Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3907

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201107326/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ8260, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college een aanvraag van de maatschap om schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Rwc) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Reconstructiewet concentratiegebieden
Reconstructiewet concentratiegebieden 30
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/546
O&A 2012/63
ABkort 2012/172
J.A.M.A. Sluysmans annotatie in TBR 2012/111

Uitspraak

201107326/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: de maatschap), gevestigd te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 mei 2011 in zaak nr. 10/139 in het geding tussen:

de maatschap

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college een aanvraag van de maatschap om schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Rwc) afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2012, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. C.M.H. Cohen, juridisch adviseur te Arnhem, en [maat C], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Weusten, werkzaam bij de provincie Limburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kennen gedeputeerde staten op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. De maatschap is eigenaar van verschillende kadastrale percelen in het buitengebied van Nederweert (hierna: de gronden). Zij exploiteert op de gronden een gemengd bedrijf met een grote meldrundveehouderij en een klein zeugenbedrijf.

2.3. Bij besluit van 5 maart 2004 hebben provinciale staten van Limburg het reconstructieplan Noord- en Midden Limburg (hierna: het reconstructieplan) vastgesteld. Het reconstructieplan voorziet ten behoeve van Noord- en Midden Limburg in een zonering voor de intensieve veehouderij, bestaande uit zogenoemde landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden. Uit onderdeel B, hoofdstuk 4, blijkt dat provinciale staten ervoor hebben gekozen de zonering voor de intensieve veehouderij door te laten werken in streekplannen en bestemmingsplannen, door artikel 27 van de Rwc op dat onderdeel van het reconstructieplan van toepassing te verklaren.

2.4. De gronden zijn grotendeels in een extensiveringsgebied gelegen. Onder een extensiveringsgebied wordt ingevolge artikel 1 van de Rwc verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.5. Bij brief van 11 augustus 2008 heeft de maatschap het college verzocht om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door het reconstructieplan. Volgens de maatschap heeft het reconstructieplan het onmogelijk gemaakt de uitbreiding van het bouwblok ten behoeve van de intensieve veehouderij, die uit een bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk is, te realiseren. Voorts heeft zij aangevoerd dat het reconstructieplan tot een waardevermindering van de gronden en het bedrijf heeft geleid.

2.6. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). Bij advies van april 2009 heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat het reconstructieplan voor de maatschap niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 30, eerste lid, van de Rwc voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardedaling van de gronden en het bedrijf of inkomensderving is voortgevloeid. Daartoe is in het advies uiteengezet dat het reconstructieplan de krachtens het bestemmingsplan 'Buitengebied 1998' (hierna: het bestemmingsplan) ter plaatse bestaande planologische mogelijkheden voor de maatschap om haar bedrijf, inclusief de intensieve veehouderij, binnen het bouwperceel uit te breiden op geen enkele wijze heeft beperkt. Voorts is in dat advies uiteengezet dat het beleidsmatig aanwijzen van gebieden voor het behoud of de ontwikkeling van natuurwaarden feitelijk van invloed kan zijn op de prijsontwikkeling van deze gebieden in de markt, maar het reconstructieplan niet de eerste formulering of vastlegging van het provinciale of rijksbeleid over de natuurdoelstellingen is en bovendien niet kan gelden als juridisch bindend besluit tot aanwijzing en begrenzing van de ecologische hoofdstructuur, zodat het voor schadevergoeding vereiste oorzakelijk verband tussen de aanduiding van de gronden in het reconstructieplan en de gestelde waardedaling van de gronden buiten het bouwperceel ontbreekt.

Het college heeft het advies van de SAOZ van april 2009 aan het besluit van 26 mei 2009 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.7. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 in zaak nr. 200906721/1/H2 (LJN: BL9617) heeft overwogen dat het college de aanvraag terecht als een verzoek om vergoeding van planschade heeft behandeld. Daartoe voert de maatschap aan dat uit die uitspraak niet valt af te leiden dat de in de wet en de jurisprudentie gestelde vereisten voor vergoeding van planschade in haar geval van overeenkomstige toepassing zijn.

2.7.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 30 van de Rwc (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 356, nrs. 3 en 5) valt af te leiden dat de wetgever met deze bepaling, waarbij is aangesloten bij de tekst van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), heeft beoogd dat de vereisten voor vergoeding van planschade van overeenkomstige toepassing zijn, omdat uit een reconstructieplan rechtstreeks werkende en concrete planologische belemmeringen op een perceel kunnen voortvloeien. In artikel 30 van de Rwc is slechts in zoverre afgeweken van de regeling voor vergoeding van planschade, dat niet burgemeester en wethouders, maar gedeputeerde staten tot het nemen van een besluit bevoegd zijn. Voor het overige is de rechtspositie van een belanghebbende niet anders dan bij toepassing van de regeling voor vergoeding van planschade het geval zou zijn geweest.

Het betoog faalt.

2.8. De maatschap betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft overwogen dat bij de vergelijking van het bestemmingsplan met de uit het reconstructieplan voortvloeiende planologische belemmeringen geen betekenis toekomt aan de krachtens het bestemmingsplan bestaande wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de uitbreiding van het bouwblok. Daartoe voert zij aan dat die jurisprudentie op vergoeding van planschade betrekking heeft en dat niet valt in te zien waarom die jurisprudentie tevens betekenis heeft voor schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Rwc. Voorts voert zij aan dat het reconstructieplan het onmogelijk heeft gemaakt de door haar gewenste uitbreiding van het bouwblok te realiseren en dat zij daardoor schade heeft geleden.

2.8.1. Vaststaat dat de wijzigingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 5.5.2 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, niet is verwezenlijkt.

2.8.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 27 juli 2005 in zaak nr. 200408229/1, AB 2006, 163) komt bij de vergelijking van het oude met het nieuwe planologische regime in verband met de beslissing op een verzoek om vergoeding van planschade geen betekenis toe aan de niet verwezenlijkte wijzigingsbevoegdheid in het oude regime. Die jurisprudentie is in dit geval, gelet op het onder 2.7.1. overwogene, van overeenkomstige toepassing. Derhalve is de door de maatschap bedoelde wijzigingsbevoegdheid terecht niet betrokken bij de vergelijking van het bestemmingsplan met de uit het reconstructieplan voortvloeiende planologische belemmeringen.

Het betoog faalt.

2.9. De maatschap betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat het reconstructieplan niet tot vermogensschade heeft geleid. Daartoe voert de maatschap, samengevat weergegeven, aan dat de gronden thans grotendeels tot een extensiveringsgebied behoren en het bedrijf daardoor minder courant is, omdat een redelijk denkende en handelende koper eerder zal kiezen voor een locatie en gronden buiten een extensiveringsgebied dan binnen een dergelijk gebied. Nadelige effecten blijken ook doordat het bedrijf door de aanduiding van de gronden in het reconstructieplan wordt uitgesloten van subsidie voor duurzame ontwikkelingen.

2.9.1. Hoewel niet valt uit te sluiten dat het scharen van de gronden onder een in het reconstructieplan opgenomen extensiveringsgebied indirecte effecten heeft op de waarde van die gronden en het daaraan gebonden bedrijf in het vrije economische verkeer, brengt dat niet met zich dat de gestelde schade in een zodanig nauw verband met het reconstructieplan staat, dat zij in redelijkheid aan het reconstructieplan moet worden toegerekend. Daarbij is van belang dat, volgens het in zoverre niet bestreden advies van de SAOZ, het reconstructieplan geen verandering in de planologische situatie op de gronden heeft gebracht, omdat het reconstructieplan de bestemming en het gebruik van de gronden niet heeft gewijzigd. Voorts is daarin vermeld dat provinciale staten bij het aanwijzen van gebieden als extensiveringsgebied zijn uitgegaan van bestaand beleid over de natuurdoelstellingen ter plaatse. Voor zover het bedrijf door de aanduiding van de gronden in het reconstructieplan wordt uitgesloten van subsidie voor duurzame ontwikkelingen, is dat geen ruimtelijk relevant gevolg van het reconstructieplan, maar een gevolg van de in de betreffende subsidieregelingen gestelde vereisten voor subsidie. Daarbij is van belang dat het verlenen van subsidie voor duurzame ontwikkelingen ook voor bedrijven met buiten een extensiveringsgebied gelegen gronden een toekomstige onzekere gebeurtenis is.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen grond hoeven vinden voor het oordeel dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat oorzakelijk verband tussen de aanduiding van de gronden in het reconstructieplan en de door de maatschap gestelde waardevermindering van de gronden en het bedrijf ontbreekt en dat het verzoek om vergoeding van vermogensschade wordt afgewezen.

Het betoog faalt.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

452.