Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201009782/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Rondweg Reeuwijk-Brug" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201009782/1/R2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

2. [appellant sub 2], wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk

3. [appellante sub 3], wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk

4. de stichting Stichting Behoud Leefomgeving Wervenbuurt en anderen, gevestigd te Gouda,

5. [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] en anderen (hierna: [appellant sub 4] en anderen), allen wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Onroerend Goed Maatschappij Middelwatering Hoogstad B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Middelwatering Vastgoed B.V. (hierna in enkelvoud: Middelwatering Vastgoed), respectievelijk gevestigd te Vlaardingen en Gouda,

en

de raad van de gemeente Reeuwijk, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Rondweg Reeuwijk-Brug" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, beroep ingesteld. Middelwatering Vastgoed heeft bij brief van 7 oktober 2010 beroep ingesteld bij de raad. Dit beroep is bij de raad ingekomen op 11 oktober 2010 en ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. De Stichting en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 november 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellante sub 3], de Stichting en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], beiden bijgestaan door mr. D.N.J. van Horssen, [appellante sub 3], bijgestaan door mr. I. Harms, advocaat te Bodegraven-Reeuwijk, de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door drs. A.L.J. Veraart en M. Pohlkamp, bijgestaan door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Haarlem, [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 4 B], bijgestaan door mr. M.A. de Oude, advocaat te Zoetermeer, Middelwatering Vastgoed, vertegenwoordigd door J. van de Graaf, en de raad, vertegenwoordigd door ir. G.C.J. Tijssen en G.E.M. van Opstal, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M. Visser en ir. P. Westeneng, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een rondweg in Reeuwijk-Brug. Met het plan is beoogd de Zoutmansweg en de Raadhuisweg (N459) te ontlasten en daarmee de leefbaarheid in de kern van Reeuwijk-Brug te verbeteren. De rondweg is ongeveer 3,5 kilometer lang en bestaat uit twee keer één rijstrook. Het tracé loopt grotendeels parallel aan de A12.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad betwist de belanghebbendheid van de Stichting en anderen. In de eerste plaats stelt de raad dat de bewonersvereniging De Twaalf Hoeven (hierna: de bewonersvereniging) niet kan worden aangemerkt als belanghebbende nu uit haar statuten niet blijkt dat zij zich tot doel stelt om bestemmingsplannen die haar belangen zouden raken in rechte aan te vechten. Daarnaast verricht de bewonersvereniging volgens de raad onvoldoende feitelijke werkzaamheden om als belanghebbende te worden aangemerkt. De Stichting Behoud Leefomgeving Wervenbuurt, de Stichting Behoud Leefomgeving Lustenbuurt en de Stichting Wijkteam Plaswijck kunnen volgens de raad evenmin als belanghebbenden worden aangemerkt nu zij niet in hun statutaire belang worden geraakt door alle plandelen van het plan terwijl zij wel tegen het gehele plan opkomen. Daarnaast geldt ook voor deze stichtingen dat zij onvoldoende feitelijke werkzaamheden als hiervoor bedoeld verrichten, aldus de raad.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.2.2. De bewonersvereniging stelt zich blijkens artikel 3 van haar statuten ten doel de behartiging - in het algemeen en tegenover derden - van de gezamenlijke belangen van de leden in hun hoedanigheid van bewoner van een woning gelegen in de zogenaamde Hoevebuurt, voor zover deze belangen betrekking hebben op de woningen met hun aangehorigheden, groenvoorzieningen en recreatiemogelijkheden, het woon- en leefklimaat en overige buurtbelangen. Ingevolge artikel 4 tracht zij dit doel onder meer te bereiken door het organiseren en bevorderen van gemeenschappelijke activiteiten, het voeren van overleg en onderhouden van contacten, en het vertegenwoordigen van de leden in andere organisaties. Ter zitting heeft de bewonersvereniging deze feitelijke werkzaamheden bevestigd en nader toegelicht. De raad heeft deze werkzaamheden niet weersproken.

Gelet op de ruimtelijke uitstraling van het plan is niet uitgesloten dat de realisering hiervan gevolgen kan hebben voor de bewoners van de Hoevebuurt als omschreven in de statutaire doelstelling van de bewonersvereniging. Dat in de statuten niet is vermeld dat de bewonersvereniging een bestemmingsplan in rechte kan aanvechten is niet van belang voor beantwoording van de vraag of de bewonersvereniging een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Gelet op het voorgaande en gelet op haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat de bewonersvereniging door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De bewonersvereniging kan dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.

2.2.3. Naast het doel van de Stichting Behoud Leefomgeving Lustenbuurt, de Stichting Behoud Leefomgeving Wervenbuurt en de Stichting Wijkteam Plaswijck om - verkort weergegeven - een gezond leefklimaat en voldoende natuurrecreatiemogelijkheden in Plaswijck te bevorderen is, om te kunnen bepalen of het belang van voornoemde stichtingen rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verrichten met het oog op de behartiging van hun doelstelling. Gebleken is dat de door hen verrichte werkzaamheden onder meer bestaan uit het geven van voorlichting middels een website, nieuwsbrieven en voorlichtingsavonden, contacten onderhouden met andere belangengroepen, de politiek, de pers, en het in rechte optreden. Gelet op het hiervoor aangehaalde doel van de stichtingen in samenhang met hun feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat hun belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Voor het standpunt van de raad dat de stichtingen niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij het gehele plan bestaat voorts geen aanleiding, nu niet is uitgesloten dat de stichtingen door alle plandelen worden geraakt in hun statutaire belang.

Inspreken

2.3. [appellante sub 3] voert allereerst aan dat zij zich niet heeft kunnen voorbereiden op en niet heeft kunnen inspreken in de raadsvergadering van 28 juni 2010 doordat zij de reactie op haar zienswijze van de raad op een te laat moment ontving.

2.3.1. De Wet ruimtelijke ordening noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht de raad in een geval als dit belanghebbenden voor de raadsvergadering een reactie te sturen op hun zienswijze zodat zij in de gelegenheid zijn in te spreken tijdens de raadsvergadering. Daargelaten of het [appellante sub 3] in feite onmogelijk is gemaakt in te spreken, kan deze beroepsgrond derhalve niet leiden tot het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het recht. Het betoog faalt.

Milieueffectrapportage

2.4. De Stichting en anderen betogen dat in strijd met wet- en regelgeving niet is bezien of ten behoeve van het plan een milieueffectrapport (hierna: MER) had moeten worden gemaakt. Hiertoe stellen zij dat het plan in samenhang had moeten worden beoordeeld met onder andere het verlengde van de N459. Daarnaast stellen de Stichting en anderen dat het voor ontwikkelingen als waarin het plan voorziet gebruikelijk en wenselijk is dat een MER wordt gemaakt.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er in dit geval geen (beoordelings)plicht tot het maken van een MER bestaat, nu de in het plan mogelijk gemaakte rondweg niet zal leiden tot een overschrijding van de drempelwaarde en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen. Daarnaast stelt de raad dat het plan los staat van mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de omgeving. Volgens de raad is er ook nog geen planologisch voornemen voor dergelijke ontwikkelingen.

2.4.2. De Afdeling stelt allereerst vast dat de in het plan voorziene aanleg van de rondweg met een totale lengte van 3,5 kilometer zelfstandig niet de drempelwaarde van 5 kilometer overschrijdt als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zodat in zoverre geen MER behoefde te worden gemaakt dan wel beoordeeld diende te worden of een MER moest worden gemaakt. Dat desondanks een MER moet worden gemaakt omdat de rondweg als één samenhangende activiteit moet worden gezien met andere actuele regionale verkeersontwikkelingen waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden ten tijde van de vaststelling van het plan, is niet aannemelijk gemaakt. De Stichting en anderen hebben tot slot niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van andere factoren als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europese Parlement en de Raad van 26 mei 2003) in verband waarmee - gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu) - ondanks het feit dat de omvang van het project onder de drempelwaarde blijft ook bij het niet overschrijden van een drempelwaarde een MER-beoordeling had moeten worden gemaakt. Het betoog faalt.

Verkeer

2.5. De Stichting en anderen betwisten de noodzaak voor de aanleg van de rondweg. Zij stellen dat door betere benutting van de bestaande verkeersinfrastructuur in de regio er geen rondweg nodig is om de Zoutmansweg - Raadhuisweg in Reeuwijk-Brug te ontlasten. Zij verwijzen hiervoor naar het in hun opdracht opgestelde rapport "Gebiedsgerichte Netwerkaanpak Regio Gouda-Bodegraven/Reeuwijk" van J. van Kooten van 7 november 2010 (hierna: het rapport Gebiedsgerichte Netwerkaanpak). Door op regionaal niveau in een oplossing te voorzien nemen de leefbaarheid, de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid toe, terwijl hier minder kosten aan zijn verbonden dan aan de aanleg van de rondweg, aldus de Stichting en anderen. Daarbij stellen zij en [appellant sub 4] en anderen dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de verkeersonderzoeken. De Stichting en anderen stellen onder meer dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg Gouda, de verbreding van de A12 en de Goudse Poort. Daarnaast wijzen zij op plannen van de raad om het industrieterrein Zoutman uit te breiden met gevolgen voor de verkeersintensiteit op de rondweg, wat impact zal hebben op de bewoners van Plaswijck. Ook stellen zij dat onder andere de omrijdtijd en -afstand niet zijn bezien. [appellant sub 4] en anderen stellen daarnaast dat de verkeerskundige onderbouwing van het plan onvoldoende actueel is.

2.5.1. De raad stelt dat in regionaal verband overleg is gevoerd over de aanleg van de rondweg. Omliggende gemeenten alsmede de Rijksinspectie van VROM (thans: de Inspectie Leefomgeving en Transport), de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland, hebben volgens de raad met de aanleg van de rondweg ingestemd. De raad stelt voorts dat de keuze voor een rondweg gedragen wordt door de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken. De raad verwijst onder meer naar de memo van 2 april 2010 van DHV waaruit volgens hem volgt dat de rondweg vanuit verkeerstechnisch- en veiligheidsoogpunt de beste oplossing is. De raad stelt voorts dat in de verkeersonderzoeken rekening is gehouden met alle voorgenomen ontwikkelingen waarover besluitvorming had plaatsgevonden op het moment van vaststelling van het plan, zoals de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg Gouda, de verbreding van de A12 richting Utrecht en met betrekking tot het bedrijventerrein Zoutman.

2.5.2. Uit het rapport "Verkenning Randweg Reeuwijk" van 2 maart 2006 van Grontmij volgt dat onderzoek is gedaan naar mogelijke tracés van een rondweg met daarbij een globale inschatting van de effecten en consequenties van de rondweg. Uit het onderzoek blijkt voorts dat in 1988 al een tracéstudie is gedaan waaruit alternatieven voor de bestaande verkeersroute zijn voortgekomen. In het onderhavige onderzoek is een aantal tracévarianten beoordeeld op de onderdelen: verkeersveiligheid, verkeersleefbaarheid, bereikbaarheid, doorstroming, milieu en ruimte, natuur, geluid en barrièrewerking.

Het rapport "Randweg Reeuwijk" van 31 oktober 2007 van Grontmij bevat een analyse van de verkeersstromen in het kader van de mogelijke realisatie van de rondweg. Ook in dit rapport zijn verschillende varianten onderzocht. De conclusie is onder meer dat de aanleg van de rondweg leidt tot een (zeer) sterke afname van het verkeer door de kern van Reeuwijk.

Het rapport "Rondweg Reeuwijk" van 21 november 2008 van Grontmij bevat een aanvullende analyse inzake de te verwachten verkeersstromen als gevolg van de realisatie van een rondweg Reeuwijk. Om een goed beeld te krijgen van de te verwachten verkeersstromen en bijkomende effecten is een aantal aanvullende scenario's voor de rondweg opgesteld. Deze scenario's zijn doorgerekend met behulp van het regionale verkeersmodel. In het rapport is vermeld dat het aanwezig zijn van de Zuid westelijke Randweg, programma's in de Goudse Poort, Spoorzone en Westergouwe in het model is verdisconteerd. Uit het onderzoek volgt dat het voor het verkeer alleen aantrekkelijk wordt om de rondweg te kiezen indien verkeersbelemmerende maatregelen op de oude route maximaal zijn en de doorstroming op de rondweg optimaal is. Dit laatste kan worden bereikt door het toepassen van een 80 kilometer per uur (hierna: km/uur) regime in plaats van 60 km/uur. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat de intensiteit op de Bodegraafsestraatweg ten zuiden van de aantakking met de rondweg in alle scenario's ongeveer gelijk blijft. De aanleg van de rondweg heeft volgens het onderzoek dan ook geen verkeersaantrekkende werking op de Bodegraafsestraatweg in Gouda.

Het rapport "Alternatieven rondweg Reeuwijk" van 24 november 2008 van Grontmij heeft betrekking op de aangedragen alternatieven voor de rondweg. Doel van het onderzoek is te onderzoeken of verkeersbelemmerende maatregelen hetzelfde intensiteitsreducerende effect op het traject Zoutmansweg - Raadhuisweg hebben als de rondweg. Hiertoe worden de alternatieven kort beschreven en wordt een globale beoordeling gegeven van de voor- en nadelen van de alternatieve oplossingsrichtingen. De conclusie is onder meer dat alle alternatieve maatregelen in meer of mindere mate de bereikbaarheid van Reeuwijk-Brug voor zowel ingaand als uitgaand verkeer benadelen. Daarnaast is één van de conclusies dat toepassing van drempels en/of snelheidshandhaving de snelheid zal doen verlagen maar niet zal leiden tot minder intensiteit van het verkeer.

De memo van 2 april 2010 van DHV bevat een reactie op een presentatie van de bewoners van Plaswijck met betrekking tot betere benutting van de regionale infrastructuur. Volgens de memo blijkt uit diverse doorrekeningen van DHV met behulp van het regionaal verkeersmodel dat de rondweg Reeuwijk geen verkeersaantrekkende werking heeft. Dit komt volgens de memo doordat de rondweg vooral wat betreft lengte, maar ook wat betreft rijtijd langer is dan de huidige route door de kern Reeuwijk-Brug. Door het toepassen van snelheidsbeperkende maatregelen in de kern van Reeuwijk-Brug wordt bereikt dat de route door de kom wat betreft rijtijd langer wordt dan de route via de rondweg. Uit de verkeersmodelberekeningen blijkt volgens de memo dat 60% van het verkeer op de Zoutmansweg tussen Gouda en Reeuwijk bij aanleg van de rondweg gebruik zal gaan maken van de rondweg. Daarmee is volgens de memo aangetoond dat met de rondweg het beoogde doel zal worden bereikt, namelijk ontlasting van de route door de kern Reeuwijk-Dorp, zonder dat regionaal gezien de rondweg extra verkeersaantrekkende werking heeft. De vraag in hoeverre door een betere benutting van de regionale infrastructuur en de lokale infrastructuur van de gemeente Gouda ook een dergelijke ontlasting van de verkeersdruk op de route door Reeuwijk bereikt kan worden is ook onderzocht. In de memo wordt de conclusie getrokken dat gelet op de omrijdafstand het alternatief van regionale benutting niet tot ditzelfde effect kan leiden.

De memo van 29 april 2010 van DHV heeft betrekking op het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangedragen alternatief, waarbij de aansluiting Oud-Reeuwijkseweg wordt uitgevoerd als een viertaksrotonde in plaats van een rotonde met een T-kruising. Dit alternatief is in de memo vergeleken met de in het plan voorziene rondweg. De beide varianten zijn met elkaar vergeleken op de punten: veiligheid voor fietsers, veiligheid autoverkeer, afwikkeling doorgaand verkeer, uitwisseling verkeer, ruimtebeslag, uitvoerbaarheid en aanlegkosten. De conclusie is dat de in het plan voorziene rondweg beter scoort op deze punten. Daarbij komt dat de door appellanten voorgestelde variant meer kosten met zich brengt, te weten € 700.000, mede door hogere grondexploitatiekosten.

2.5.3. Niet in geschil is dat de Zoutmansweg - Raadhuisweg dient te worden ontlast zodat de leefbaarheid in de kern van Reeuwijk-Brug verbetert. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat vaststelling van het plan nodig is om dit te bereiken. Hiertoe is van belang dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hoewel de overlast in de kern van Reeuwijk-Brug een regionale oorzaak heeft het een lokaal probleem is. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat de rondweg in regionaal verband is besproken. Daarnaast heeft de raad kunnen overwegen dat het in beginsel niet tot zijn bevoegdheid behoort om de regionale infrastructuur te herzien in de vorm zoals door de Stichting en anderen wordt voorgestaan. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat betere regionale benutting van de bestaande infrastructuur, zoals opgenomen in het rapport Gebiedsgerichte Netwerkaanpak, vergelijkbare resultaten heeft als of zelfs betere resultaten heeft dan de rondweg en daadwerkelijk tot een ontlasting van de Zoutmansweg - Raadhuisweg leidt. De Afdeling verwijst naar de hiervoor aangehaalde onderzoeken. De Stichting en anderen noch [appellant sub 4] en anderen hebben aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken dusdanige gebreken bevatten dat de raad zich hier niet in redelijkheid op heeft mogen baseren. Hiertoe overweegt de Afdeling dat in de verkeersonderzoeken rekening is gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving die van invloed kunnen zijn op de verkeersaantallen in de kern van Reeuwijk alsmede op de verkeersaantrekkende werking van de rondweg. In dit verband is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling slechts ontwikkelingen behoeven te worden meegenomen waarover planologische besluitvorming heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de raad hier niet naar heeft gehandeld. Tevens is van betekenis dat de gehanteerde verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op een regionaal verkeersmodel dat door de provincie en Rijkswaterstaat wordt ondersteund en gehanteerd. Naar de raad onweersproken stelt wordt dit model door verkeerstellingen van de gemeente bevestigd. Dat desondanks een meer dynamisch model had moeten worden gehanteerd, is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is van belang dat zowel de omrijdtijd als de omrijdafstand aspecten zijn die in het onderzoek zijn betrokken. Wat betreft de actualiteit van de onderzoeken overweegt de Afdeling dat [appellant sub 4] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat na de onderzoeksperioden zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed zijn voor de uitkomsten van de onderzoeken. In dit verband is van belang dat met de in het verkeerscirculatieplan opgenomen maatregelen beoogd wordt te voldoen aan de in de onderzoeken geformuleerde voorwaarden voor het realiseren van een verkeersluwe kern. Tot slot is niet aannemelijk geworden dat de verkeersonderzoeken anderszins onvolledig of onjuist zijn. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de rondweg nodig is voor ontlasting van de Zoutmansweg - Raadhuisweg. Het betoog faalt.

2.6. De Stichting en anderen stellen verder dat onvoldoende vaststaat dat met het plan kan worden voldaan aan de in de verkeersonderzoeken gestelde voorwaarden, zodat niet duidelijk is of met het plan daadwerkelijk een verkeersluwe kern wordt gerealiseerd en de leefbaarheid toeneemt. Zij wijzen erop dat het verkeerscirculatieplan nog niet is vastgesteld en achten nader onderzoek nodig. Ook wat betreft de verkeersveiligheid is volgens hen nader onderzoek nodig. De Stichting en anderen stellen daarnaast dat evenmin vaststaat dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat het plan geen verkeersaantrekkende werking heeft op met name de Bodegraafsestraatweg in Gouda. Zij vrezen dat daardoor milieuoverlast zal ontstaan voor de bewoners en de omgeving.

2.6.1. De raad stelt dat aan de voorwaarden uit de onderzoeken van Grontmij enerzijds wordt voldaan door het hanteren van een snelheidsregime op de rondweg van 50 km/uur in de bebouwde kom en 80 km/uur buiten de bebouwde kom en anderzijds door het treffen van zogenoemde demotiverende maatregelen in de kern van Reeuwijk-Brug teneinde te voorkomen dat automobilisten gebruik blijven maken van de huidige route. Deze maatregelen zijn opgenomen in het concept-verkeerscirculatieplan dat op 1 maart 2010 is vastgesteld en in 2011 wordt uitgewerkt. De raad stelt voorts dat het plan niet leidt tot extra verkeersdruk op de Bodegraafsestraatweg.

2.6.2. De raad heeft met het oog op de in de onderzoeken geformuleerde voorwaarden voor het realiseren van een verkeersluwe kern, zoals hiervoor onder 2.5.2. weergeven, een verkeerscirculatieplan vastgesteld. Hierin zijn onder meer zogenoemde demotiverende maatregelen opgenomen voor de huidige route. Zo is onder andere in het verkeerscirculatieplan opgenomen dat een snelheidsregime van 30 km/uur op de Zoutmansweg - Raadhuisweg wordt ingesteld en dat versmallingen worden aangebracht. In het verkeerscirculatieplan is daarnaast vermeld dat indien de doelstellingen niet worden behaald door de hierin opgenomen maatregelen wordt overgegaan tot ingrijpender maatregelen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een knip in de huidige doorgaande route wordt aangebracht. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze maatregelen niet kunnen worden getroffen of dat desondanks niet aan de voorwaarden kan worden voldaan voor het realiseren van een verkeersluwe kern. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het verkeerscirculatieplan thans wordt uitgewerkt en verfijnd.

Met betrekking tot de Bodegraafsestraatweg overweegt de Afdeling dat door voornoemde maatregelen zowel de bestaande route als de rondweg een langere reistijd krijgt dan in de huidige situatie. Uit de onderzoeken volgt dat dit tot de conclusie leidt dat er geen verkeersaantrekkende werking uitgaat van het plan. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Dit brengt mee dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat de gevreesde milieuoverlast zich zal voordoen. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling tevens voldoende onderbouwd dat voor de vaststelling van het plan geen nader onderzoek behoefde plaats te vinden. De conclusie is dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wordt voldaan aan de in de onderzoeken gestelde voorwaarden voor het creëren van een verkeersluwe kern. Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat de raad, gelet op de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid en de hoge kosten van het plan, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve oplossingen voor de bestaande verkeersproblematiek. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de raad ten onrechte niet de door hen voorgestelde alternatieve vormgeving met één rotonde heeft meegenomen in zijn besluitvorming. [appellant sub 1] verwijst in dit verband naar de memo "Verkeerskundige analyse alternatieve rotonde Oud Reeuwijkseweg" van 28 februari 2012 van bureau Maris.

2.7.1. De raad stelt dat de provincie in een eerder stadium van de voorbereiding van het plan niet akkoord is gegaan met de ontsluiting van Reeuwijk-Dorp naar de rondweg via de Baarsjeskade. Voor het overige verwijst de raad naar de memo van 29 april 2010 van DHV.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 maart 2010 in zaaknr. 200904499/1/R3) dient de raad bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

2.7.3. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen bestaat geen grond voor het oordeel dat gelet op de gevolgen voor de verkeersveiligheid en de financiële gevolgen van het plan, de raad de voor- en nadelen van alternatieven onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. Hiertoe is in de eerste plaats van belang dat uit verschillende onderzoeken volgt dat de rondweg geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet bij deze conclusie heeft mogen aansluiten. De kosten van het plan, wat daar ook van zij, heeft de raad daarnaast in zijn beoordeling betrokken doch niet doorslaggevend geacht gelet op de resultaten die te behalen zijn met de rondweg. De raad heeft wat betreft het alternatief van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] mogen aansluiten bij het afwijzende standpunt daarover van de provincie en in de memo van 29 april 2010 van DHV, zoals hiervoor onder 2.5.2. is aangehaald. Hiertoe is van belang dat de memo van bureau Maris geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de onderzoeken dusdanig gebrekkig zijn dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Het enkele feit dat het alternatief van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] volgens bureau Maris op punten beter scoort, wat daar ook van zij, betekent niet dat de raad het plan voor de rondweg niet heeft kunnen vaststellen. De raad heeft hiertoe immers, blijkens de memo van DHV van 29 april 2010, de voor- en nadelen van het alternatief afgewogen. Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 4] en anderen stellen eveneens dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven voor de rondweg. De Afdeling overweegt hieromtrent dat [appellant sub 4] en anderen geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die ondanks hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding geven voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

Geluid

2.9. De Stichting en anderen, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen stellen dat het plan leidt tot onaanvaardbare geluidoverlast. De Stichting en anderen en [appellante sub 3] voeren in dit verband aan dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het akoestisch onderzoek in het rapport "Milieukundig onderzoek, Rondweg te Reeuwijk-Brug" van december 2009 van Milieudienst Midden-Holland (hierna: het milieukundig onderzoek). De Stichting en anderen stellen dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is en dat de adviezen van Grontmij en DHV op dit punt tegenstrijdig zijn.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij zich heeft mogen baseren op het milieukundig onderzoek. De raad stelt dat onderzoek is gedaan naar cumulatieve geluidbelasting en de aanvaardbaarheid hiervan. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de woningen door de rondweg wijzigt, maar niet significant verslechtert zodat er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Volgens de raad is de bijdrage van de geluidproductie van de rondweg in relatie tot de geluidbelasting van de A12 gering.

2.9.2. Uit het milieukundig onderzoek volgt dat de aanleg van de rondweg tot een sterke afname leidt van de geluidbelasting bij de woningen langs de Zoutmansweg en Raadhuisweg. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat ter hoogte van een aantal locaties de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van het plan. Hiervoor zijn geluidreducerende maatregelen noodzakelijk. Volgens het milieukundig onderzoek heeft de raad besloten daar waar noodzakelijk het wegdek op de rondweg uit te voeren met geluidreducerend asfalt alsmede tot het plaatsen van geluidschermen ter hoogte van de Einstein/Edisonstraat en een aarden wal met geluidscherm tussen de rondweg en Plaswijck. Door deze geluidreducerende maatregelen wordt slechts bij 4 woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor deze 4 woningen dient volgens het milieukundig onderzoek een hogere grenswaarde te worden vastgesteld.

2.9.3. Ingevolge artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), voor zover hier van belang, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van akoestisch onderzoek, ter plaatse van woningen waarop Afdeling 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI van toepassing is en die in twee of meer aanwezige geluidzones als bedoeld in artikel 74 van de Wgh zijn gelegen, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

2.9.4. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder i, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor bij deze functies behorende voorzieningen, zoals geluidwerende voorzieningen.

2.9.5. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het milieukundig onderzoek. Hiertoe is in de eerste plaats van betekenis dat, anders dan de appellanten stellen, de cumulatieve geluidbelasting op de woningen is onderzocht. De raad heeft hieromtrent ter zitting toegelicht dat dit volgt uit de in figuur 10 en 11, in samenhang bezien met tabel V, opgenomen waarden. Hierin is volgens de raad het effect van geluidreducerende maatregelen niet betrokken. De Afdeling overweegt dat de Wgh ingevolge artikel 110f, derde lid, in het onderhavige geval slechts verplicht onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen voor de woningen waarvoor bij besluit van 22 januari 2010 een hogere grenswaarde is vastgesteld en die in een tweede geluidzone liggen. Het milieukundig onderzoek, voor zover betrekking hebbend op de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van woningen die niet in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidzones liggen of waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld moet dan ook worden aangemerkt als een uit hoofde van de Wgh onverplicht opgesteld onderdeel. Voor zover wordt betoogd dat dit onderdeel van het milieukundig onderzoek niet in overeenstemming is met de Wgh kan dit derhalve reeds hierom geen doel treffen. Voor zover appellanten aanvoeren dat het milieukundig onderzoek desondanks onvolledig of onjuist is, hebben zij dit niet met feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat het milieukundig onderzoek onjuist is omdat twee adviesbureaus met tegenovergestelde conclusies komen, wat daar ook verder van zij, kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat het milieukundig onderzoek wat betreft het aspect geluid dusdanig gebrekkig is dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Wat betreft de betwiste marge van 20% in het geluidonderzoek overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat deze marge slechts is toegepast om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting is op de woningen in het geval het verkeer in afwijking van de geraamde verkeersintensiteiten met 20% extra zal toenemen. Niet aannemelijk is geworden dat de marge in dit licht bezien ertoe leidt dat het geluidonderzoek onzorgvuldig moet worden geacht. Hierbij betrekt de Afdeling hetgeen zij heeft overwogen onder 2.5.3 dat de raad zich op de verkeersonderzoeken heeft mogen baseren. De Afdeling overweegt voorts dat met de reactie van de raad op de zienswijzen, het milieukundig onderzoek, alsmede de verbeelding in combinatie met de planregels, voldoende vaststaat dat de raad de noodzakelijke geluidreducerende maatregelen zal treffen teneinde te voldoen aan de Wgh alsmede teneinde een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Het betoog faalt.

2.10. [appellante sub 3] stelt dat in de bocht van de rondweg bij haar woning geen geluidreducerend asfalt wordt aangebracht, zodat volgens haar in het milieukundig onderzoek geen aftrek had mogen plaatsvinden voor de berekening van de geluidbelasting op haar woning. [appellante sub 3] stelt dat gelet hierop onvoldoende vaststaat dat de geluidbelasting op haar woning ten gevolge van het plan niet uitkomt boven 48 dB, te meer nu het plan volgens haar niet voorziet in geluidreducerende voorzieningen ter plaatse van haar woning. Zij wijst voorts op de al bestaande hoge geluidbelasting van de A12. Een en ander betekent volgens [appellante sub 3] dat een hogere grenswaarde had moeten worden vastgesteld voor haar woning, hetgeen volgens haar door de VROM-inspectie ook is geadviseerd.

2.10.1. De raad stelt dat in het onderzoek ermee rekening is gehouden dat de bocht van de rondweg bij de woning van [appellante sub 3] niet zal worden uitgevoerd met stil asfalt. De raad stelt daarnaast dat de A12 voor de geluidbelasting op de woning van [appellante sub 3] bepalend is. Het plan heeft gezien deze belasting nauwelijks effect voor de totale geluidbelasting op de woning. Daarbij stelt de raad dat geluidreducerende maatregelen worden getroffen en dat steeds onderhoud zal plaatsvinden aan de weg en de geluidreducerende voorzieningen.

2.10.2. Anders dan [appellante sub 3] stelt is, naar ter zitting is toegelicht, in het onderzoek betrokken dat de bocht van de rondweg bij haar woning niet met stil asfalt wordt uitgevoerd. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is of dat het milieukundig onderzoek desondanks onzorgvuldig is. Verder is van belang dat de raad heeft gesteld dat de geluidbelasting van de A12 voor de woning van [appellante sub 3] maatgevend is. [appellante sub 3] heeft dit niet met feiten en omstandigheden weerlegd. Daarbij is van betekenis dat het plan blijkens de onder 2.9.4 weergegeven planregel voorziet in geluidreducerende voorzieningen. Hieromtrent heeft de raad ter zitting toegelicht dat deze voorzieningen zullen worden gerealiseerd teneinde zeker te stellen dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat geen hogere grenswaarde ingevolge de Wgh behoefde te worden vastgesteld. Evenzeer heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de geluidbelasting op de woning van [appellante sub 3] uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet onaanvaardbaar is.

Overig woon- en leefklimaat

2.11. [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen stellen voorts dat het plan een beperking van hun uitzicht met zich brengt. Tevens betekent het plan volgens [appellante sub 3] een verslechtering van de luchtkwaliteit. [appellant sub 4] en anderen stellen in dit kader dat onzeker is of het luchtkwaliteitsonderzoek, dat gebaseerd is op verkeersonderzoek uit 2007 en 2008, voldoende representatief is om aan de hand daarvan de gevolgen van de aanleg en gebruik van de rondweg voor de luchtkwaliteit te bepalen. Daarnaast leidt het plan volgens [appellante sub 3] tot een aantasting van haar privacy, en tot lichthinder en watervervuiling. Ook neemt de verkeersveiligheid af ter plaatse van haar woning, in het bijzonder wat betreft de ontsluiting van haar perceel. [appellant sub 4] en anderen concluderen dat de raad onvoldoende hun belangen in zijn besluitvorming heeft betrokken. [appellante sub 3] stelt tot slot dat zij schade aan haar woning zal lijden door de heiwerkzaamheden voor de aanleg van de weg.

2.11.1. Uit het milieukundig onderzoek volgt dat langs de rondweg geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit als bedoeld in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De aanleg van de rondweg leidt volgens het onderzoek tot een verlaging van de jaargemiddelde immissie-concentraties langs de Zoutmansweg - Raadhuisweg. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uursgemiddelde grenswaarde neemt hier door de nieuwe rondweg met 1-3 af. Er treedt wel een toename op van drie microgram NO2 en 0,8 microgram PM10 ter plaatse van de Edisonstraat, maar dit blijft volgens het onderzoek onder de grenswaarde.

2.11.2. Het belang bij de rondweg heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderbouwd. In dit licht bezien hebben [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat aan hun belangen bij behoud van hun woon- en leefklimaat een groter gewicht had moeten worden toegekend. Hiertoe overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het uitzicht dusdanig verslechtert dan wel de privacy dusdanig wordt aangetast dat dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Daarnaast is van belang dat uit onderzoek inzake luchtkwaliteit volgt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen hebben deze conclusie op zich zelf niet weersproken en niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek is gebaseerd op verouderde verkeersgegevens. Wat betreft de door [appellante sub 3] gestelde lichthinder is van belang dat de raad ter zitting heeft bevestigd dat voorzieningen worden getroffen ter beperking van eventuele lichtinval die wordt veroorzaakt door auto's die van de nieuwe rondweg gebruik zullen gaan maken. Dat het plan zal leiden tot vervuiling van het water heeft [appellante sub 3] voorts niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Een verkeersveilige ontsluiting van het perceel van [appellante sub 3] wordt, zo heeft de raad ter zitting verklaard, gewaarborgd door maatregelen te treffen bij de uitvoering van het plan. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 3] betreft overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Hierbij is van belang dat de raad ter zitting heeft toegezegd een nulmeting te houden en te monitoren of schade optreedt door te veel trilling. De Afdeling acht tot slot niet zonder belang dat de raad in overleg is met [appellant sub 4] en anderen over mogelijke schadebeperkende maatregelen. Hierbij wordt door de raad onderzocht of er alternatieven voor het geluidscherm zijn, wordt gekeken naar alternatieve locaties voor de bewoners en het herontwikkelen van de woningen naar andere functies. Het betoog faalt.

Natuur

2.12. De Stichting en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Verordening Ruimte van 2 juli 2010 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte), zoals deze in werking is getreden op 26 juli 2010. Zij stellen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor het unieke veenweidelandschap waarin het plangebied ligt. Zij verwijzen onder meer naar het rapport Landschapskwaliteiten Veenweiden Reeuwijk van 2008 en de Structuurvisie Gemeente Reeuwijk van 2009. Zij stellen dat de voorziene aftakkingen op de rondweg mee hadden moeten worden genomen in de afweging, nu deze voldoende concreet zijn. Daarnaast hadden de verdere ontwikkelingen in de omgeving in het onderzoek meegenomen moeten worden.

2.12.1. De raad stelt dat er geen centrale open ruimte wordt aangetast door het plan zodat geen sprake is van een aantasting van het veenweidelandschap. Hiertoe stelt de raad dat de rondweg weliswaar in het veenweidelandschap ligt doch dat de rondweg aansluit bij de bestaande structuren zoals de Westkade en het beeldbepalende grondlichaam van de A12. De raad stelt dat dit ook blijkt uit de instemming van het Rijk en de provincie met het plan. Zij zouden immers niet hebben ingestemd met het plan indien dit zou leiden tot een aantasting van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden, aldus de raad.

2.12.2. De Afdeling overweegt allereerst dat de door de Stichting en anderen ingeroepen Verordening Ruimte is vastgesteld en in werking is getreden na de vaststelling van het plan zodat de raad hier in zoverre niet aan gebonden was. Niet in geschil is dat de rondweg in een gebied ligt met natuurwaarden. De raad heeft hier evenwel rekening mee gehouden bij de keuze voor het tracé en zal hier, naar ter zitting is bevestigd, voorts rekening mee houden bij de uitvoering van het plan. Wat betreft de gestelde toekomstige aftakkingen is van belang dat opnieuw niet is gebleken dat voor deze ontwikkelingen planologische besluiten zijn genomen. Nu ook anderszins niet is gebleken dat deze ontwikkelingen meegenomen hadden moeten worden, behoefde de raad hier in zoverre geen rekening mee te houden. Onder voornoemde omstandigheden volgt de Afdeling de Stichting en anderen niet in hun betoog dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen in verband met de ligging van de rondweg in een veenweidelandschap. Het betoog faalt.

Cultuur

2.13. De Stichting en anderen stellen voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijk beleid voor landschapsbescherming nu met de rondweg de cultuurhistorische waarden van het veenweidelandschap worden aangetast.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het cultuurhistorisch onderzoek "Wegaanleg Westkade - Baarsjeskade Reeuwijk in cultuurhistorisch - ruimtelijk opzicht" van 5 november 2008 van Bureau Landzij (hierna: het cultuurhistorisch onderzoek) zorgvuldig is uitgevoerd en dat hij zich hierop heeft mogen baseren. Volgens de raad volgt hieruit dat de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast bij een zorgvuldige inpassing. Dit betekent onder andere dat er geen grote vergravingen mogen plaatsvinden, geen hoge portalen mogen worden gebouwd, en de weg niet mag worden verhoogd. De raad stelt dat hier bij de verdere civieltechnische uitwerking en realisatie van de rondweg rekening mee wordt gehouden doordat contractueel wordt vastgelegd dat de aannemer zich hieraan houdt.

2.13.2. Uit het cultuurhistorisch onderzoek volgt dat inpassing van de rondweg in de bestaande lijnstructuren van de Westkade en Baarsjeskade goed mogelijk is. Er zijn echter wel enige aandachtspunten in verband met de beleving, de zichtbaarheid en de inpassing in het open veenweidegebied. Dit betreft volgens het cultuurhistorisch onderzoek vooral de hoogte van de weg en van kunstwerken in verband met de zichtbaarheid, het soort wegbedekking en de toegestane verkeerssnelheid in verband met geluid, en de mate en wijze van verlichting om te donkere delen te voorkomen. Volgens de plantoelichting zal in het ontwerp van de rondweg rekening worden gehouden met de huidige verschijningsvorm van de Westkade. De weg zal niet hoog boven de huidige kade worden aangelegd, het snelheidsregime zal 50 km/uur binnen de bebouwde kom bedragen, de weg zal zoveel mogelijk de lengterichting van de kade volgen en de verlichting langs de rondweg zal tot de kruisingen beperkt zijn.

2.13.3. Gelet op de conclusies in het cultuurhistorisch onderzoek en de stelling van de raad dat gevolg wordt gegeven aan de adviezen hierin door deze als voorwaarden in het contract met de aannemer op te nemen, zoals ter zitting bevestigd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een aantasting van het cultuurhistorisch landschap. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de Stichting en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het cultuurhistorisch onderzoek. Evenmin is aannemelijk geworden dat de raad geen gevolg zal geven aan de adviezen uit het cultuurhistorisch onderzoek, of dat het niet mogelijk is deze uit te voeren. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

2.14. [appellante sub 3] en de Stichting en anderen stellen dat niet zeker is of de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Stichting en anderen voeren in dit verband aan dat het aan het plan ten grondslag gelegde ecologisch onderzoek "Omleidingsweg Reeuwijk-Brug" van juli 2007 van Watersnip Advies (hierna: het ecologisch onderzoek) is verouderd. Zij stellen dat de ecologische situatie is gewijzigd sinds de onderzoeksperiode zodat thans onduidelijk is of met de realisering van het plan in strijd wordt gehandeld met de Ffw. Zij verwijzen in dit kader naar het stuk "Juridische bescherming van biodiversiteit in de Noordzee" van december 2008 van het Centrum voor Omgevingsrecht en -beleid/ Netherlands Institute for the Law of the Sea. Tevens stellen zij dat de voor realisering van het plan verleende ontheffing ingevolge de Ffw op onjuiste gronden is verleend nu hierin niet het alternatief regionale benutting is betrokken.

2.14.1. De raad stelt dat bij besluit van 10 oktober 2008 voor het plan ingevolge de Ffw ontheffing is verleend voor de periode 1 oktober 2009 tot en met 1 oktober 2014. Dit besluit is volgens de raad op goede gronden verleend. De raad licht toe dat in overleg met de Dienst Landelijk Gebied de mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen zoals vastgelegd in het besluit van 10 oktober 2008. Wat betreft het door de Stichting en anderen gestelde alternatief van regionale benutting stelt de raad dat dit niet wordt beschouwd als een zeker en op korte termijn effectief middel tot het wegnemen van de verkeersoverlast in de kern van Reeuwijk-Brug, zodat er in zoverre geen aanleiding bestond dit mee te nemen in het kader van een aanvraag op grond van de Ffw.

2.14.2. Uit het ecologisch onderzoek volgt dat mits het plan gerealiseerd wordt buiten het broedseizoen geen ontheffing nodig is ingevolge de Ffw. Voor vleermuizen, de ringslang en de kleine modderkruiper dient ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten kunnen mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen.

2.14.3. Vaststaat dat de minister op 10 oktober 2008 ontheffing heeft verleend ingevolge de Ffw. In dit licht bezien geven de door de Stichting en anderen hieromtrent aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand er niet vanuit mocht gaan dat het plan uitvoerbaar is. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het door de Stichting en anderen overgelegde stuk inzake de biodiversiteit in de Noordzee geen betrekking heeft op het plangebied of de directe omgeving hiervan zodat het niet kan leiden tot de conclusie dat de raad zich niet op bovengenoemd ecologisch onderzoek heeft mogen baseren. De enkele stelling dat het onderzoek verouderd is geeft hiertoe evenmin aanleiding. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.3 inzake het alternatief van regionale benutting heeft de raad in redelijkheid dit alternatief niet hoeven voor te leggen in het kader van de aanvraag van de ontheffing ingevolge de Ffw. [appellante sub 3] heeft het gestelde over de aanwezigheid van zogenoemde rodelijst-soorten niet onderbouwd. Tot slot is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat naast voornoemde ontheffing nog andere ontheffingen op grond van deze wet nodig waren. Het betoog faalt.

2.15. [appellante sub 3] en de Stichting en anderen betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De Stichting en anderen stellen dat alle inkomstenbronnen in de begroting van het plan zoveel onzekerheden kennen dat niet is vast te stellen of de benodigde middelen beschikbaar zijn om het plan uit te voeren. Hiertoe voeren de Stichting en anderen onder meer aan dat de risicomarge te laag is vastgesteld en dat onzekerheid bestaat over de grondexploitatieopbrengsten uit de projecten "De Steupel" en "Bunderhof" die een belangrijk deel van de financiële dekking vormen. Zij verwijzen voorts naar het rapport "Onderzoek projecten gemeente Bodegraven-Reeuwijk" van 18 april 2011 van Deloitte.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de realisering van het plan voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. De raad licht toe dat op 26 april 2010 het benodigde uitvoeringskrediet is geaccordeerd. Uit dit besluit blijkt ook dat er voldoende dekking is voor het onderhoud van de rondweg in de komende jaren en op lange termijn. Daarnaast stelt de raad dat 60% van het budget direct beschikbaar is en dat 40% wordt gegenereerd uit projecten die binnen 2 jaar na de vaststelling van het plan worden gerealiseerd. Volgens de raad wordt het plan gerealiseerd in dezelfde periode dat de dekking vrijkomt. Indien deze financiële middelen evenwel niet tijdig beschikbaar zijn wordt een lening afgesloten waarbij de jaarlasten binnen het beschikbare budget worden gedekt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat inmiddels een bijdrage van de provincie Zuid-Holland is verkregen en dat twee bestemmingsplannen in procedure zijn gebracht die voorzien in ontwikkelingen waaruit financiële middelen beschikbaar komen voor het plan.

2.15.2. Volgens de plantoelichting worden de kosten van het plan gedekt door onder meer een bijdrage van de provincie, de bijdrage Brede doeluitkering, een bijdrage vanuit het bedrijfsleven en een bijdrage vanuit de gemeentelijke reserves en exploitatiesaldi.

2.15.3. [appellante sub 3] en de Stichting en anderen hebben niet, ook niet met het rapport van Deloitte, aannemelijk gemaakt dat de inkomstenbronnen ten behoeve van het plan dusdanig onzeker zijn dat in het licht van de totale begroting van het plan, de raad zich niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden

2.16. Middelwatering Vastgoed betoogt dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met afspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente Reeuwijk en haar, zoals vastgelegd in een anterieure overeenkomst van 30 juni 2009. In deze overeenkomst is volgens Middelwatering Vastgoed een ontsluiting vanaf de rondweg opgenomen naar het perceel, met kadasternummer B1988 en B4188, die in het plan niet is opgenomen.

2.16.1. De raad stelt dat in bedoelde anterieure overeenkomst een ontsluiting van de percelen B1988 en B4188 naar de rondweg Reeuwijk-Brug is toegezegd. Het is evenwel nog onduidelijk of hieraan gevolg zal worden gegeven door een rechtstreekse ontsluiting of een ontsluiting via de verlengde Leeghwaterstraat. De raad licht toe dat uit onderzoek blijkt dat het aantal aansluitingen op een gebiedsontsluitingsweg dient te worden beperkt. De raad heeft daarom een voorkeur voor ontsluiting van de percelen via de verlengde Leeghwaterstraat. Daarbij komt dat onduidelijk is hoe het gebied "Zoutman-west" waarin de percelen liggen, zich zal ontwikkelen en welke infrastructuur zal worden gerealiseerd.

2.16.2. De Afdeling overweegt dat in het kader van de onderhavige procedure moet worden beoordeeld of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. Voor zover Middelwatering Vastgoed een oordeel beoogt over de inhoud en de strekking van bedoelde overeenkomst, overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet kan worden getreden in de uitleg van een privaatrechtelijke overeenkomst, ter zake waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is. Voor zover zij stelt dat zij hieraan het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat het plan zou voorzien in een aansluiting van de percelen op de rondweg, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat in de overeenkomst is bepaald dat de percelen rechtstreeks zouden worden ontsloten op de rondweg. Daarbij komt dat de raad ter zitting heeft verklaard dat hij bij de uitvoering van het plan zorg draagt voor ontsluiting van de percelen van Middelwatering Vastgoed via de kade parallel aan de rondweg. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

Conclusie

2.17. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

12-647.