Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201106350/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2009 heeft het dagelijks bestuur het fietspad, gelegen tussen het Ma Braunpad en de Osdorperweg te Amsterdam (hierna: het kronkelfietspad), aangewezen als recreatief fietspad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/300

Uitspraak

201106350/1/A3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West, voorheen het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer, (hierna: het dagelijks bestuur),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011 in zaak nr. 10/2487 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2009 heeft het dagelijks bestuur het fietspad, gelegen tussen het Ma Braunpad en de Osdorperweg te Amsterdam (hierna: het kronkelfietspad), aangewezen als recreatief fietspad.

Bij uitspraak van 22 oktober 2009 heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 20 april 2010 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het kronkelfietspad wederom als recreatief fietspad aangewezen (hierna: deelbesluit 1), de ventweg aangewezen als weg, waar een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt en bepaald dat die alleen voor bestemmingsverkeer en fietsers toegankelijk is (hierna: deelbesluit 2).

Bij uitspraak van 28 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit, voor zover het op de ventweg ziet, vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K.F. Mantiri, drs. L. Duin en ing. A. van de Woerd, allen werkzaam in dienst van de gemeente Amsterdam, bijgestaan door ir. H. Seignette, werkzaam in dienst van de besloten vennootschap Fugro-Inpark B.V., en ing. H. Godefrooij, werkzaam in dienst van de besloten vennootschap DTV Consultans B.V., en [wederpartij], in persoon, bijgestaan door mr. F.C. Schirmeister, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval, welke doelstelling of doelstellingen er mee worden beoogd. Daarbij wordt vermeld, welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 vermelde belangen eraan ten grondslag liggen. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 vermelde belangen in het geding zijn, wordt voorts vermeld, op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2. De rechtbank heeft deelbesluit 2 van het verkeersbesluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd geacht. Het dagelijks bestuur heeft het belang van de verkeersveiligheid bij gebruik van de ventweg volgens haar onvoldoende meegewogen, waardoor het in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen. Zij heeft daartoe mede in aanmerking genomen dat het zelf te kennen heeft gegeven dat die weg, gelet op de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW), te weten de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, wat betreft veiligheid te wensen overlaat.

2.3. Voor zover [wederpartij] en anderen hebben beoogd bij hun verweerschrift van 1 augustus 2011 hoger beroep in te stellen, wordt, zoals de Afdeling eerder heeft gedaan (onder meer uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201108125/1/A1), overwogen dat het verweerschrift niet is ingediend binnen de voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn en de Algemene wet bestuursrecht, noch de Wet op de Raad van State voor het instellen van incidenteel hoger beroep grondslag biedt.

2.4. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank het besluit ten onrechte onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd heeft geacht. Het belang van de verkeersveiligheid is bij het nemen van deelbesluit 2 voldoende meegewogen. Door de ventweg aan te wijzen als weg, waar een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt en daarnaast de weg alleen toegankelijk te maken voor fietsers en bestemmingsverkeer, is een zo veilig mogelijk alternatief voor fietsers gecreëerd. Bovendien is de ventweg geen verplicht fietspad. De rechtbank heeft voorts wat betreft de toepassing van de normen van het CROW een onjuiste maatstaf gehanteerd, aldus het dagelijks bestuur.

2.4.1. Aan het dagelijks bestuur kwam, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, bij het nemen van het verkeersbesluit een ruime

beleids- en beoordelingsmarge toe. Het was aan hem om alle bij het nemen van dat besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient de uitkomst van die afweging door het dagelijks bestuur te respecteren, tenzij geoordeeld moest worden dat het daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen. De te stellen motiveringseisen moesten met deze wijze van toetsen sporen.

2.4.2. Het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank ten onrechte grond voor dat oordeel gegeven. De door het dagelijks bestuur uit te voeren belangenafweging mocht er niet toe leiden dat een onveilige verkeerssituatie zou ontstaan. Om dat te vermijden en de ventweg niettemin voor de gebruikers bereikbaar te houden, heeft het besloten dat alleen fietsers en bestemmingsverkeer met een maximumsnelheid van 30 km per uur worden toegestaan. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de ventweg voor, zowel fietsers, als gemotoriseerd verkeer toegankelijk moet zijn, zodat de bestemmingen langs de ventweg voor beide soorten weggebruikers bereikbaar zijn. Het heeft voorts van belang geacht dat de ventweg geen verplicht fietspad wordt en er alternatieve routes voor fietsers zijn, zoals het kronkelfietspad of de Tom Schreursweg. Het heeft gemotiveerd uiteengezet, dat en waarom de toestand van het kronkelfietspad onvoldoende is om het als verplicht fietspad te gebruiken en de mogelijkheden voor goed onderhoud zeer beperkt zijn. Het heeft zijn oordeel dat gebruik van de ventweg verkeersveilig is, met de verwijzing naar het akkoord van de verkeerspolitie met het ontwerpbesluit en de omstandigheid dat op de ventweg geen ongelukken zijn gebeurd, toereikend gemotiveerd. Voor zover [wederpartij] en anderen hebben gesteld dat op de ventweg wel ongelukken zijn gebeurd, maar deze niet staan geregistreerd, hebben zij die stelling niet aannemelijk gemaakt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door [wederpartij] en anderen bij haar ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011 in zaak nr. 10/2487;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

280-730.