Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201108338/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Moye Keene" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108338/1/R3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,

en

de raad van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Moye Keene" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2012, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. E. Gadzo, advocaat te Roosendaal, en de raad, vertegenwoordigd door M. Zantingh en A.A. van Dongen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover die is toegekend aan het perceel dat ligt tussen de Blauwe Sluisdijk en de Moye Keene te Klundert. Het bestemmingsplan voorziet op dit perceel in een appartementencomplex met 26 appartementen.

2.2. [appellanten sub 1] voeren aan dat het standpunt van de raad dat er behoefte is aan de in het plan voorziene appartementen onjuist is en niet is onderbouwd. Voor zover de raad zich baseert op een onderzoek uit 2006, zijn de onderzoekscijfers gedateerd. Volgens hen is de woningmarkt vanwege de economische crisis ingestort. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan uitsluitend is vastgesteld met het oog op financiële belangen.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. Daarnaast heeft de woningbouwcorporatie als initiatiefnemer geconstateerd dat op de betreffende plaats behoefte is aan dergelijke woningen.

2.2.2. Uit pagina 13 van de plantoelichting blijkt dat de raad het gemeentelijke beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Het gemeentelijke beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit neergelegd in het "Beleidsplan Wonen gemeente Moerdijk 2007-2011" (hierna: het beleidsplan), vastgesteld door de raad op 25 april 2007. In het beleidsplan zijn doelstellingen vastgelegd over wonen in de gemeente Moerdijk. De doelstellingen zijn onder meer gericht op de groei van het aantal inwoners, het vergroten van de keuzemogelijkheid voor burgers met bijzondere aandacht voor huisvesting van starters en ouderen om de doorstroming te stimuleren. Het uitgangspunt met betrekking tot nieuwbouw van woningen is dat wordt gebouwd naar behoefte en mogelijkheden die blijken uit het Woningbehoefte onderzoek gemeente Moerdijk (hierna: WBO) van 29 november 2006 en uit signalen van de markt. De behoefte aan woningbouw is het grootst in de grotere kernen. In de kleine kernen is naast reguliere woningbouw ook ruimte voor maatwerk indien een goed initiatief wordt ingediend. Ter zitting heeft de raad met verwijzing naar het WBO 2010-2015 toegelicht dat het WBO uit 2006 niet is gedateerd en dat, anders dan [appellanten sub 1] hebben gesteld, de in het plan voorziene appartementen zijn meegenomen in het aantal te realiseren woningen dat wordt genoemd in de Structuurvisie Moerdijk 2030. Daarin is volgens de raad ook rekening gehouden met de krimp op de woningmarkt, vanwege de huidige economische crisis. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het WBO uit 2006 niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd. Voor het oordeel dat de raad niet heeft onderbouwd dat er behoefte is aan de appartementen en dat het plan uitsluitend is vastgesteld met het oog op financiële belangen, bestaat, gelet op het bovenstaande en in aanmerking genomen het betrekkelijk geringe aantal appartementen en de planperiode van 10 jaar, geen aanleiding.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat het appartementencomplex een dusdanige omvang zal krijgen dat het niet passend is in de historische omgeving. De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarom het appartementencomplex wel past in de omgeving. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de bouw van het appartementencomplex hun woongenot zal aantasten. In dit verband stellen zij dat de bouw van het appartementencomplex een inbreuk op hun privacy, verlies van uitzicht en schaduwhinder met zich brengt. In het kader van privacy is volgens [appellant sub 2] van belang dat de raad voor het meten van de bouwhoogte ten onrechte het peil aanhoudt van de Blauwe Sluisdijk. Omdat het appartementencomplex dijkafwaarts wordt gebouwd en op een afstand van 30 m van de Blauwe Sluisdijk ligt, wordt het hoger dan de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m. Volgens [appellanten sub 1] wordt in de bezonningsstudie uitgegaan van verschillende bouwhoogten, zodat daaruit niet blijkt welk peil er is gehanteerd. Voorts is volgens [appellanten sub 1] de schaduwhinder aan de oostzijde van het plangebied ten onrechte niet meegenomen in de bezonningsstudie. Daarnaast gaat de raad er ten onrechte van uit dat de schaduwhinder gerelateerd moet worden aan de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit is volgens [appellanten sub 1] in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2006, in zaak nr. 200507002/1. [appellanten sub 1] voeren ten slotte aan dat tussen de bezonningsstudies onverklaarbare verschillen zitten waardoor de uitkomsten van die studies onjuist zijn.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het appartementencomplex voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden, dat het woongenot van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast en dat het historische karakter van de omgeving blijft behouden. Volgens de raad wordt het peil van de Blauwe Sluisdijk aangehouden en mag in het plan tot een maximale hoogte van 10 m worden gebouwd. Uit de aangepaste bezonningsstudie blijkt volgens de raad dat de beperking van de inval van zonlicht op het perceel van [appellant sub 2] niet onaanvaardbaar is. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de door [appellanten sub 1] aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet kan worden vergeleken met de onderhavige situatie.

2.3.2. In het plan is aan het perceel tussen de Blauwe Sluisdijk en de Moye Keene de bestemming "Wonen" toegekend, waarbinnen een appartementencomplex mogelijk is met een maximale bouwhoogte van 10 m. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, gelden voor de als "Wonen" aangewezen gronden de volgende bouwregels:

a. op deze gronden mag worden gebouwd;

b. hoofdgebouwen worden gebouwd in een bouwvlak;

c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte gemeten vanaf de kruin van de weg Blauwe Sluisdijk;

d. minimaal 80% van de bovenste bouwlaag dient minimaal 2 m terug te liggen uit de grens van het bouwvlak.

2.3.3. Uit de plantoelichting volgt dat het plangebied in een cultuurhistorisch waardevolle omgeving ligt. In het plan is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden doordat de bouw van het appartementencomplex moet voldoen aan een aantal randvoorwaarden. Zo wordt met de bebouwing aangesloten bij het karakter van vestingstad. Daarnaast moeten architectonische middelen zorgen voor kleinschaligheid in de bouwmassa. Er moet voldoende openheid worden gecreëerd en de parkeervoorzieningen worden gedeeltelijk onder de grond mogelijk gemaakt. Daarnaast moet het plan voldoen aan een aantal randvoorwaarden ten aanzien van de situering en vormgeving. Er geldt een minimale afstand van 15 m van het bouwvlak van het appartementencomplex tot de percelen aan de Blauwe Sluisdijk. Het appartementencomplex mag bestaan uit maximaal drie bouwlagen waarvan de bovenste bouwlaag teruggelegd moet worden, zodat de beleving van de totale hoogte van het gebouw vermindert. De maximale bouwhoogte sluit aan bij de bouwhoogten van omliggende bebouwing. Daarnaast zullen de woningen in het appartementencomplex aan de oost, zuid en westzijde worden geprojecteerd en de ingang aan de noordzijde, zodat de bezonning en de privacy niet onevenredig worden aangetast ter plaatse van de woningen op de percelen aan de Blauwe Sluisdijk die aan de noordzijde grenzen aan het plangebied, aldus de plantoelichting.

2.3.4. Op het betreffende perceel stond voorheen een vleesfabriek met een bouwhoogte van 4 m. Sinds 2008 is het perceel braakliggend. De Afdeling overweegt dat er geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Het standpunt van de raad dat het historische karakter van de omgeving behouden blijft, acht de Afdeling, gelet op de plantoelichting zoals aangehaald in 2.3.3., niet onredelijk. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het appartementencomplex niet passend is in de omgeving. Nu het appartementencomplex, met een maximale bouwhoogte van 10 m, op een afstand van 15 m tot het dichtstbijzijnde perceel aan de Blauwe Sluisdijk en op een afstand van ten minste 30 m tot de percelen aan de oost-, west- en zuidzijde van het plangebied is voorzien, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy. Voorts heeft hij, gelet op de afstanden tot de omliggende woningen, in redelijkheid het peil van de Blauwe Sluisdijk aan kunnen houden nu het dichtstbijzijnde perceel aan de Blauwe Sluisdijk ligt.

Uit de Bezonningsstudie Moye Keene van april 2009, zoals aangevuld bij de Bezonningsstudie appartementencomplex Moye Keene van 30 september 2011 (hierna tezamen en in enkelvoud: de bezonningsstudie), en het daaraan ten grondslag liggende bronmateriaal volgt dat voor de bouwhoogte van het appartementencomplex is uitgegaan van het peil van de Blauwe Sluisdijk. De bezonningsstudie is verricht om inzicht te geven in de gevolgen van de bouw van een appartementencomplex voor de schaduwwerking ter plaatse van de omliggende woningen aan de Moye Keene en de Blauwe Sluisdijk. In de bezonningsstudie zijn de tijdstippen 09.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur en 18.00 uur op de data 21 december, 21 juni, 21 maart en 23 september als uitgangspunt genomen. De conclusie is dat op 21 december enkel in de ochtendperiode en rond het middaguur een beperkte toename is van de schaduwwerking op de percelen van de woningen aan de Blauwe Sluisdijk. Ten aanzien van de gevolgen voor de intrede van licht kan worden geconcludeerd dat er alleen een geringe toename is van schaduw op de achtergevel van de woning aan de [locatie a] tot aan de goothoogte van de woning op 21 december in de ochtendperiode. Op 21 maart in de avondperiode is er een toename van schaduwwerking op het perceel aan [locatie b] en op een klein gedeelte op het perceel van [locatie c]. Op 21 september in de avondperiode treedt een toename op van de schaduwwerking in de achtertuinen van de woningen aan de Moye Keene. De schaduwwerking strekt zich uit tot ongeveer halverwege de achtertuinen. In de middagperiode van 21 december treedt er schaduwwerking op in de achtertuin, op het zijerf en op de achtergevel van de woning aan [locatie c]. Op 21 maart treedt ter plaatse van de woning aan [locatie b] een toename van schaduwwerking op en op 21 december ter plaatse van de woning aan [locatie c].

Gelet op de resultaten van de bezonningsstudie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, ook wanneer de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan en de voorheen aanwezige bebouwing buiten beschouwing worden gelaten, niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder voor de omliggende woningen aan de Moye Keene en de Blauwe Sluisdijk. Anders dan [appellanten sub 1] stellen, blijkt uit het bronmateriaal van de bezonningsstudie dat is uitgegaan van het peil van de Blauwe Sluisdijk. De verschillen in schaduwwerking tussen de studies uit 2009 en 2011 waar [appellanten sub 1] op hebben gewezen kunnen, zo heeft de raad toegelicht, worden verklaard door het gegeven dat de bouwhoogte die ten grondslag is gelegd aan de studies is teruggebracht van 12 m volgens het voorontwerp van het bestemmingsplan naar 10 m in het definitieve plan. [appellanten sub 1] hebben geen tegenonderzoek overgelegd. De enkele opmerking van [appellanten sub 1] dat de studie uit 2011 een ander beeld geeft, is onvoldoende voor het oordeel dat deze studie niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd.

De betogen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] falen.

2.4. [appellant sub 2] voert verder aan dat de verkeersintensiteit zal toenemen als gevolg van de bouw van het appartementencomplex. Hij vreest hiervan overlast te zullen ondervinden. Met name vreest hij overlast van de parkeerplaatsen die naast het appartementencomplex, direct grenzend aan zijn perceel, zijn voorzien. Volgens hem zal dit zorgen voor geluidhinder, geur- en stankoverlast. Hoewel in de plantoelichting staat dat de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) worden overschreden aan de zijde van het appartementencomplex waar [appellant sub 2] woont, stelt de raad volgens [appellant sub 2] ten onrechte dat pas bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning nader onderzoek zal worden verricht.

2.4.1. De raad stelt dat van de toename van de verkeersintensiteit weinig hinder is te verwachten, omdat de dagelijkse verkeersbewegingen, gelet op de ontsluiting, aan de zuidzijde van het appartementencomplex zullen plaatsvinden en het perceel van [appellant sub 2] aan de noordzijde daarvan ligt. Omdat er in het plan slechts een betrekkelijk gering aantal woningen wordt gerealiseerd, zullen de verkeersbewegingen volgens de raad beperkt zijn. De overlast van stank als gevolg van de voorziene parkeerplaatsen naast het appartementencomplex, zal volgens de raad beperkt zijn, omdat slechts een klein gedeelte van de parkeerplaatsen buiten de kelder van het appartementencomplex is voorzien, met name bedoeld voor bezoekers, zodat de momenten dat de parkeerplaatsen worden gebruikt, beperkt zullen zijn.

2.4.2. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de toename van de verkeersactiviteiten en het gebruik van de voorziene parkeerplaatsen niet van een zodanige omvang zullen zijn dat geoordeeld moet worden dat deze een onaanvaardbare verkeers- en stankoverlast met zich zullen brengen, gelet op het voorgaande, niet onredelijk.

Gelet op artikel 74, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 77 van de Wgh hoeft bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek te worden ingesteld, indien voor een weg een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Volgens pagina 27 van de plantoelichting geldt voor de wegen rondom het plangebied een 30 km-zone. Dit laat echter onverlet dat de raad moet nagaan of de geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Aan het plan ligt een akoestisch onderzoek van 31 augustus 2009 ten grondslag. De conclusie van dat onderzoek is dat er aan de noordzijde van het bouwvlak van het appartementencomplex weliswaar een overschrijding is van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar dat het hier een overschrijding met 2 dB betreft, zodat die overschrijding ruim onder de maximaal toelaatbare ontheffingswaarde van 63 dB blijft. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van de raad dat ter plaatse van het appartementencomplex uit een oogpunt van geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, voldoende onderbouwd en niet onredelijk.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten sub 1] voeren aan dat uit de second opinion die zij hebben laten uitvoeren blijkt dat de aan het plan ten grondslag gelegde quick scan Flora en Fauna van 2 februari 2009, onvolledig en onzorgvuldig is. Volgens hen is het daarom niet duidelijk of de Flora en Faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.5.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De conclusie van de door het onderzoeksbureau Agel uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna van 2 februari 2009 is dat het voorziene appartementencomplex geen negatieve dan wel te verwaarlozen effecten zal hebben op de flora en fauna in het plangebied.

Door Econsultancy is in opdracht van [appellanten sub 1] op 29 juli 2011 een second opinion quickscan flora en fauna uitgevoerd. Daarin staat onder meer dat een vaste rust- en verblijfsplaats voor vleermuizen binnen de te slopen bebouwing niet is uit te sluiten en dat de aanwezigheid van de steenmarter en broedvogels in het geheel niet zijn behandeld in de quickscan. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] toegelicht dat aan de second opinion geen veldonderzoek ten grondslag ligt.

Onderzoeksbureau Agel heeft naar aanleiding van de second opinion een nader veldonderzoek verricht naar de vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, de steenmarter en broedvogels. Ter plaatse van het bouwblok is geen bebouwing meer doch intensief beheerd grasveld. Onderzoek naar in bebouwing verblijvende vleermuizen is daarom volgens bureau Agel niet nodig. De aanwezigheid van eventuele grondbroeders (vogels) is gezien het karakter van het plangebied niet te verwachten. Met betrekking tot de steenmarter is, gelet op de verspreidingsgegevens, niet aannemelijk dat deze ter plaatse voorkomt. Met betrekking tot de flora volgt uit het verweerschrift dat door het huidige gebruik en het gehandhaafde onderhoud van het plangebied en de waterkant, zeldzame soorten zich niet kunnen handhaven in het plangebied. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat door de bouw van het appartementencomplex zijn woning in waarde zal dalen.

2.6.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Het betoog faalt.

2.7. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

429-662.