Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
200902437/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college aan de naamloze vennootschap Total Raffinaderij Nederland N.V. (hierna: TRN) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting bestemd voor de verwerking van ruwe aardolie, gelegen aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp, gemeente Borsele.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer 5a.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/950
Milieurecht Totaal 2014/6085
AB 2012/245
Milieurecht Totaal 2013/427
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5083

Uitspraak

200902437/1/A4.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen, en de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: SNM), gevestigd te Utrecht,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college aan de naamloze vennootschap Total Raffinaderij Nederland N.V. (hierna: TRN) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting bestemd voor de verwerking van ruwe aardolie, gelegen aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp, gemeente Borsele.

Tegen dit besluit hebben MOB en SNM bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

MOB en SNM, het college en TRN hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2009, waar MOB en SNM, vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door E.I. de Smidt, A. Goud en L.T. van der Klip, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting TRN, vertegenwoordigd door mr. C.L. Knijff, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door W.F. van den Berge, en A.C. Coppoolse, als partij gehoord.

De beslissing in deze zaak is aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraken van 29 april 2009 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) over Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB 2001 L 309; ook wel: de NEC-richtlijn).

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2008, in zaak nr. 200704489/1, waarbij de op 5 juni 2007 aan TRN verleende revisievergunning voor zover deze betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2010 is vernietigd, aan TRN een nieuwe revisievergunning verleend.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid en intrekking

2.3. Het college en TRN betogen dat het beroep van SNM niet-ontvankelijk is, nu zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.2. Niet in geschil is dat SNM geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Evenmin is echter in geschil dat het bestreden besluit op essentiële onderdelen afwijkt van het ter inzage gelegde ontwerpbesluit. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat SNM redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te hebben gebracht.

2.4. MOB en SNM hebben hun beroepsgrond over het ten onrechte niet toepassen van de zogenoemde bottom-up benadering ter zitting ingetrokken.

Algemeen toetsingskader Wet milieubeheer

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beste beschikbare technieken

2.6. Zoals onder 2.5 is overwogen, moeten in de inrichting ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken (hierna ook wel: BBT) worden toegepast. Locatiespecifieke omstandigheden kunnen vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ook hierbij komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Voor inrichtingen als hier aan de orde moet het bevoegd gezag bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken op grond van tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten, voor zover hier van belang, rekening houden met het 'Reference Document on Best Available Techniques for Mineral Oil and Gas Refineries' (hierna: het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen) en op grond van tabel 2 met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) en de Oplegnotitie bij het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen (hierna: de Oplegnotitie).

2.7. MOB en SNM betogen dat in de aanvraag van 4 oktober 2004 ten onrechte geen toetsing aan het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen was opgenomen. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus dat het college in strijd met artikel 3:2 van de Awb inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist, terwijl deze niet de door MOB en SNM bedoelde informatie bevatte.

2.7.1. Volgens het deskundigenbericht is de aanvraag van 4 oktober 2004 in maart 2005 aangevuld met een toetsing aan het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Nu het college op de aldus aangevulde aanvraag heeft beslist, mist de beroepsgrond feitelijke grondslag en faalt zij reeds hierom.

2.8. MOB en SNM betogen dat het college bij de bepaling van de met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken overeenkomende emissiegrenswaarden voor SO2 en NOx ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de nationale emissieplafonds voor SO2 en NOx.

2.8.1. Zoals de Afdeling in het licht van hetgeen het Hof in zijn arrest van 26 mei 2011 in de gevoegde zaken C-165/09 tot en met C-167/09 (www.curia.europa.eu) voor recht heeft verklaard, eerder heeft overwogen (uitspraken van 30 november 2011 in zaak nrs. 200708144/1/M1-A, 200800181/1/M1-A en 200803143/1/M1-A), behoefde het college bij de uitleg van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer, in het bijzonder de artikelen 8.8, 8.10 en 8.11, de nationale emissieplafonds niet tot de voorwaarden voor de verlening van de milieuvergunning te rekenen en behoefde het college bij de beslissing op de aanvraag om de milieuvergunning dan ook niet aan de nationale emissieplafonds te toetsen.

De beroepsgrond faalt.

2.9. MOB en SNM betogen dat het college bij de verbrandingsemissies van de inrichting ter aanvulling op het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen toepassing had moeten geven aan het 'Reference Document on Best Available Techniques for Large Combustion Plants' (hierna: het BREF Grote stookinstallaties).

2.9.1. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, voor zover hier van belang, houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met bij ministeriële regeling aangewezen documenten waarin informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken is opgenomen.

2.9.2. Zoals onder 2.6 is overwogen is het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen een op grond van tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen document, waarmee door het college bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening diende te houden. Het BREF Grote stookinstallaties is aldaar aangewezen als aanvullend BREF-document, voor zover relevant in individuele gevallen.

2.9.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat binnen een raffinaderij veelal gassen worden ingezet die binnen de raffinaderij zelf vrijkomen. Dit zijn geen commerciële brandstoffen waarop de emissiewaarden uit het BREF Grote stookinstallaties zijn gebaseerd.

2.9.4. In de samenvatting van het BREF Grote stookinstallaties is over het bereik van dit BREF het volgende vermeld:

"Combustion installations which use process-related residues or by-products as fuel, or fuels that cannot be sold as specified fuels on the market as well as combustion processes which is an integrated part of a specific production process are not covered by this BREF."

Volgens paragraaf 3.5.11.1 van de NeR is het BREF Grote stookinstallaties van toepassing op stookinstallaties in alle IPPC-inrichtingen, tenzij het type stookinstallatie expliciet in de activiteitspecifieke BREF wordt behandeld. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen.

2.9.5. Gelet op het voorgaande is het BREF Grote stookinstallaties niet van toepassing op stookinstallaties in raffinaderijen waarin niet uitsluitend commerciële brandstoffen worden gebruikt.

Nu niet is bestreden dat in geen van de stookinstallaties in de raffinaderij van TRN uitsluitend commerciële brandstoffen worden gebruikt, is er geen grond voor het oordeel dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het BREF Grote stookinstallaties.

De beroepsgrond faalt.

2.10. MOB en SNM betogen dat een zo hoog mogelijke inzet van gas als BBT-maatregel niet is gewaarborgd.

2.10.1. In haar in rechtsoverweging 2.1 vermelde uitspraak van 13 augustus 2008 heeft de Afdeling overwogen dat het college bij haar besluit van 5 juni 2007 niet had betrokken dat een verhoogde inzet van gas mogelijk was geworden. Daardoor was niet duidelijk of de op basis van een verhouding van 55% gasinzet en 45% olie-inzet berekende emissienormen voor SO2 en NOx vanaf 2010 en voor stof overeenstemmen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Bij het bestreden besluit is uitgegaan van een verhouding van 75% gasinzet en 25% olie-inzet. MOB en SNM hebben niet betoogd dat een gasinzet van 75% niet hoog genoeg is. Volgens het deskundigenbericht zijn de bij het bestreden besluit toegestane jaarvracht SO2 en de gestelde jaargemiddelde concentratienorm voor de emissie van NOx hierop afgestemd, waardoor indirect de inzet van minimaal 75% gas is gewaarborgd. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Gelet hierop hebben MOB en SNM hun stelling dat een zo hoog mogelijke inzet van gas niet is gewaarborgd niet aannemelijk gemaakt.

De beroepsgrond faalt.

Emissie van zwaveldioxide

2.11. MOB en SNM betogen dat het emissieplafond voor SO2 niet in overeenstemming is met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Ten onrechte is volgens hen niet uitgegaan van een rendement van 99,5% van de zwavelterugwinningsinstallaties (Sulphur Recovery Units; hierna: SRU's).

2.11.1. Het college betoogt dat het rendement van de SRU's tot 99,5% kan worden verhoogd door toepassing van een zogenoemde SCOT-unit, maar dat de plaatsing daarvan niet kosteneffectief is. De kosten voor de plaatsing van een SCOT-unit bedragen volgens het college 45 miljoen euro, ofwel 13,5 €/kg SO2-reductie; ze liggen daarmee hoger dan de in paragraaf 2.11.3 van de NeR voor SO2-reducerende maatregelen vermelde referentiewaarde van 2,3 €/kg.

2.11.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.2.2 geldt met betrekking tot de uitstoot van SO2 vanaf 1 januari 2010 dat de totale jaarvracht inclusief storingen, als voorschrijdend gemiddelde over vier jaar, niet meer dan 2.820 ton SO2/jaar mag bedragen.

Ingevolge voorschrift 4.2.5 wordt de emissie van SO2 als gevolg van procesemissies gereduceerd door optimaal gebruik te maken van de aanwezige SRU's. Elke SRU heeft een rendement van minimaal 99%.

2.11.3. Het volgens het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen met de toepassing van SRU's overeenkomend omzettingsrendement ligt in de range van 99,5-99,9%.

Volgens de Oplegnotitie blijft naast het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen de bijzondere regeling 'E6 Clausinstallaties' van belang. Deze regeling is in de NeR opgenomen in mei 1992. Voor nieuwe Clausinstallaties geldt een omzettingsrendement van 99,8%.

2.11.4. Volgens paragraaf 2.1.5 van de NeR worden voor installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen, de maatregelen gebaseerd op de informatie in de BREFs. Bij het opstellen van de BREFs is ook de kosteneffectiviteit van de maatregelen beoordeeld. Er mag van uit worden gegaan dat de maatregelen die in de BREFs als BBT worden aangemerkt ook kosteneffectief zijn voor de installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen. Een afweging van de kosteneffectiviteit van maatregelen volgens de BREF is dan niet meer nodig.

Hierop zijn volgens de NeR twee uitzonderingen mogelijk:

1. Als er bij een bestaande installatie sprake is van bijzondere omstandigheden kunnen de kosten voor het treffen van BBT maatregelen toch een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit wenselijk maken.

2. Voor kleinere installaties die niet onder de IPPC-richtlijn vallen kunnen BBT maatregelen volgens de BREFs relatief duur zijn. Een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit kan dan helderheid verschaffen.

2.11.5. In hoofdstuk 5 van het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen is over de kosteneffectiviteit van emissiereducerende maatregelen het volgende vermeld:

"Certain prevention techniques (e.g. replacing an alkylation process by another) that appear in the following sections may be very difficult to implement in existing installations. The reason is that the change from current practice to a more environmentally friendly technique has certain environmental and economic costs (e.g. decommissioning) which may outweigh the environmental and economic advantages of applying that technique. Thus, application is only justified in major rebuildings or changes and new installations. Existing installations may have factors such as space or height limitations that prevent full adoption of some of those techniques. A proper assessment can only be done at the local/site level." (p. 393)

2.11.6. Volgens zowel de NeR als het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen kan bij bestaande inrichtingen bij de toepassing van emissiereducerende technieken onder bepaalde omstandigheden een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit aangewezen zijn.

2.11.7. Hetgeen MOB en SNM in zoverre hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uitzondering 1 als bedoeld in paragraaf 2.1.5 van de NeR zich voordoet, zodat de kosten voor het treffen van BBT-maatregelen een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit wenselijk maken en dat de toepassing van een SCOT-unit in dit geval niet kosteneffectief is.

De beroepsgrond faalt.

2.12. Ten aanzien van het betoog van MOB en SNM dat het emissieplafond voor SO2 ten onrechte is uitgedrukt als vierjaarlijks gemiddelde, wordt in het deskundigenbericht vermeld dat dit samenhangt met het rendement van de installaties in relatie tot het onderhoud ervan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200708811/1) is, hoewel het BREF aardolie en aardgasraffinaderijen geen vier jaar voortschrijdend gemiddelde hanteert, het gebruik van een vier jaar voortschrijdend gemiddelde emissieplafond daarin niet uitgesloten.

In hetgeen MOB en SNM stellen, bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gebruik van een vier jaar voortschrijdend gemiddelde emissieplafond niet in strijd is met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

De beroepsgrond faalt.

Emissie van stikstofoxiden

2.13. MOB en SNM betogen dat niet duidelijk is of het emissieplafond voor NOx voldoet aan BBT en of daartoe in alle ketels Low-NOx branders worden geïnstalleerd.

2.13.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.3.1 geldt met betrekking tot de uitstoot van NOx dat vanaf 1 januari 2010 de totale emissieconcentratie (verbrandings- en procesemissies gezamenlijk) wanneer de Selective Catalytic Reduction (hierna: SCR) in bedrijf is, niet meer bedraagt dan 150 mg/Nm3 als daggemiddelde (bij 3% zuurstof). Met betrekking tot de uitstoot van NOx geldt dat vanaf 1 januari 2010 de totale emissieconcentratie (verbrandings- en procesemissies gezamenlijk) niet meer bedraagt dan 150 mg/Nm3 als jaargemiddelde (bij 3% zuurstof).

2.13.2. Volgens het deskundigenbericht komt de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor NOx overeen met de in het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen vermelde bovenwaarde van de met de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomende emissierange voor gasstook. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

Te meer aangezien binnen deze raffinaderij ook olie wordt gestookt, waarvoor in dit BREF een hogere bovenwaarde is vermeld, is er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in vergunningvoorschrift 4.3.1 neergelegde norm toereikend is. Dat om aan deze norm te voldoen niet alle ketels van Low-NOx branders hoeven te worden voorzien, maakt dit niet anders.

De beroepsgrond faalt.

Emissie van stof

2.14. MOB en SNM betogen dat de gestelde emissienormen voor stof niet overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.15. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.4.1 geldt, met betrekking tot de uitstoot van totaal stof uit enig fornuis, dat deels of geheel gestookt wordt op olie, dat de emissie als uurgemiddelde niet meer bedraagt dan 50 mg/Nm3 (droog, bij 3% zuurstof), gemeten gedurende 8 uren inclusief roetblazen.

Ingevolge vergunningvoorschrift 4.4.2 geldt, met betrekking tot de uitstoot van totaal stof uit verbrandingsprocessen dat de totale emissie (als bubble) als jaargemiddelde niet meer bedraagt dan: (Eo x 35) + (Eg x 5) mg/Nm3 met een maximum van 20 mg/Nm3 (droog, bij 3% zuurstof), waarin: Eo = fractie van de totale energie-input die met olie wordt opgewekt; Eg = fractie van de totale energie-input die met gas wordt opgewekt.

2.15.1. Volgens het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen geldt voor stofemissie bij verbrandingsprocessen een met de toepassing van BBT overeenkomende prestatierange van 5-20 mg/Nm3 per dag. Eén lidstaat alsmede de industrie acht een bovengrens van 50 mg/Nm3 per dag in overeenstemming met de toepassing van BBT, zo is in dit BREF vermeld.

2.15.2. Volgens het deskundigenbericht is het maximum voor de jaargemiddelde stofuitstoot uit verbrandingsprocessen in vergunningvoorschrift 4.4.2 van 20 mg/Nm3 ruimer dan de bovenzijde van de daggemiddelde prestatierange uit het BREF van 20 mg/Nm3. De in de considerans van het bestreden besluit berekende jaargemiddelde emissie van 12,5 mg/Nm³, die is gebaseerd op 25% oliestook en 75% gasstook sluit beter aan bij de emissierange uit het BREF, aldus het deskundigenbericht.

2.15.3. Niet in geschil is dat de processen in de fornuizen verbrandingsprocessen zijn, zodat de uitstoot van stof uit de fornuizen zowel direct door vergunningvoorschrift 4.4.1 als indirect door vergunningvoorschrift 4.4.2 wordt genormeerd.

De met vergunningvoorschrift 4.4.2 gehanteerde bubble benadering brengt met zich dat voor zover de daarbij gestelde concentratie-eis voor stof uit verbrandingsprocessen, fornuizen inbegrepen, per saldo een afspiegeling is van het gebruik van BBT, de ingevolge vergunningvoorschrift 4.4.1 voor de fornuizen geldende emissie-eis voor stof niet tevens in overeenstemming met BBT hoeft te zijn. De essentie van de bubble benadering, zoals beschreven in paragraaf 3.5.8.1 van de NeR is immers dat een concentratie-eis of emissieplafond voor de gehele raffinaderij wordt gesteld op voorwaarde dat deze concentratie-eis of het emissieplafond een afspiegeling is van het gebruik van BBT op de gehele raffinaderij. De emissies van de onder de bubble gebrachte afzonderlijke installaties hoeven dan niet alle aan BBT te voldoen.

Dat betekent evenwel niet dat aan vergunningvoorschrift 4.4.1 geen betekenis toekomt. Daarmee is gewaarborgd dat de stofemissie vanwege de fornuizen niet uitkomt boven de als zogenoemde split view in het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen vermelde waarde van 50 mg/Nm3 als daggemiddelde waarde. Een uurgemiddelde norm van 50 mg/Nm3 zoals opgenomen in vergunningvoorschrift 4.4.1 is immers strenger dan een daggemiddelde norm 50 mg/Nm3, zoals ook in het deskundigenbericht is vermeld.

2.15.4. In aanmerking genomen dat het BREF Aardolie en aardgasraffinaderijen voor stofemissie bij verbrandingsprocessen niet uitsluit dat onder omstandigheden een bovengrens van 50 mg/Nm3 als daggemiddelde waarde in overeenstemming is met de toepassing van de beste beschikbare technieken en nu door middel van vergunningvoorschrift 4.4.1 is gewaarborgd dat de stofemissie van de afzonderlijke installaties in ieder geval niet boven deze waarde uitkomt, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval een emissiegrenswaarde voor stof door verbrandingsprocessen van 20 mg/Nm3 als jaargemiddelde waarde in overeenstemming is met de voor deze installaties in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

De beroepsgrond faalt.

Emissienorm voor zware metalen

2.16. MOB en SNM betogen dat de gestelde emissienormen voor zware metalen ontoereikend zijn.

2.16.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.5.1 worden de emissies van de volgende stoffen niet overschreden: cadmium 10 kg/j, chroom 200 kg/j, kwik 8 kg/j, nikkel 2.900 kg/j, selenium 40 kg/j, arseen 40 kg/j en vanadium 4200 kg/j.

2.16.2. Volgens het deskundigenbericht zijn in het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen geen emissiewaarden voor zware metalen vermeld. Het college heeft daarom de systematiek van de NeR gehanteerd bij het vaststellen van de emissienormen voor zware metalen, waarbij het college de stofklassen en grensmassastromen heeft bepaald en de grensmassastromen heeft omgerekend naar jaarvrachten. Deze jaarvrachten zijn vergeleken met de werkelijke jaarvrachten en voor alle metalen waarvan de emissies boven de jaarvracht uitkomen is een norm die overeenkomt met de waarde uit de NeR vastgesteld. Volgens het deskundigenbericht zijn de vastgestelde normen toereikend aangezien deze zijn gebaseerd op de NeR in combinatie met de feitelijke jaarvrachten. Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Hetgeen MOB en SNM hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het college de in vergunningvoorschrift 4.5.1 gestelde emissienormen voor zware metalen niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

De beroepsgrond faalt.

Monitoring van emissies

2.17. MOB en SNM betogen dat continue stofemissiemetingen ontbreken, zodat niet wordt voldaan aan de belangrijkste voorwaarde uit het 'Reference Document on the General Principles of Monitoring' (hierna: het REF Monitoring). Daarnaast is het monitoringsplan ten onrechte niet getoetst aan hoofdstuk 3.7 van de NeR.

2.17.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.3.2, voor zover hier van belang, bepaalt de vergunninghouder de emissies naar de atmosfeer voor stof en zware metalen conform het monitoringsplan Emissie naar atmosfeer, dat als bijlage 2 bij de vergunning is gevoegd. De vergunninghouder legt wijzigingen van dit monitoringsplan, vóór invoering, ter goedkeuring voor aan de directie Ruimte, Milieu en Water.

2.17.2. Het college heeft bij de beoordeling van dit aspect hoofdstuk 3.7 van de NeR gehanteerd. Dit hoofdstuk is geënt op het REF Monitoring. Er is geen grond voor het oordeel dat het college in het REF Monitoring aanleiding had moeten zien om continue meting verplicht te stellen. Het college heeft er dan ook van kunnen afzien continue monitoring van stofemissies en emissies van zware metalen voor te schrijven. Volgens het deskundigenbericht sluit de voorgeschreven wijze van monitoring aan bij het strengste controleregime uit hoofdstuk 3.7 van de NeR. Hetgeen MOB en SNM hebben aangevoerd, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het college dit voorschrift niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverweging

2.18. Het beroep is ongegrond.

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

579.