Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201109508/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5622, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het dagelijks bestuur aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een multifunctioneel gebouw (hierna: het [gebouw]) aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109508/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Red het Blauw, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2011 in zaak nr. 09/3599 in het geding tussen:

de Vereniging

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg, thans stadsdeel Oost.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het dagelijks bestuur aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een multifunctioneel gebouw (hierna: het [gebouw]) aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij tussenuitspraak van 29 maart 2011, verzonden op 30 maart 2011, heeft de rechtbank het onderzoek heropend, het dagelijks bestuur in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na deze uitspraak nader gemotiveerd een standpunt in te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2011 heeft het dagelijks bestuur een nader gemotiveerd standpunt ingenomen.

Bij uitspraak van 21 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de Vereniging tegen het besluit van 30 juni 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 september 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2012, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de Vereniging, bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, mr. B.J. de Laaf, juridisch adviseur, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door ing. M.C. Hillebregt, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M.L.M. Lohman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Daar is voorts [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], en S. van den Brant MSc, bijgestaan door mr. C.M.M. van Mil, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van het [gebouw] waarin verschillende functies worden gerealiseerd, zoals bedrijven, dienstverlening, hotel, leisure, maatschappelijke voorzieningen, horeca, detailhandel en dienstwoningen.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland beleid over de toepassing van artikel 19 van de WRO vastgesteld.

In §1.2 van het beleid is opgenomen dat een verklaring van geen bezwaar ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO is vereist, zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is. De speerpunten bestaan onder meer uit locatiebeleid en grootschalige voorzieningen, alsmede perifere en grootschalige detailhandel (nr. 1), bedrijventerreinen en havens (nr. 17) en kustzones en waterkeringen (nr. 13). Projecten die zijn gesitueerd op of in waterkeringen, dan wel gesitueerd zijn aan de waterzijde daarvan, vallen onder de speerpunten van beleid. Voorts is in het beleid opgenomen dat een verklaring van geen bezwaar noodzakelijk is ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, als het project betrekking heeft op een (onderdeel van een) bestemmingsplan, waarvoor een herziening op grond van artikel 30 van de WRO noodzakelijk is.

2.4. Ter plaatse geldt het als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan "Industrieterrein 1943".

2.5. Het bouwplan is in strijd met het uitbreidingsplan. Om realisering daarvan mogelijk te maken, heeft het dagelijks bestuur vrijstelling verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college van gedeputeerde staten op verzoek van het dagelijks bestuur alsnog een verklaring van geen bezwaar verstrekt voor het bouwplan, omdat het project betrekking heeft op een (onderdeel van een) bestemmingsplan, waarvoor een herziening op grond van artikel 30 van de WRO noodzakelijk was.

2.6. De Vereniging betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand heeft gelaten, daar zij niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Daartoe voert zij aan dat het bouwplan ziet op speerpunten van provinciaal beleid en dat daarom alleen krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend. De Vereniging stelt dat het [gebouw] als één geheel met de voorziene jachthaven moet worden beschouwd, zodat het bouwplan als speerpunt van dat beleid genoemd onder nr. 1 en nr. 17 moet worden aangemerkt. Voorts is het [gebouw] volgens haar ook een speerpunt als vermeld onder nr. 13 van dat beleid.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het te realiseren [gebouw] en de jachthaven niet één project vormen, nu voor de realisering van het [gebouw] en de jachthaven afzonderlijke aanvragen om bouwvergunning zijn ingediend en de bouwactiviteiten ook los van elkaar kunnen worden uitgevoerd. Dat 500 m² van het [gebouw], dat een bedrijfsoppervlak van 18000 m² heeft, bedoeld is voor watergebonden activiteiten en dat 500 m² van het bedrijfsoppervlak ten dienste staat van de jachthaven, maakt de relatie tussen de jachthaven en het [gebouw] niet van dien aard dat geconcludeerd moet worden dat het [gebouw] ten dienste staat aan de jachthaven en dat deze één project vormen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet gebleken is dat de spa, het hotel, het restaurant en de conferentieruimtes die in het [gebouw] zijn voorzien, een duidelijke samenhang hebben met de jachthaven. Dat beide locaties wellicht door hetzelfde bedrijf zullen worden geëxploiteerd en dat voor beide locaties één ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat het bouwplan als zelfstandig project moet worden aangemerkt, zodat het niet in strijd is met speerpunt nr. 17 van het provinciaal beleid. Nu de realisering van het [gebouw] als zelfstandig project moet worden aangemerkt, zijn voorts geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het in strijd is met speerpunt nr. 1.

2.6.2. Het betoog van de Vereniging dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan onder speerpunt nr. 13 van het provinciaal beleid valt en gelet daarop geen vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO had mogen worden verleend treft doel. Uit de zich bij de stukken bevindende situatietekening blijkt dat het [gebouw] aan de waterzijde van de waterkering is voorzien. De Vereniging en [belanghebbende] hebben dat ter zitting ook erkend.

Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak omdat de beslissing van de rechtbank, gelet op het navolgende, juist is.

2.7. Waternet heeft, bekend zijnde met de voorziene locatie van het [gebouw], bij brief van 21 juni 2010 ingestemd met het door het dagelijks bestuur gekozen tracé van de verholen waterkering.

In het besluit van het college van gedeputeerde staten van 12 oktober 2010, waarbij het een verklaring van geen bezwaar heeft verstrekt, is vermeld dat het college van gedeputeerde staten zich daarbij onder meer heeft gebaseerd op het beleid over de toepassing van artikel 19 van de WRO. Voorts volgt uit dit besluit dat het college van gedeputeerde staten het standpunt van het dagelijks bestuur onderschrijft dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Nu ook de in artikel 19a, vierde lid, van de WRO, voorgeschreven procedure is gevolgd, is volgens het college van gedeputeerde staten voldaan aan de eisen die de wet stelt aan het volgen van deze procedure. Verder zijn de Kerngroep van de Subcommissie voor de gemeentelijke plannen en de stadsvernieuwing alsmede de inspecteur van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gehoord. Ten slotte heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat het de beantwoording van zienswijzen door het dagelijks bestuur onderschrijft en dat er verder geen omstandigheden zijn op grond waarvan de gevraagde verklaring van geen bezwaar geweigerd zou moeten worden.

2.8. Het besluit van het college van gedeputeerde staten van 12 oktober 2010 dient naar het oordeel van de Afdeling zo te worden uitgelegd dat het college van gedeputeerde staten heeft ingestemd met de realisering van het [gebouw]. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college van gedeputeerde staten voor de realisering van de jachthaven als zelfstandig project met dezelfde ruimtelijke onderbouwing als voor de realisering van het [gebouw], een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, heeft afgegeven. Nu gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten aanwezig zijn voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in een nieuwe procedure krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor de realisering van het [gebouw] tot een ander oordeel zal komen, ziet de Afdeling in dit specifieke geval geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen omdat ten onrechte vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, is verleend. De Afdeling heeft daarbij met name in aanmerking genomen dat de stadsdeelraad van het stadsdeel Zeeburg bij besluit van 22 november 2005 de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO aan het dagelijks bestuur heeft gedelegeerd.

2.9. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur bij het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan en de behoefte daarvan substantieel hoger ligt dan uit de berekening volgt. De Vereniging heeft er in dit kader op gewezen dat uit het verkeersonderzoek "Van Lohuizenlaan" van 14 januari 2008, uitgevoerd in opdracht van het stadsdeel, volgt dat in de avondspits 150 auto's uit de parkeergarage in het [gebouw] zullen komen.

2.9.1. De beoogde parkeergarage in het [gebouw] voorziet in 167 parkeerplaatsen, waarvan een deel is bedoeld voor het parkeren ten behoeve van het [gebouw] en het overige deel is bedoeld als openbare parkeergelegenheid. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat dit voldoende is om in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan te voorzien en dat voorts ten behoeve van de voorziene jachthaven van de openbare parkeerplaatsen in het [gebouw] gebruik kan worden gemaakt. Bij de vaststelling van de parkeerbehoefte heeft het dagelijks bestuur onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost, dat het restaurant en het café onderdeel zijn van het hotel, en voorts dat parkeerplaatsen die tijdens kantooruren voor de bedrijfsruimten worden gebruikt, buiten kantooruren beschikbaar zijn voor de andere gebruiksfuncties van het [gebouw]. Bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het dagelijks bestuur gebruik gemaakt van de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: de ASVV-normen) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek en de Amsterdamse normen zoals weergegeven in het Locatiebeleid Amsterdam 2008 (hierna: de ABC-normen). Verder heeft het dagelijks bestuur een vergelijking gemaakt met vergelijkbare hotels in Amsterdam. Het dagelijks bestuur heeft berekend dat voor het hotel 72 parkeerplaatsen nodig zijn en dat voor bedrijfsruimten 39 parkeerplaatsen nodig zijn, waarbij het de ASVV-norm van 1 parkeerplaats per 125 m² en de ABC-normen in aanmerking heeft genomen.

2.9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201005029/1/H1), is het college voor de vaststelling van de parkeernormen niet verplicht om de parkeerkencijfers van het CROW over te nemen. Het heeft de vrijheid om in afwijking van deze cijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeernormen vast te stellen. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de hiervoor genoemde uitgangspunten niet heeft kunnen hanteren. Voor zover de Vereniging betoogt dat voor de jachthaven onvoldoende parkeerplaatsen berekend zijn, faalt dat betoog reeds omdat de jachthaven, zoals hiervoor is overwogen, geen onderdeel uitmaakt van het bouwplan voor het [gebouw].

De stelling van de Vereniging dat het dagelijks bestuur het restaurant en het café ten onrechte niet heeft meegenomen in de berekening van de parkeerbehoefte, mist voorts feitelijke grondslag, nu het dagelijks bestuur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat het restaurant en het café onderdeel zijn van het hotel. Daar waar de Vereniging op een discrepantie tussen het volgens het dagelijks bestuur minimaal benodigde aantal parkeerplaatsen en de verkeersbewegingen uit het verkeersonderzoek "Van Lohuizenlaan" heeft gewezen, wordt overwogen dat in voormeld onderzoek van een hoger aantal parkeerplaatsen in het [gebouw] is uitgegaan en dat het verkeer van de jachthaven daarbij is betrokken, zodat het aantal verkeersbewegingen reeds daarom is overschat. Verder heeft het dagelijks bestuur gesteld dat ter plaatse geen kanovereniging wordt gevestigd, zodat hetgeen de Vereniging daarover heeft aangevoerd, buiten beschouwing wordt gelaten.

Het betoog faalt.

2.10. De Vereniging betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen omdat het te realiseren bouwplan te veel hinder voor de omgeving oplevert als gevolg van het verkeer van en naar het [gebouw] en de jachthaven. In dit kader wijst zij erop dat het dagelijks bestuur de cumulatie van geluidhinder van het verkeer van en naar het [gebouw] en af- en aanvarende boten ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken.

2.10.1. Het dagelijks bestuur heeft ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen aansluiting gezocht bij de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996. In de circulaire wordt voor de toelaatbaarheid van geluidsbelasting voor gevels van woningen uitgegaan van een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Uit het aanvullend geluidonderzoek van Tauw van 17 mei 2011 waarin de indirecte geluidhinder van het [gebouw] en de jachthaven is onderzocht, dat mede ten grondslag heeft gelegen aan het nader gemotiveerde standpunt van het dagelijks bestuur van 17 mei 2011, volgt dat aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op de gevels van de onderzochte omliggende woningen ruimschoots kan worden voldaan. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de geluidseffecten van de jachthaven niet in deze procedure aan de orde zijn, is geen grond aanwezig voor het oordeel dat het dagelijks bestuur nader onderzoek had moeten doen.

Het betoog faalt.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.8 is overwogen met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

414-672.