Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201107839/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Willandstraat-Berghem-2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107839/1/R3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Berghem, gemeente Oss,

2. [appellant sub 2], wonend te Berghem, gemeente Oss,

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Willandstraat-Berghem-2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2012, waar [appellanten sub 1], bij monde van [appellant sub 1 B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Kroesen en ir. J.P.H. Chatrou, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een vrijliggend fietspad ten noorden van de Willandstraat, langs de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2].

2.2. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voeren onder meer aan dat het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld, nu uit een brief van 15 oktober 2007 van de gemeente naar aanleiding van een informatiebijeenkomst kon worden opgemaakt dat het fietspad niet zou worden aangelegd.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat geen behoefte bestaat aan het fietspad, nu de Willandstraat als 30 km-zone al voldoende veilig is. Bovendien maakt het fietsverkeer niet veelvuldig gebruik van de Willandstraat, nu dit niet de kortste route is. Verder voeren zij aan dat de door hen aangedragen veiligere alternatieven niet voldoende zijn onderzocht dan wel dat hieraan ten onrechte geen uitvoering is gegeven.

2.2.1. De Afdeling ziet ten aanzien van de onder 2.2 weergegeven beroepsgronden geen aanleiding om anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan in zijn uitspraak van 21 oktober 2011, nr. 201107839/2/R3 (www.raadvanstate.nl), waarbij het verzoek om voorlopige voorziening van [appellanten sub 1] tegen het bestreden besluit is afgewezen en waarbij is ingegaan op deze beroepsgronden.

Over het betoog van [appellant sub 2] dat ten gevolge van het fietspad de verkeersontsluiting van het autoverkeer op de Willandstraat onevenredig wordt bemoeilijkt en op die manier verkeersonveilige situaties ontstaan, overweegt de Afdeling in dit verband nog dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat onjuist is het standpunt van de raad dat bij de uitvoering van het plan de verkeerskruisingen aan de Willandstraat zodanig worden ingericht dat het verkeer dat de Willandstraat wil oprijden voldoende zicht heeft om te zien welk verkeer zich op de weg en op het fietspad bevindt en dat daarmee de verkeersveiligheid kan worden gewaarborgd.

2.2.2. Voorts betwist [appellant sub 2] dat, zoals de raad stelt ter onderbouwing van zijn keuze voor de aanleg van het fietspad aan de noordzijde, voorin de Willandstraat al een stuk fietspad ligt. Ter zitting is evenwel aannemelijk geworden dat het door de raad bedoelde stuk fietspad al gedurende lange tijd ter plaatse aanwezig is zodat deze stelling feitelijke grondslag mist.

2.3. Ten slotte vreest [appellant sub 2] voor geluidsoverlast en waardevermindering van haar woning ten gevolge van de realisatie van het plan.

2.3.1. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op het woongenot en de waarde van het perceel van [appellant sub 2], bestaat geen grond voor het oordeel dat dat verminderde woongenot en die waardevermindering zodanig zullen zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

2.4. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

45-653.