Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201106340/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om het pand [locatie] te Groningen (hierna: het pand) voor kamerverhuur te gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/192

Uitspraak

201106340/1/A3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 april 2011 in zaak

nr. 10/667 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om het pand [locatie] te Groningen (hierna: het pand) voor kamerverhuur te gebruiken.

Bij besluit van 28 mei 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2011, verzonden op 26 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M. Riemersma, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 24, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening 2006 van de gemeente Groningen is het verboden om zonder een onttrekkingsvergunning van het college een woonruimte, aangewezen in artikel 2, derde lid, van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, verleent het college de onttrekkingsvergunning, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge het tweede lid kan het college de vergunning weigeren, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de onttrekkingsvergunning tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte, waarop de aanvraag betrekking heeft, zou leiden.

Voor de toepassing van die bepaling heeft het college beleidsregels vastgesteld. Op 3 juni 2008 heeft het besloten dat het geen onttrekkingsvergunningen meer zal verlenen, indien het aantal vergunningen per straat boven de 15 procent van het aantal woningen uitkomt. Dit besluit is op 11 juni 2008 in de Groninger Gezinsbode (hierna: de Beleidsregel) gepubliceerd.

2.2. [appellant] stelt allereerst dat de rechtbank in de omstandigheid dat hij het verslag van de hoorzitting niet heeft toegezonden gekregen en het besluit van 28 mei 2010 te lang op zich heeft laten wachten ten onrechte geen aanleiding heeft gevonden om dat besluit te vernietigen.

2.2.1. Hoewel de rechtbank haar oordeel dat de gang van zaken tijdens de bezwaarprocedure niet tot vernietiging van het besluit van 28 mei 2010 kan leiden niet nader heeft gemotiveerd, leidt dit niet tot het met het betoog beoogde resultaat.

Ingevolge artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt van het horen een verslag gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 augustus 2008 in zaak nr. 200706558/1), is het doel van het maken van een verslag van een hoorzitting dat het college kennis kan nemen van het verhandelde, indien het de bezwaarde niet zelf heeft gehoord. Niet in geschil is dat van het verhandelde een verslag is gemaakt. Het college was niet gehouden om dat aan [appellant] toe te zenden.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het besluit van 28 mei 2010 te lang op zich heeft laten wachten, heeft dat betoog de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het deswege niet in stand kan blijven. [appellant] zou tegen het uitblijven van een besluit op het door hem gemaakte bezwaar desgewenst in rechte hebben kunnen opkomen. Hij heeft dat niet gedaan.

2.3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de onttrekkingsvergunning in strijd met de Beleidsregel is verleend. Het pand, waar de vergunning op ziet, is aan de Nieuweweg gelegen. Het college heeft ten onrechte het adres van het pand doorslaggevend geacht. Het percentage onttrekkingsvergunningen voor de Nieuweweg is al meer dan 15, aldus [appellant].

2.3.1. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college voor de toepassing van de term 'straat' in de Beleidsregel het adres van het pand doorslaggevend mocht achten. Niet in geschil is dat het adres van het pand [locatie] is en de hoofdingang van het pand zich in die straat bevindt. Het college heeft voorts onweersproken gesteld dat het percentage onttrekkingsvergunningen in die straat, na de verlening van die voor het pand, 1,7 is.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

280-730.