Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201109378/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie] te Herpen te (doen) staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109378/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Herpen, gemeente Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juli 2011 in zaak nr. 10/691 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie] te Herpen te (doen) staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 18 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 oktober 2008 onder wijziging van de grondslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op 19 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.W.B. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ravenstein 1977" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde".

Ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden onbebouwde grond en opstallen in de bestemming agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken in strijd met de bij de bestemming omschreven gebruiksdoeleinden. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: bewoning, niet behorend bij een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, voor zover hier van belang, mag een gebruik van opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond of geregeld placht te worden gemaakt en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften worden voortgezet of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in verdere mate gaat afwijken van het plan.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van het bijgebouw voor woondoeleinden wordt beschermd door het in artikel 62, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksovergangsrecht, nu dit plaatsvond op de peildatum en sindsdien onafgebroken is voortgezet.

2.2.1. Het college is niet in hoger beroep gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het bijgebouw reeds op de peildatum voor woondoeleinden werd gebruikt. De Afdeling moet daarom van de juistheid van dit oordeel uitgaan. Voor zover het college dat in het verweerschrift van 24 oktober 2011 betwist, is dat tevergeefs.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200904964/1/H1), waar ook de rechtbank naar heeft verwezen, rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw in de periode van 1988 tot september 1992 werd bewoond en [appellant] derhalve in deze op hem rustende bewijslast niet is geslaagd. [appellant] heeft in hoger beroep geen nadere bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat in die periode wel van bewoning sprake zou zijn geweest. Ter zitting is in dit verband bovendien gebleken dat het bijgebouw in de periode van 1984 tot 1987 door de toenmalige bewoner van het perceel werd gebruikt als kantoor aan huis. Ook dit gebruik houdt een relevante onderbreking van het gebruik voor woondoeleinden in.

Het betoog faalt.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan had behoren af te zien. Hiertoe voert hij aan dat het gebruik van het bijgebouw ten behoeve van bewoning naar huidige planologische inzichten en maatstaven wel aanvaardbaar moet worden geacht.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang bij handhaving van het bestemmingsplan dan aan het belang van [appellant] om het bijgebouw voor woondoeleinden te mogen blijven gebruiken. De enkele stelling dat de planologische inzichten veranderd zijn, maakt, wat daar van zij, niet dat het college van handhaving van het bestemmingsplan had moeten afzien.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich anderszins bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Hiertoe voert hij aan dat het college bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat ten aanzien van het gebruik van het bijgebouw voor woondoeleinden niet handhavend zou worden opgetreden.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft door [appellant] terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat zodanige toezeggingen zijn gedaan. De enkele gestelde omstandigheid dat het college aan het bijgebouw een apart huisnummer heeft toegekend, maakt niet dat [appellant] wel een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

17-593.