Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201106666/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2011 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning, gelegen aan de [locatie] te Den Haag. Bij besluit van 20 april 2011 heeft de burgemeester dat verbod met achttien dagen verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106666/1/A3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2011 in zaak nrs. 11-438 en 11-2993 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2011 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning, gelegen aan de [locatie] te Den Haag. Bij besluit van 20 april 2011 heeft de burgemeester dat verbod met achttien dagen verlengd.

Bij mondelinge uitspraak van 21 april 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 3 mei 2011, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.H.W. Vollebergh, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) kan de burgemeester aan een persoon een huisverbod opleggen, indien diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen, die met hem in de woning wonen, of daarin anders dan incidenteel verblijven, of een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Ingevolge de tweede volzin geldt het verbod voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging krachtens artikel 9.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, eerste volzin, kan de burgemeester het verbod tot ten hoogste vier weken, nadat het is opgelegd, verlengen, indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: het Bth) betrekt de burgemeester bij de beoordeling of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dat besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Deze feiten en omstandigheden hebben betrekking op:

a. de persoon, ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld onder a, worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon, ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens in het kader van zijn beoordeling behoeft.

2.2. Aan het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [appellant] fysiek geweld tegen zijn partner en een van zijn kinderen heeft gebruikt in het bijzijn van zijn meerderjarige en minderjarige kinderen. De burgemeester heeft het proces-verbaal van de aanhouding van [appellant] van 10 april 2011, een door de hulpofficier van justitie ingevuld "Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld" (hierna: het RiHG), de mate en frequentie van het geweld en het vermoeden van voortduren ervan, bij de beoordeling betrokken. Volgens het proces-verbaal van de aanhouding hadden [appellant] en zijn partner op 10 april 2011 ruzie en hebben de buren de politie gebeld. Volgens de informatiesystemen van de politie had op het adres in 2008 huiselijk geweld plaatsgevonden. Toen de politieagenten op 10 april 2011 bij het huis arriveerden, ondervroegen zij de partner van [appellant]. Zij was emotioneel en haar stem sloeg over. Zij vertelde dat [appellant] haar al langere tijd psychisch onderdrukt en zij wordt geslagen en geschopt, aldus het proces-verbaal.

Aan de verlenging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de dreiging van gevaar onvoldoende is afgenomen. Hiertoe heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat [appellant] het geweld ontkent en geen hulp aanvaardt. Er zijn onvoldoende afspraken gemaakt ten aanzien van de veiligheid van de partner en de thuiswonende kinderen. Bovendien is de partner onvoldoende weerbaar. Daarnaast is onduidelijk, wat binnen het strafrechtelijke traject wordt besloten en zijn de kinderen gebaat bij een langere periode van rust, aldus de burgemeester.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de oplegging en verlenging van het huisverbod onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Hij voert hiertoe aan dat de burgemeester onvoldoende kennis omtrent de van belang zijnde feiten heeft vergaard en ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar zijn situatie. De mogelijkheid om elders te verblijven en de omstandigheid dat hij van zijn partner wilde scheiden heeft de burgemeester ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. De voorzieningenrechter heeft het oordeel dat de besluiten wel zorgvuldig zijn voorbereid niet toereikend gemotiveerd. Voorts heeft de voorzieningenrechter miskend dat onevenredig bezwarend is dat hij zijn kinderen niet mag zien en hij onevenredig benadeeld wordt in zijn toekomstperspectief als vader en echtgenoot, aldus [appellant].

2.3.1. [appellant] heeft de in het proces-verbaal gerelateerde feiten en omstandigheden niet betwist. Gelet op het door hem tegen zijn partner en één van zijn kinderen uitgeoefende geweld, de aanwezigheid van de kinderen bij de ruzie en het feit dat eerder huiselijk geweld in de woning heeft plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer personen die op dat moment met hem in de woning woonden of daarin anders dan incidenteel verbleven. Onder die omstandigheden heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de burgemeester aan het belang van hun veiligheid groter gewicht mocht hechten dan dat van [appellant] bij een goed toekomstperspectief als vader en echtgenoot, contact met zijn kinderen, en de mogelijkheid om, bij gebreke van een alternatieve verblijfplaats, thuis te verblijven. Dat [appellant], naar gesteld, van zijn partner wilde scheiden, heeft de voorzieningenrechter terecht niet tot een ander oordeel gebracht.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200901869/1), mag bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan niet langer bestaat, worden betrokken of de uithuisgeplaatste inmiddels een aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en de verwachting gerechtvaardigd is dat deze aan de hulpverlening blijft meewerken. De voorzieningenrechter heeft in het aangevoerde terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de dreiging voortduurde. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat de hulpverlening onvoldoende op gang was gekomen, omdat nog niet genoeg afspraken waren gemaakt ten aanzien van de veiligheid van de partner en de kinderen, [appellant] het geweld ontkende en geen hulp wilde ontvangen. De burgemeester heeft onder die omstandigheden het belang van de voortdurende veiligheid van de huisgenoten zwaarder mogen laten wegen dan dat van [appellant] om naar de woning terug te mogen keren.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

280-730.