het Costa Ricaanse accreditatieorgaan Sistema Nacional de Acreditación de la Educación Superior (hierna: SINAES), zodat van erkenning geen sprake kan zijn.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende is gebleken dat de instelling officieel erkend is. Zij heeft daartoe overwogen dat de minister op het advies mocht afgaan, nu niet is gebleken dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verder heeft zij in aanmerking genomen dat ook uit nader onderzoek van de minister zelf niet is gebleken dat de instelling officieel is erkend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de instelling officieel is erkend, aangezien hij bij zijn aanvraag een gelegaliseerd document heeft overgelegd, waaruit het tegendeel blijkt.

2.4.1. Uit artikel 4.1, aanhef en onder a, van de beleidsregel vloeit voort dat voor inwilliging van de aanvraag van [appellant] is vereist dat de instelling in Costa Rica is erkend.

Het gelegaliseerde document dat [appellant] bij zijn aanvraag heeft overgelegd, is afkomstig van CONESUP. Daarin wordt verklaard dat de instelling erkend en goedgekeurd is. Uit het document blijkt dat CONESUP onderdeel is van het ministerie van onderwijs van Costa Rica. Gelet daarop heeft de minister zich niet kunnen baseren op de enkele niet onderbouwde conclusie in het advies dat twijfels bestaan over de erkenning. Dat geldt ook voor de stelling dat de instelling niet is geaccrediteerd door SINAES. De minister gaat er aldus van uit dat voor erkenning van een instelling in Costa Rica een accreditatie door SINAES is vereist. Of dat juist is, heeft de minster evenwel niet onderzocht. Dat de instelling in Costa Rica niet is erkend, heeft de minister dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende is gebleken dat de instelling officieel is erkend.

2.5. De conclusie is dat het besluit van 27 oktober 2010 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke motivering berust, zodat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen.

2.6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de minister op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 27 oktober 2010 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De minister dient daartoe met inachtneming van overweging 2.4.1. alsnog toereikend te motiveren of de door [appellant] gevolgde opleiding voldoet aan het in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de beleidsregel genoemde criterium, te onderzoeken of de opleiding voldoet aan de overige criteria, als bedoeld in de aanhef en onder b tot en met d, van die bepaling en zo nodig het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen.

2.7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op om binnen vier maanden na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van deze uitspraak alsnog toereikend te motiveren of de door [appellant] gevolgde opleiding voldoet aan het in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de beleidsregel genoemde criterium, te onderzoeken of de opleiding voldoet aan de overige criteria, als bedoeld in de aanhef en onder b tot en met d, van die bepaling en zo nodig het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

362-686.