Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3911

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201108824/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na een verzoek van 27 januari 2007 om handhaving van [wederpartij] heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (thans de gemeente Zuidplas) bij besluit van 20 maart 2007, voor zover hier van belang, bepaald dat het glastuinbouwcomplex van [appellante] zal worden gedoogd tot het moment waarop de realisatie van de in de streekplanherziening beoogde nieuwe bestemming noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/712

Uitspraak

201108824/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juli 2011 in zaak nr. 09/767 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Zevenhuizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

1. Procesverloop

Na een verzoek van 27 januari 2007 om handhaving van [wederpartij] heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (thans de gemeente Zuidplas) bij besluit van 20 maart 2007, voor zover hier van belang, bepaald dat het glastuinbouwcomplex van [appellante] zal worden gedoogd tot het moment waarop de realisatie van de in de streekplanherziening beoogde nieuwe bestemming noodzakelijk is.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het gedoogbesluit ingetrokken.

Bij uitspraak van 20 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 november 2008 vernietigd, het college opgedragen om binnen vier weken na het verzenden van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en bepaald dat het college aan [wederpartij] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag voor iedere dag dat het college in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 37.500,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 21 september 2011 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen bij besluiten van 12 november 2002 verleende vrijstellingen en bouwvergunningen gegrond verklaard, de besluiten om onder de nummers 2001/125 en 2001/126 bouwvergunning te verlenen aan [appellante] herroepen en bepaald dat de gevolgen van die besluiten, te weten het oprichten van de kas en bedrijfsruimte, in stand blijven.

Bij brief van 21 oktober 2011 heeft [wederpartij] te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 21 september 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, het college, vertegenwoordigd door A. de Vries en N.Y. Smith, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij afzonderlijke besluiten van 12 november 2002 heeft het college aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor respectievelijk de bouw van een bedrijfsruimte en voor uitbreiding van het kassencomplex op het perceel [locatie] te Zevenhuizen. Bij uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200510444/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het besluit op bezwaar van 18 december 2003, waarbij het college de besluiten van 12 november 2002 heeft gehandhaafd, vernietigd. Bij uitspraak van 12 oktober 2010 (08/8992) heeft de rechtbank overwogen dat het college nog geen nieuw besluit had genomen op de tegen voormelde besluiten van 12 november 2002 gemaakte bezwaren en heeft zij het college opgedragen dit binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog te doen.

2.2. Het verzoek om handhaving van [wederpartij] van 27 januari 2007 zag op de inmiddels gerealiseerde bedrijfsruimte en uitbreiding van het kassencomplex op het perceel [locatie]. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het besluit op bezwaar van 4 november 2008 niet volledig is, omdat weliswaar de gedoogbeslissing is ingetrokken, maar nog altijd niet inhoudelijk op het handhavingsverzoek van [wederpartij] is beslist. Het feit dat het college ten tijde van de aangevallen uitspraak evenmin inhoudelijk had beslist op de bezwaren tegen voormelde besluiten van 12 november 2002 en dat de rechtbank de uitkomst van de vrijstellingsprocedure relevant achtte voor de beoordeling van onderhavig geschil, vormde voor de rechtbank onvoldoende aanleiding de uitkomst van de vrijstellingsprocedure af te wachten. De rechtbank heeft het college opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft opgedragen om binnen vier weken een besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe voert zij aan dat het college de uitkomst van de inmiddels gestarte vrijstellingsprocedure had moeten kunnen afwachten, nu deze relevant is voor de inhoud van het te nemen besluit op bezwaar en [wederpartij] geen enkel belang heeft bij handhavend optreden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte bepaald dat het college een dwangsom verbeurt bij niet-naleving van de aangevallen uitspraak, aldus [appellante].

2.3.1. Gelet op de reeds verstreken lange periode in de procedure met betrekking tot de vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van de bedrijfsruimte en uitbreiding van het kassencomplex en in aanmerking voorts nemend dat het college ten tijde van de aangevallen uitspraak nog geen uitvoering had gegeven aan de bij voormelde uitspraak van 12 oktober 2010 door de rechtbank gegeven opdracht om binnen twee weken een besluit op bezwaar te nemen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de uitkomst van de ten tijde van de aangevallen uitspraak inmiddels gestarte vrijstellingsprocedure mocht afwachten alvorens te beslissen op het gemaakte bezwaar met betrekking tot het handhavingsverzoek. In de omstandigheid dat [wederpartij] geen belang bij handhaving heeft omdat hij geen overlast ondervindt van het gerealiseerde bouwplan, wat daarvan ook zij, heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college de besluitvorming in de vrijstellingsprocedure mocht afwachten.

De beslissing van de rechtbank om naleving van de uitspraak kracht bij te zetten door het opleggen van een dwangsom betreft de aanwending van een bevoegdheid, waarbij de rechtbank grote vrijheid toekomt. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank in het lange tijdsverloop sinds het verzoek om handhaving van [wederpartij] en de omstandigheid dat het college ten tijde van de aangevallen uitspraak nog altijd niet inhoudelijk had beslist op dat verzoek, ten onrechte is overgegaan tot het opleggen van een dwangsom bij niet-naleving van de uitspraak.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 21 september 2011 heeft het college beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen voormelde besluiten van 12 november 2002. Met dit besluit heeft het college gevolg gegeven aan de bij voormelde uitspraak van 12 oktober 2010 gegeven opdracht om een besluit te nemen op de bezwaren van [wederpartij] tegen de besluiten van 12 november 2002. Nu in het besluit van 21 september 2011 geen besluit op het verzoek om handhaving is vervat en het derhalve niet als besluit op het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 maart 2007 kan worden aangemerkt, heeft het college nog geen uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak, zoals het college ter zitting heeft bevestigd. Dit heeft tot gevolg dat het besluit van 21 september 2011 niet - op de voet van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet - bij dit geding kan worden betrokken.

Omdat het schrijven van [wederpartij] van 21 oktober 2011 moet worden aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 21 september 2011, zal de Afdeling deze brief met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als beroepschrift tegen dat besluit doorsturen naar de rechtbank ´s-Gravenhage.

2.6. Voor honorering van het ter zitting door [wederpartij] gedane verzoek om het college opnieuw een dwangsom op te leggen omdat het nalatig is gebleven uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak, ziet de Afdeling geen aanleiding, nu ter beoordeling van de Afdeling het hoger beroep van Bos Roses staat en met oplegging van een dwangsom buiten de grenzen van het geschil zou worden getreden.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

604.