Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201110397/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 1 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110397/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 augustus 2011 in zaken nrs. 10/3003 en 11/1629 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 1 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2011, verzonden op 16 augustus 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 8 en 16 december 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, voor zover hier van belang, is artikel 52 van overeenkomstige toepassing op de houder van een gastouderbureau.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.2. De Belastingdienst heeft in verband met de door [appellante] ingediende aanvraag om kinderopvangtoeslag aan haar een voorschot kinderopvangtoeslag verleend over de jaren 2008 en 2009.

In het besluit op bezwaar van 4 juli 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat omdat een overeenkomst met het desbetreffende gastouderbureau ontbreekt, [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat kinderopvang heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko en dat zij daarom geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt gevolgd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst haar had moeten horen, alvorens opnieuw op haar bezwaar te beslissen. De Belastingdienst heeft bij brief van 9 juni 2011 [appellante] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [appellante] heeft aangegeven van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken. Reeds hierom heeft de Belastingdienst voldaan aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank haar ten onrechte geen nadere termijn heeft gegund om de overeenkomst met het desbetreffende gastouderbureau alsnog te overleggen; dit te meer nu de administratie van het gastouderbureau in beslag is genomen door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) waardoor het voor haar moeilijk was een afschrift van het contract van het gastouderbureau te verkrijgen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir dat degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen.

Niet in geschil is dat [appellante] geen overeenkomst met het gastouderbureau heeft overgelegd. Dat, zoals door [appellante] is gesteld, zij niet in bezit is van die overeenkomst maar dat deze in de administratie zit van het gastouderbureau en dat die administratie in beslag is genomen door de FIOD, is een omstandigheid die gelet op artikel 5, eerste lid, van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir voor rekening en risico van [appellante] komt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat kinderopvang heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko. Voorts is niet gebleken dat [appellante] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om alsnog deze overeenkomst te overleggen. Daarbij is van belang dat de Belastingdienst [appellante] daarom al eerder heeft verzocht en dat zij deze overeenkomst ook in beroep en hoger beroep niet heeft overgelegd.

2.5. [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank niet over alle in beroep aangevoerde gronden heeft geoordeeld. Zo is de rechtbank niet ingegaan op haar stelling dat de Belastingdienst heeft gehandeld in strijd met het fair-play beginsel.

2.5.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst tot het standpunt heeft kunnen komen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat kinderopvang heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko. De beroepsgrond van [appellante] die de rechtbank niet expliciet heeft besproken, kan aan dat oordeel niet afdoen. Nu de rechtbank gezien het vorenoverwogene terecht en op goede gronden tot dat oordeel is gekomen, kan deze hogerberoepsgrond niet tot het hiermee beoogde doel leiden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

432.