Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201108610/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2009 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een woonhuis aan de [locatie] te Den Burg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108610/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Den Burg, gemeente Texel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2011 in zaak nr. 10/1868 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2009 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een woonhuis aan de [locatie] te Den Burg.

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft het college, opnieuw beslissend op het door de vereniging "10 voor Texel" daartegen gemaakte bezwaar, dit bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 14 augustus 2009 ingetrokken en in plaats daarvan de vrijstelling en bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 21 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 30 augustus 2011 en 18 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de vereniging een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. S. Levelt en mr. Y. Soffner, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar de vereniging, vertegenwoordigd door D. Alderliefste, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college gehouden was de door de vereniging gemaakte bezwaren tegen het besluit van 14 augustus 2009 inhoudelijk te beoordelen, heeft miskend dat de vereniging niet kan worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de besluiten tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning. Zij voeren hiertoe aan dat de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2010 in zaak nr. 10/467, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de vereniging als belanghebbende bij deze besluiten kan worden aangemerkt, hen niet kan worden tegengeworpen.

2.1.1. Reeds omdat de ontvankelijkheid een door de bestuursrechter ambtshalve te beoordelen aspect betreft, was de rechtbank niet gebonden aan het onberoepen gebleven eerdere oordeel van de rechtbank dat de vereniging als belanghebbende moet worden aangemerkt. Weliswaar betogen [appellant A] en [appellant B] derhalve terecht dat de rechtbank niet kon volstaan met een verwijzing naar de onherroepelijk geworden uitspraak van 15 april 2010, maar dit betoog leidt om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

2.1.2. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de vereniging ten doel het karakter van het eiland Texel inzake natuurlijke en culturele waarde te bewaken, alsmede het behouden en het verbeteren op Texel en haar directe omgeving van de natuurlandschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en de fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van de mensen en een goede ruimtelijke ordening. Onder de doelstelling valt mede een niet gebonden spreekplatform te zijn voor de Texelse bevolking, waar het gaat om gevoelens en gedachten over de leefbaarheid van de inwoners van Texel en het uitdragen dat toerisme op Texel eilandvriendelijk dient te zijn; alles in de ruimste zin des woords. Blijkens het tweede lid tracht de vereniging haar doel te bereiken door kennis te vergaren ten aanzien van onderwerpen betreffende de doelstelling, na meningsvorming eventueel actie te ondernemen en ter zake deskundige personen en/of instellingen in te schakelen. In het vierde lid is bepaald dat het werkgebied van de vereniging Texel en de directe omgeving is.

De doelstelling van de vereniging is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het te realiseren bouwplan, waarop het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning zien, is voorzien op een perceel, dat is gelegen binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doeleindenomschrijving.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 april 2010 vastgesteld dat de activiteiten van de vereniging bestaan uit het met regelmaat participeren in overleg met verschillende lokale overheden, het trachten te beïnvloeden van het beleid van de overheid en andere instanties in overeenstemming met haar doel en het geven van voorlichting en informatie. Geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat deze weergave van feitelijke werkzaamheden onjuistheden bevat.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de vereniging gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden wordt getroffen in een rechtstreeks bij de besluiten betrokken belang dat zij in het bijzonder behartigt, zodat de vereniging als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college gehouden was de bezwaren van de vereniging inhoudelijk te beoordelen.

Het betoog faalt.

2.2. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaarschrift niet bevoegd is ingediend namens de vereniging, nu uit het voeren van een juridische procedure financiële verplichtingen kunnen ontstaan. Volgens artikel 10, eerste lid, van de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vereniging. Volgens artikel 11, eerste lid, van de statuten vertegenwoordigt het bestuur de vereniging. In het tweede lid is bepaald dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toekomt aan de voorzitter tezamen met de secretaris of de penningmeester, dan wel de secretaris tezamen met de penningmeester. Nu het bezwaarschrift namens de vereniging is ingediend door de voorzitter en de penningmeester tezamen, heeft de rechtbank in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat onbevoegd bezwaar is gemaakt namens de vereniging.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

2.4. Het bouwplan betreft de splitsing van een stolpboerderij in twee zelfstandige woningen. Op de ter zitting toegelichte bouwtekeningen zijn aan de voorzijde van de stolp zeven slaapkamers ingetekend en in het overige deel van de stolp vijf slaapkamers. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat met het bouwplan is beoogd acht tot negen slaapkamers met maximaal 18 slaapplaatsen te realiseren die voor bedrijfsmatige verhuur ter beschikking zullen worden gesteld. Het college acht dit niet ondergeschikt aan de woonfunctie van het pand. De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat per woning meer dan vijf slaapplaatsen voor bedrijfsmatige verhuur zullen worden gerealiseerd. [appellant A] en [appellant B] hebben deze overweging in hoger beroep niet betwist. De omstandigheid dat thans feitelijk ten hoogste vijf slaapplaatsen per woning worden gebruikt voor logies en ontbijt, zoals [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep hebben gesteld, doet er niet aan af dat met het bouwplan wordt beoogd een groter aantal slaapplaatsen voor recreatief gebruik aan te wenden, zodat hiervan dient te worden uitgegaan.

2.5. [appellant A] en [appellant B] betogen eerst in hoger beroep dat het gebruik van het pand voor recreatieve doeleinden in de in het bouwplan voorziene omvang niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het ondergeschikt is aan de woonfunctie. Voorts betogen zij in hoger beroep voor het eerst dat het besluit tot herroeping van de vrijstelling en bouwvergunning disproportioneel is en het college had kunnen volstaan met een minder ingrijpend middel.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze betogen niet reeds in beroep konden worden aangevoerd en [appellant A] en [appellant B] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

2.6. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren. Hiertoe voeren zij aan dat het college zich bij de beoordeling van andere verzoeken om ontheffing niet baseert op de beleidsnota "Toerisme en Recreatie op Texel, Kwaliteit en Ontwikkeling" van september 2003. Door bij de beoordeling van het vrijstellingsverzoek van [appellant A] en [appellant B] wel vast te houden aan deze beleidsnota heeft het college volgens [appellant A] en [appellant B] in strijd met het verbod van willekeur gehandeld.

2.6.1. Het college heeft aan de weigering mede ten grondslag gelegd dat het wenst vast te houden aan het door hem gevoerde beleid, zoals dat is neergelegd in de beleidsnota, waarin logies en ontbijt wordt gedefinieerd als "het inpandig in eigen woning in gebruik hebben van ten hoogste vijf slaapplaatsen bij particulieren, voor toeristisch verhuur aan derden". Gelet hierop beschouwt het college het gebruik van maximaal vijf slaapplaatsen in de eigen woning voor logies en ontbijt als een aan de woonfunctie ondergeschikte en derhalve ingevolge het bestemmingsplan toegestane activiteit. Het college stelt zich op het standpunt dat het bieden van logies en ontbijt altijd ondergeschikt dient te zijn en blijven aan de woonfunctie en dat het derhalve vaste praktijk is dat geen medewerking wordt verleend aan bouwplannen waarbij het aanbieden van logies en ontbijt niet langer ondergeschikt is aan de hoofdfunctie van het pand. Geen reden bestaat om hieraan te twijfelen, nu [appellant A] en [appellant B] hun stelling dat het college in andere vergelijkbare gevallen wel vrijstelling dan wel ontheffing van het bestemmingsplan heeft verleend, niet hebben onderbouwd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren. Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank heeft miskend dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door het aanvankelijk ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2010 zonder overleg met hen in te trekken slaagt evenmin. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen staat het het college vrij om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van de rechtbank en staat niets eraan in de weg een ingesteld hoger beroep in te trekken. Nog daargelaten dat van afspraken tussen het college en [appellant A] en [appellant B] niet is gebleken, was het college niet gehouden het hoger beroep voort te zetten, enkel omdat [appellant A] en [appellant B] zich niet met die uitspraak konden verenigen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

604.